SCHOOLBANKVERHALEN |
| |
De
volgende sfeerverhalen waren in eerste instantie bedoeld voor
publicatie op www.schoolbank.nl.
Enkele ex-schoolgenoten hebben daar enthousiast op gereageerd:
hoewel hun persoonlijke ervaringen uiteraard heel verschillend
waren, ervoeren ze het lezen van mijn herinneringen als een
aha-erlebnis, met name de beschrijvingen van docenten.
Helaas zijn de teksten op de schoolbanksite, met uitzondering
van de eerste regels, alleen toegankelijk voor de kleine groep
bezoekers die bereid is daarvoor te betalen. Ook worden de langere
verhalen verminkt door ze na een aantal lettertekens ineens
af te kappen. Daarom heb ik mijn schoolbankverhalen nu aan mijn
eigen website toegevoegd: te lezen voor iedereen die hier via
via, googlend of bij toeval is beland. Geniet en huiver! |
| |
| Lees
verder of klik snel door naar een van de volgende scholen: |
| |
| De
Duinkrekels, IJmuiden (1962-1964) |
| Prof.
J.H. Gunningschool, IJmuiden (1964-1970) |
| Gymnasium
Felisenum, Velsen Zuid (1970-1978) |
| Universiteit
van Amsterdam, Sociale Geografie en Planologie (1978-1988) |
| Foto
Academie, Amsterdam (1993-1996) |
| |
| Enkele
citaten uit ontvangen e-mails |
| |
"Ik vond
jouw verhaal op Schoolbank erg herkenbaar. De moeite die kinderen
hebben met schoolsystemen, ouders, koddebeiers, potentaten,
liefdes, keuzes en volwassen worden. De drang om de wereld
te verkennen en de passie voor het fietsen zat er al vroeg
in.
Bij jou in de klas zitten was wel bijzonder. Je verzette je
behoorlijk en was luid en duidelijk aanwezig. Jij haalde altijd
een 10 en bij het om de beurt oplezen van onze cijfers kon
jij zo heerlijk luid en triomfantelijk TIEN!!! scanderen.
Als we onverhoopt vrij hadden, omdat de juf ziek was, juichte
je het hardst. Bij het overlopie spelen was je een ongrijpbare
factor door je loopvermogen."
"Met heel
veel plezier heb ik je uitvoerige beschrijving van jouw ervaringen
op alle "scholen" die je hebt doorlopen gelezen.
Met plezier omdat je goed kan schrijven en omdat ik - wat
betreft de school waar we allebei op hebben gezeten - veel
herken. Jouw beschrijvingen van Groenhart, Kofman, Snippe,
Boomgaard, Poortman, Mulder en Tromp zijn vaak heel treffend.
Zeven jaar lang heb ik ook met deze heren te maken gehad,
dus ik weet waar het over gaat!"
"Na een kwartier of zo viel mijn mond open van verbazing;
zelden een zo treffende beschrijving van het schoolklimaat
1970-1978 gelezen als dit. En zo mooi verwoord. Weliswaar
heb ik een iets andere perceptie en mag ik het misschien niet
op alle punten met je eens zijn - ik kon het namelijk wel
erg goed vinden met John Mulder *grin* al had ik ook een pesthekel
aan zijn vooringenomenheid soms - maar je beschrijving van
sommige leraren is meer dan treffend."
"Zeer maar dan ook zeer boeiend. Ik herken niet alles
omdat ik niet in elke klas met jou heb gezeten, maar het komt
me zeer realistisch over. Ik vond het jammer dat er een einde
aan kwam!"
"Bedankt voor je mooie verhalen. Inderdaad is daar heel
veel in te herkennen, en je weet het erg goed te beschrijven.
Ik heb slechts kort bij jou in de klas gezeten, daar ik absoluut
geen aanleg voor exacte vakken heb. Die periode kon ik echter
geen hoogte van je krijgen en nu begrijp ik ook wel waarom."
"Bij toeval kwam ik jouw site tegen op het internet.
Wat een schok om die gymnasium Felisenum verhalen te lezen!
Tja Kees, er ging een schok van herkenning door me heen toen
ik jouw artikel las. Ik voelde me doodongelukkig daar op school.
Vele jaren later werd ik in onaangename dromen nog steeds
geconfronteerd met bijvoorbeeld Valter of Groenhart. Ik heb
er een levenslange aversie tegen alles wat met onderwijs te
maken heeft opgelopen! Zo zie je maar, het Felisenum was geen
plek voor creatieve mensen met een eigen wil! Maar knap wat
je nu presteert! Hopelijk blijft de kwajongen in je zegevieren!"
"Ik lees
nu voor de 2de keer je mooie verhaal over het Felisenum. Je
hebt heel wat veranderd volgens mij. Het is er alleen maar
kleurrijker van geworden. Het idee dat ik deel uitgemaakt
heb van zoveel historie doet mij van binnen juichen. Wat was
het leuk en wat heb ik aan de zijkant geleefd al die jaren.
Observeren, dat is mij wel toevertrouwd, maar jou ook. Ik
heb je natuurlijk uitgebreid gesproken bij het vorige lustrum
en het mysterie Kees Swart is voor mij toen gedeeltelijk opgehelderd."
|
| |
| De
Duinkrekels, IJmuiden (1962-1964) |
| |
vouwblaadjes
Ik herinner me nog de allereerste dag: zodra mijn moeder mij
aan juf Jansen had toevertrouwd, sloeg ik luid blèrend
met mijn vuistjes op de deur, waar de juf tegenaan moest leunen
om mij binnen te houden.
Al snel was ik voldoende gedresseerd om braaf naar school te
gaan, maar echt naar mijn zin heb ik het er nooit gehad. Ik
speelde graag met blokken. De juf vond het echter heel belangrijk
dat we ook zestien vierkantjes leerden vouwen, zelfs toen we
dat al tigmaal gedaan hadden. Als het eindelijk weer tijd voor
de blokken was, werd ik door de vechtersbaasjes uit mijn klas
opzij geduwd. Ze gingen pas weg wanneer de juf zei dat alle
jongens weer met vouwblaadjes aan de slag moesten. Dan bleef
ik dus lekker tussen de blokken zitten en was ik Oost-Indisch
doof als de juf mij tot de orde riep. Juf Jansen liet echter
niet met zich spotten. Ze moest veertig kleuters in het gareel
houden en duldde geen dissidentjes. Steeds vaker moest ik in
de hoek staan. |
|
|
|
4 jaar? mwah... (1 januari 1962)
|
Schele Wimpie
Buiten liepen we soms met de orgelman mee. Of achter Schele
Wimpie aan, een mongooltje uit de buurt. Altijd liep hij te
roffelen op een grote trommel.
De wereld om me heen zat vol mysteries. Ik snapte niet hoe Sinterklaas
met een paard over de daken kon lopen, vroeg me af wat 'communistisch
China', dat op het radionieuws steeds weer plechtig werd
aangekondigd, betekende, of hoe een boot zich over het water
verplaatste zonder te zinken. Voor dat laatste had ik een oplossing
bedacht: onder de schepen die ik tekende, zaten lange poten
met wieltjes, zodat ze over de zeebodem konden rijden en toch
boven water bleven.
Op weg van school naar huis vertelde Frits me een keer heel
stoer dat hij het sleuteltje van de gevangenis had. Ik begreep
amper wat een gevangenis was, maar voelde me toch niet op mijn
gemak. Wist ik veel dat Frits graag een beetje blufte…
|
| |
|
Duinkrekels
met o.a. Frits Rijperman, Cees Broek en Rob Naborn (1962-1963) |
| |
zingende
Italianen
Juf Jansen kwam een keer op bezoek bij ons thuis. Sindsdien
zei mijn moeder enkele keren: "Juf Jansen is gek met
een touwtje om haar nek: trek, trek!" Wat voor raar
spelletje dat nu toch was, wist ik niet. Jaren later begreep
ik dat de juf was komen vertellen dat ik aanpassingsproblemen
had. Mijn moeder wist zich daar blijkbaar niet goed raad mee
en kon dan nogal theatraal uit de hoek komen. Naarmate ik ouder
werd, zou ik steeds minder gaan voldoen aan het simpele ideaalbeeld
dat ze voor ogen had. Ze kon sowieso beter opschieten met jonge
kinderen, die met sprookjes en spelletjes nog te sussen waren,
dan met lastige tieners die confronterende vragen stelden.
Als kleuter kreeg ik ernstig last van mijn maag en darmen. Daarvoor
gingen we naar een kinderarts in Beverwijk: helemaal door de
Velsertunnel. Soms zat achter in de bus een groep zingende Italianen,
op weg naar de Hoogovens. Naar school hoefde ik voorlopig niet
meer en ik genoot van de herwonnen vrijheid: volop spelen met
mijn eigen blokken en lekker crossen op mijn step. |
| |
| Prof.
J.H. Gunningschool, IJmuiden (1964-1970) |
| |
verveling
Ik was trots toen ik eindelijk naar de Grote School mocht. De
eerste jaren waren goed te doen, al sloeg de verveling snel
toe en moest ik nablijven als ik niet bij de les was. Juf Braaksma
kon niet weten dat ik het eerste leesboek tijdens de les al
uitgelezen had, terwijl ze met de klas pas halverwege was.
Juf Parent was soms best een bitch, maar heilig vergeleken bij
wat nog komen zou... |
| |
|
Gunningschool,
derde klas met juf Parent (1966-1967) |
| |
Dikke
Wille
Vanaf het eind van het derde jaar kregen we Wille voor de klas:
een echte kerel die niet gebukt ging onder enige intellectuele
bagage en verzot was op voetballen en eten. Op deze school kwam
hij daar goed mee weg.
Willes eetlust was niet te stillen. Elke dag liet hij tijdens
de les iemand uit het raam klimmen om worst voor hem te halen.
De slager om de hoek moet een gouden tijd hebben gehad. Ook
Willes manier van lesgeven was opzienbarend: wekenlang liet
hij ons alleen maar cijferen, waardoor ik voor het eerst echt
de pest aan school kreeg.
Taal leerden we onszelf door tijdens de les elkaars stripboeken
te lezen. Dikke Wille vond het prima, zolang zijn maag maar
gevuld was. 'Erst kommt das Fressen, dann die Moral'
moet zijn motto zijn geweest. Kreeg hij weer trek, dan verscheen
er een valse blik in zijn ogen. Bijten deed hij niet, maar gooien
des te meer. Meestal met krijt of met een balletje, maar als
je pech had kreeg je een sleutelbos tegen je hersenpan. Zo leerde
ik razendsnel duiken en opzij springen (een strategie die ik
tijdens sportlessen op de middelbare school toe ben blijven
passen om aansuizende ballen te ontwijken, tot wanhoop van de
gymleraar). |
| |
strafregels
Dinsdagmiddag begon meestal met een uur zwemles. Daarna fietsten
we terug naar school, waar Wille niet stond te popelen om nog
een uur les te geven. Haast elke week bedacht hij wel een reden
om de hele klas na het zwemmen honderd strafregels te laten
schrijven. Na een stuk of wat van zulke middagen ging ik me
afvragen waarom we dit nog pikten en iedereen toch steeds weer
braaf die honderd regels neerpende. Helaas miste ik het charisma
om mijn klasgenoten op de barricaden te krijgen. Wel verscheurde
ik, toen we ons strafwerk thuis af moesten maken, verontwaardigd
mijn reeds volgeschreven velletjes op het schoolplein.
Al snel werd ik mikpunt van Willes toorn. Steeds vaker werd
ik de les uitgestuurd en moest ik op de gang bij het keukentje
staan. Als ik dan merkte dat Lambeck, het licht ontvlambare
schoolhoofd, er aan kwam, verborg ik me in het bezemhok onder
de trap. Daar vond ik op een dag mijn fiets terug, die een week
eerder uit de stalling was verdwenen en zogenaamd door niemand
gevonden was!
Ik heb niet kunnen ontdekken of er achter in de bezemkast nog
lijken lagen, want voortaan werd ik met tafel en stoel op de
gang gezet, zodat Wille me vanuit de klas nog kon zien. Qua
comfort was dit wel een vooruitgang. |
| |
etterbakjes
Dikke Wille was niet het enige onheil dat voortdurend
op de loer lag. De straten van IJmuiden werden onveilig
gemaakt door vechtlustige etterbakjes die ik liever niet
tegen het lijf liep. Soms had ik ze op tijd in de gaten
en wist ik met een omweg veilig thuis te komen. Ook met
hard rennen kon ik ze aardig op afstand houden. Wanneer
ze echter samen met mij uit school waren gekomen en riepen:
"Jou moet ik nog hebben!", was ik hun
prooi en kwam ik bont en blauw geslagen thuis.
Safer was het in het bos, waar ik veel met Frits speelde.
Frits was ook een prima bodyguard tegen straattuig.
Soms
fietsten we naar de spoorlijn voor de treintunnel; we
legden dan een stukje grind boven op de rails, doken weg
en bleven wachten tot er een trein voorbijkwam. Gelukkig
reden de treinen altijd door.
Ook crosten we door de voortuin van onze klasgenootjes
Shirley en Louise, of haalden met onze lieve smoeltjes
oude kranten op om fikkie te gaan steken.
|
|
|
Frits
(cool in zijn fietskledij) en ik ('strak in het pak',
conform de mode-opvattingen van mijn moeder) (1967) |
Een
van mijn favoriete plekken was het hoge duin dat werd afgegraven
om plaats te maken voor de voetbalvelden van Stormvogels. Hier
kon je vele meters naar beneden springen en een zachte landing
in het zand maken. Zolang je niet te dicht bij de dragline kwam,
leek het hier niet gevaarlijk, totdat een blindganger uit de
Tweede Wereldoorlog uit het zand werd opgevist: half IJmuiden
werd geëvacueerd totdat de bom onschadelijk was gemaakt.
We kropen hier onder het prikkeldraad door naar de verboden
duinen waar Zeewijk gebouwd werd. Al gauw werden we betrapt
door een boswachter. Hij had een boek met alle namen en adressen
in IJmuiden bij zich en heeft, nadat we keurig onze namen hadden
genoemd, een brief naar onze ouders laten sturen. Er mocht niet
gespeeld worden in deze kwetsbare duinen, die echter gedoemd
waren om plaats te maken voor torenflats, wegen en sportvelden.
Het afgraven van duinen en bouwen van steden ging ik zelf nabootsen
in duinzand. Later ging ik hiervoor naar het strand, waar bij
laag water ook stromend water voorhanden was voor mijn eigen
versies van de deltawerken. Op de stillere stukken strand had
ik geen last had van straatschoffies en leeftijdgenoten die
niets van mijn creaties begrepen en het maar kinderachtig vonden
dat ik nog met zand speelde.
Geleidelijk werd mijn wereld groter dan de directe omgeving
van IJmuiden. Op de fiets reed ik als elfjarige al stiekem naar
Haarlem. Amsterdam bleef voorlopig nog buiten bereik, al drong
er wel iets door van de nieuwe tijdgeest in sommige rijmpjes
die op het schoolplein werden opgedreund: "Lange haren,
witte jekken, laat de smerissen maar verrekken. Oef oef oef,
tam tam tam, wij zijn lid van de Provo stam!" |
| |
driftbuien
Uiteindelijk verloste meneer Hessels ons van Dikke Wille. Er
restte nog een paar jaar om ons in te laten halen wat bij Wille
was blijven liggen. Nogal wat klasgenootjes konden alleen stripverhalen
lezen en strafregels schrijven. Vaak moesten ze ook de tafels
van drie tot en met negen nog leren.
Zelf had ik nogal wat averij tussen de oren opgelopen. Ik werd
onrustig, neerslachtig en kreeg last van driftbuien en nerveuze
tics, die voor mijn medescholieren niet onopgemerkt bleven.
De kinderpsycholoog kon gissen naar de oorzaken en verwees me
door naar een specialist. Een EEG (hersenscan), pillenkuur en
vele bezoeken aan de neuroloog volgden tot rond mijn veertiende.
De diagnose die destijds werd gesteld, is inmiddels achterhaald.
Maar ook vandaag de dag zouden de symptomen vast en zeker van
een mooie naam zijn voorzien.
Hessels maakte er met zijn kids het beste van, maar kon met
mij niet veel meer beginnen. Op school bleef ik me stierlijk
vervelen. Huiswerk maakte ik niet, strafwerk en nablijven was
routine geworden. Op een dag schreef Hessels een boze brief
die ik door mijn ouders moest laten tekenen. Daar had ik helemaal
geen zin in; mijn ouders begonnen steeds meer een verlengstuk
van de school te worden. Wekenlang verzon ik uitvluchten waarom
ik de brief nog niet had laten tekenen, totdat mijn moeder hem
uit de zak van mijn jas viste toen ze deze in de was wilde doen.
In het laatste jaar trok ik nog op met Hendrik, maar na het
afscheidsfeest zag ik niemand meer. De Cito-toets had mijn klasgenoten
op andere scholen doen belanden. Alleen Ineke ging net als ik
naar het gymnasium. Daar zou ik mijn draai wel vinden, dacht
men. |
| |
| Gymnasium
Felisenum, Velsen Zuid (1970-1978) |
| |
Felisenum-blues
Acht heftige jaren heb ik hier doorgebracht met strebertjes,
nerds in de dop, ontkiemende corpsballen en dolende pubers.
Er heerste een cultuur van presteren, incasseren en vissen naar
de gunsten van wispelturige leraren. Dit paste niet bij mij
want erg ambitieus, stressbestendig of handig in de omgang was
ik niet. Wel verlegen (hoezeer ik dat ook probeerde te overschreeuwen)
en rusteloos als ik me niet op mijn gemak voelde; ook masochistisch
genoeg om de Felisenum-blues tot het einde uit te zingen, al
was ik na mijn ervaringen op de lagere school niet bereid om
alles over mijn kant te laten gaan. Ook op deze school zat er
voor mij al gauw niks anders op dan de confrontatie aan te gaan,
al werd me na verloop van tijd wel duidelijk dat ik hier andere
strategieën moest hanteren dan ik in IJmuiden had aangeleerd. |
| |
Brulpaap
Vanaf de eerste schooldag lag ik op ramkoers met gymleraar Mulder.
Hij vulde zijn uren met allerlei teamsporten waarvan niemand
mij de regels had bijgebracht. Hockey, volleybal en softbal
waren totaal onbekend voor mij; en wat er zo leuk aan was om
elkaar op te jutten en af te snauwen om zoiets banaals als een
voetbal, had ik ook al nooit begrepen. Tot overmaat van ramp
was de communicatie tussen mijn onrustige hoofd en slungelige
ledematen verre van optimaal voor dit soort sporten: niet voor
niets ging ik de eerste jaren regelmatig naar een neuroloog.
Bewegen in de buitenlucht deed ik overigens graag, maar dan
wel op mijn eigen manier: niet op een fantasieloos sportveld
en niet gebonden aan allerlei regeltjes en prestatie-eisen.
Mijn eerste goedbedoelde poging om een bal te werpen hoonde
Mulder meteen weg als 'meidengooi'. Meer van dit soort
kwalificaties volgden en al snel had ik het helemaal met hem
gehad; ik raakte geen bal meer aan. In goed gezelschap van Willem
Lust of Otto von Hertzberg bleef ik over wanneer er teams gekozen
werden. Meestal stond ik achter in het veld weg te dromen terwijl
Mulder à la Louis van Gaal commando's uitdeelde en mij
stond uit te foeteren: "Swart, let op de bal!",
"Swart, klim uit die boom!"," Swart, sta niet
uit je neus te vreten!"
De enige keer dat Mulder een wadlooptocht organiseerde, was
ik aangenaam verrast. Wadlopen vond ik gaaf. In plaats van blij
te zijn dat ik nu eens wèl enthousiast was voor een van
zijn activiteiten, ontmoedigde Mulder mij om mee te gaan: hij
wilde niet geloven dat ik de pittige tocht naar Schiermonnikoog
vol zou houden. Ik ging toch, zonder problemen. Het was typisch
John Mulder: onuitstaanbaar dominant, altijd paraat met commentaar
en nul komma nul begrip voor leerlingen die niet in zijn kudde
mee wilden lopen.
Met Frans Visser imiteerde ik zijn donderpreken, Peter Tjalsma
noemde hem treffend 'Brulpaap'. Sjef Souwer zag ik
zelfs een keer aanstalten maken om met Mulder op de vuist gaan.
Maar bij velen was hij onbegrijpelijk populair. Inmiddels zullen
heel wat van zijn toenmalige fans buikige vijftigers zijn geworden,
die fysiek niet meer in staat zijn om op eigen kracht een tocht
als deze
of deze
te maken. |
| |
|
Felisenum,
klas 1B met beeldend kunstenaar Henk Ames en Ma van den Berg,
die de administratie deed (1970) |
| |
rijtjes
en feitjes
Ook bij andere leraren was het spitsroeden lopen. Ik wilde best
wel wat leren maar was ook een verwoede dagdromer: mijn gedachten
waren zelden bij de les als het met een docent niet klikte.
Wolkenluchten of wandplaten waren veel interessanter dan Latijnse
stamtijden. Soms had ik ook al mijn aandacht nodig om de met
speeksel doordrenkte propjes, die klasgenoten mijn kant op schoten,
te ontwijken.
Op de lagere school had ik nooit wat aan huiswerk gedaan, maar
nu was er niet meer aan te ontkomen. Echt moeilijk was het allemaal
niet. Superslim hoefde je op een gymnasium ook niet te zijn,
je had meer aan een fotografisch geheugen. Na schooltijd kon
ik me echter maar weinig herinneren van wat tijdens de lessen
besproken was. Ook kostte het me veel moeite om aan het eind
van de middag mijn puberende hoofd nog een paar uur aan het
werk te zetten. Ik had weinig zitvlees en haatte het eindeloos
instampen van rijtjes en feitjes.
Vragen over de les stelde ik nooit: de leraren zouden me toch
maar een sukkel vinden of erachterkomen dat ik helemaal niet
had opgelet. Als ik zelf een vraag moest beantwoorden, had ik
vaak geen flauw idee waar het over ging en probeerde ik me er
op een clowneske manier uit te redden.
De prestatiedruk leidde tot faalangst en ondermijnde mijn motivatie
om naar school te gaan. 's Nachts droomde ik vaak dat ik achter
in een bus zat die in tweeën brak: het voorste deel reed
altijd gewoon door terwijl het achterste verongelukte. Na zo'n
onrustige nacht brak meestal een stressvolle ochtend aan: keihard
fietsen om net wel of net niet voor de tweede bel op school
te zijn. En in het laatste geval ongezien voorbij het kantoortje
van Ma van den Berg proberen te komen en stilletjes het leslokaal
binnensluipen... |
| |
stille
sabotage
Thuis knapte ik af op de hooggespannen verwachtingen van mijn
ouders. Voor hen was onderwijs iets heiligs: het enige dat
leek te tellen, waren de schoolprestaties van hun kinderen.
Ze wilden me klaarstomen voor een wereld waarin zij zelf de
weg niet goed kenden en konden niet bevatten dat ik andere
keuzes zou gaan maken dan zij voor ogen hadden. De taakopvatting
van mijn ouders zou ongetwijfeld veel waardering hebben gehad
van iemand als André Rouvoet (minister voor Jeugd en
Gezin in het laatste kabinet Balkenende), maar in mijn ogen
was hun manier van leven steeds meer een stressvolle en tobberige
onderwerping aan de heilige drie-eenheid van carrière,
huis en gezin. Voor mij geen aantrekkelijk voorbeeld om later
te volgen: zelf zou ik er niet gelukkig van worden en de rest
van de wereld, die steeds meer tekenen van uitputting en overbevolking
ging vertonen, zat er ook niet op te wachten.
Ik zette steeds meer vraagtekens bij alles wat van mij verwacht
werd, maar had nog geen overtuigend alternatief voorhanden.
Mijn ouders konden stellig beweren dat ik helemaal vrij was
om mijn eigen keuzes te maken (ze peperden me alvast in dat
ik later niet moest gaan verkondigen dat ik van hen zo nodig
had moeten studeren...), maar die keuzes moesten uiteindelijk
wel hun goedkeuring krijgen. Het werd niet op prijs gesteld
dat ik verder keek dan hun eigen blikveld toeliet. Ze kenden
maar één recept voor een zinvolle manier van
leven, waarvan ze de ingrediënten al keurig hadden uitgestald
om te voorkomen dat ik, in hun eigen woorden, 'door scha
en schande' wijs zou moeten worden. De overdosis aan
dwangmatige goede bedoelingen had ik graag ingeruild voor
een beetje meer ontspannen begrip. Dat laatste zou ik uiteindelijk
nog het meest vinden bij een paar leraren.
Na het derde jaar kreeg ik een herexamen Grieks, wat betekende
dat ik in de zomervakantie moest gaan werken aan mijn meest
gehate vak, waarvan niemand mij kon uitleggen wat de zin ervan
was. Ik had toen beter naar een andere school kunnen gaan,
maar mijn ouders gingen er stilzwijgend van uit dat ik mijn
best zou doen om toch in het volgende jaar van het gymnasium
te komen. Dat deed ik onder druk van een misplaatst schuldgevoel
(mijn ouders vonden immers dat ik dankbaar moest zijn dat
ik naar deze school mocht gaan...), maar wel met de grootst
mogelijke tegenzin en vastbesloten om niet nòg eens
een zomer zo te laten verpesten. Dus voerde ik in de vierde
klas niets meer uit na de paasvakantie, zodat ik zeker zou
blijven zitten en tenminste weer een echte vakantie zonder
schooltaken zou hebben. Vervolgens zou ik nog enkele jaren
mijn tijd op deze school uitzitten zonder echt te geloven
dat ik er ooit nog met een diploma van af zou komen. Mijn
afkeer was groter geworden dan mijn ambitie.
Elke keer wanneer ik mijn rapport had laten zien, tierde mijn
moeder dat ik mijn toekomst verknalde en bedolf ze mij met
haar jeugdtrauma's en gemiste kansen. Overigens maakte ze
op geen enkele manier aannemelijk dat ze het verder geschopt
zou hebben als ze meer kansen had gekregen, maar het was taboe
om hardop tegen haar te zeggen dat ze verwachtingen koesterde
waar ze zelf nooit aan zou hebben kunnen voldoen. Ze had zich
nooit ontworsteld aan de simpele en stichtelijke moraal van
meisjesboeken en damesbladen uit de vroege jaren vijftig (bij
het zien van een klassenfoto kon ze het zelfs niet laten om
een paar ideale schoondochters voor mij aan te wijzen) en
stond stijf van de tegeltjesspreuken waarmee ze haar kinderen
tot succesnummers dacht te kunnen drillen. Ik moest 'woekeren
met mijn talenten' of anders maar een baantje gaan zoeken.
Hoewel mijn moeder van huis uit niet gebukt ging onder een
streng geloof, vertoonde ze verder alle trekken van een bloedserieuze
cultuurcalvinist; het leven was voor haar geen feest. Een
groot denker was ze niet, maar over allerlei nieuwe verschijnselen
die ze niet begreep, had ze wel een ongezouten mening: ongehuwd
samenwonen was 'hokken', vrouwen die demonstreerden
voor het recht op abortus waren 'hoertjes', mannen
met lange haren waren vies en onverzorgd, homo's waren sneu
en mannen zonder fatsoenlijke baan of carrière waren
'kneusjes'. Als er op de TV gezoend werd, reageerde
ze alsof er iets obsceens werd vertoond (tijdens de mooie
naaktscènes van Pleuni Touw in de serie 'De Stille
Kracht' was ze geschokt en siste ze vol afschuw dat dit 'een
slechte vrouw' was). Ook over vrouwencafés of
baaldagen kon ze tijdens het afwassen flink te keer gaan;
en alles wat hip, ludiek of onconventioneel was, vond ze maar
raar.
Het was vast niet de bedoeling van mijn moeder geweest om
mij te stimuleren over al deze thema's eigen opvattingen te
ontwikkelen die anders waren dan de hare, maar dit was wel
het effect van het ongevraagd ventileren van haar mening over
alles wat niet in haar vertrouwde wereldje paste. Wanneer
ik openlijk commentaar gaf dat haar niet beviel, kreeg ik
mijn kritiek als een boemerang retour. Ik moest niet denken
dat ik iets te vertellen had zolang ik niet met goede rapportcijfers
thuiskwam! Soms voegde ze er nog aan toe - als verzachtende
omstandigheid? - dat ik de slechte eigenschappen van mijn
beide opa's had meegekregen (in mijn herinnering twee sigarenrokende
mopperkonten: de een was een zelfstandige, zeer dominante
en stijfkoppige Wieringse visser, die als negentiger nog lange
monologen af kon steken over gruwelijke verkeersongelukken
op de Afsluitdijk en ander wereldleed; de ander was een Westfriese
arbeider met twaalf ambachten en dertien ongelukken, die een
eenzame verbale strijd voerde tegen het kapitalisme).
Mijn moeder
leek niet in staat om te beseffen dat haar gedrag genant was
en dat ik in veel opzichten best een makkelijke puber was.
Ik rookte niet, dronk niet, maakte de straat niet onveilig
en hield me niet bezig met sex, drugs en rock-'n-roll. Mijn
ouders hadden pech dat ik een eigen wil had en niet het modelkind
wilde zijn dat zij graag op de wereld hadden willen zetten;
ik had pech dat ik niet in een warm nest van creatieve levensgenieters
op kon groeien.
Mijn moeder bleef angstvallig hangen in haar eigen schijnzekerheden.
Tegelijkertijd was ze stronteigenwijs. Met de buitenwereld
had ze weinig contact. In plaats van zich in iemands achtergrond
te verdiepen, vulde ze zelf met behulp van haar eigen normen
in wat anderen in een bepaalde situatie zouden moeten doen
of denken. Vervolgens ging ze ervan uit dat haar zienswijze
overeenkwam met de realiteit. Communiceren met haar was dan
ook een niet geringe uitdaging. De simpelste manier om het
thuis nog een beetje gezellig te houden, was ja knikken, zoveel
mogelijk negeren wat er gezegd werd en verder je eigen gang
gaan. Het ja knikken hield ik nooit lang vol. Jarenlang zou
ik doormodderen tussen lusteloos conformisme, stille sabotage
en openlijk verzet.
Terwijl ze haar best deed om mijn broer en zussen - die drie
tot tien jaar jonger waren - zo lang mogelijk zoet te houden
met spelletjes en verhaaltjes (wel Pinkeltje maar zeker geen
Pippi Langkous: dat was een raar meisje dat geen goed voorbeeld
gaf!), wist mijn moeder zich geen raad met mijn oppositie.
Op de planeet waar zij vandaan kwam, liepen immers alleen
dankbare, ijverige en welopgevoede tieners rond, die geen
kritiek hadden op hun hardwerkende ouders.
Mijn vader was subtieler en kon soms reageren met een licht
onderkoelde humor, maar hij was ook een conformist die confrontaties
zoveel mogelijk uit de weg ging. Hij verborg zijn emoties
zoveel mogelijk achter een façade van vormelijkheid.
Voor zijn werk en studie kon hij zich urenlang afzonderen
achter zijn bureau. De huiselijke beslommeringen en de opvoeding
van zijn kinderen liet hij grotendeels over aan zijn vrouw.
Als ik ruzie had met mijn moeder, koos mijn vader automatisch
haar kant; anders zou ook hij op zijn donder krijgen. Eén
van de lijfspreuken van mijn moeder was dan ook: "Man
en vrouw zijn één in het huwelijk"
(en mocht dat principe onverhoopt worden geschonden, dan gold
nog altijd: "Scheiden is blijven zitten in de eerste
klas van het leven").
Na jaren avondstudie was mijn vader leraar geworden (godzijdank
niet op het Felisenum). Ook hij was gevormd in de jaren veertig
en vijftig en verkeerde in de waan dat zijn eigen kinderen
geen enkele reden hadden om lastige pubers te worden. Hij
had er moeite mee zijn leraarspet af te zetten als hij thuis
was en vond dat ik leefde als 'een luis op een zeer hoofd'.
In het eerste jaar kwam hij mijn huiswerk nog wel eens overhoren,
maar dat gaf hij al snel op met de verzuchting: "Als
jij ooit een diploma haalt, kunnen ze het beste mijn naam
erop zetten." Keer op keer vertelde hij dat hij
zelf in 1940 met negens en tienen van de mulo gekomen was.
Op ouderavonden wilde hij àl mijn leraren spreken.
Dan waren de rapen gaar. Alleen Roos Haverkamp, die Nederlands
gaf, was positief geweest. Ze had tegen mijn vader gezegd
dat ze me een leuke jongen vond en dat het met mij uiteindelijk
wel goed zou komen. Toffe vrouw, die Roos.
|
| |
eigentijds
Roos Haverkamp (die later als Roos Lubbers naam zou maken op
het Barlaeus gymnasium in Amsterdam) deed haar intree in mijn
derde jaar. Hoewel ze tot dezelfde generatie behoorde als haar
voorgangster Oskamp (die wellicht ook, zoals vele babyboomsters,
later weer onder haar eigen naam Beintema door het leven is
gegaan), was er een opvallend verschil in stijl tussen deze
dames. Een stevige tante uit een dorp in Noord-Holland, die
niet aarzelde om een leerling voor rund of koe uit te maken
en de orde handhaafde door keihard met het houten handvat van
een bordenwisser op tafel te slaan, werd opgevolgd door een
tengere, goed geklede en welriekende vrouw uit Amsterdam, die
ons op een elegante maar vastberaden wijze kennis liet maken
met haar eigentijdse opvattingen.
Ik heb veel aan haar lessen gehad. In plaats van te verzuchten
dat ik beter op zou moeten letten, stimuleerde ze me juist om
mijn eigen gang te gaan en zelf te ontdekken waar ik goed in
was. Rond mijn zestiende werd ze erg enthousiast over de opstellen
die ik inleverde, waardoor ik steeds meer plezier in schrijven
kreeg. Ook heeft ze mij, precies toen ik daar hard aan toe was,
geholpen met het ontwikkelen van andere normen en waarden dan
ik van huis uit had meegekregen. Zo haalde ze tijdens een discussie
over legalisering van abortus de simpele wijsheden van mijn
moeder onderuit door te verkondigen dat ieder meisje in mijn
klas zwanger kon worden. Tot dan toe was mij altijd voorgehouden
dat dit ondenkbaar was zonder huwelijk en had ik er verder maar
niet over doorgevraagd. (Even leek zelfs 'draadloze' bevruchting
tot de reële mogelijkheden te horen, tot bij mij het kwartje
viel na het lezen van stiekem op school verspreide pornoblaadjes;
hierin werd eindelijk het paringsproces zelf uitvoerig en prikkelend
beschreven, terwijl tijdens de biologielessen elke nieuwsgierigheid
hiernaar was gesmoord in eindeloze uitweidingen over eisprongen
en celdelingen).
Niet iedereen was gecharmeerd van de lessen van Roos Haverkamp.
Dat bleek toen een voor mij onbekend gebleven klasgenoot tijdens
de pauze 'haverconcentratiekamp' op het schoolbord
had geschreven. Waar andere leraren een klopjacht naar de dader
zouden zijn begonnen, besloot Roos de uitdaging in eerste instantie
te negeren en gewoon les te geven. Een paar dagen later begon
ze zonder enige uitleg, maar stijlvol en doeltreffend, voor
te lezen uit 'Ondergang' van Jacques Presser; eerst
kalm en routineus, maar na een tijdje verschenen er tranen in
haar ogen. Muisstil luisterden we toe. Zonder gebruik te maken
van dreigementen, verklikkers en sancties werd ons duidelijk
gemaakt dat er een grens was overschreden.
Helaas vond Roos na drie jaar een andere baan. Haar vakgenoten
en opvolgers - de goedmoedige provinciaal Don, de dandy-achtige
Lex ter Braak en het museumstuk Van Eck - konden haar niet echt
vervangen. |
| |
rode
deur
Vaak moest ik me melden achter de rode deur van de rectorskamer.
Soms wist ik niet eens waarom, maar wat maakte het ook uit:
leraren kon ik met mijn ongemakkelijke mix van schroom en boosheid
toch niet behagen en bij gebrek aan beter leek de geuzenrol
van zondebok zo gek nog niet. Af en toe een relletje was ook
broodnodig voor onze sociale vorming: nogal wat docenten lieten
zich dan rap ontmaskeren als naar spruitjes geurende keizers
zonder kleren.
Kofman was overigens een sympathieke en integere rector. Als
een eerbiedwaardige Albus Perkamentus paste hij de laatste jaren
voor zijn pensionering op de school, nadat zijn voorganger Nederlof
ziek geworden was. Hij had deze job niet geambieerd en leed
niet aan de kapsones waar eerzuchtige leidinggevenden vaak last
van hebben. Ook wist hij met onzekere en beweeglijke jongetjes
om te gaan. Ambtshalve sprak hij me ouderwets vermanend toe
en soms dreigde hij me van school te sturen, maar hij liet me
wel in mijn waarde. Achter de jampotglazen van zijn bril school
een vriendelijke blik; ik kreeg nooit het gevoel dat hij een
hekel aan me had. Zijn kalme terechtwijzingen werkten beter
dan de harde maatregelen van anderen, die bij mij slechts verontwaardiging
en verzet opriepen.
Voordat hij rector werd, was Kofman een inspirerende natuurkundeleraar.
Nadat hij had uitgelegd hoe een pomp werkt, ging ik er thuis
zelf een bouwen van stukjes buis, ijzerdraad en kurk. Ik was
toen amper veertien, maar mijn vader kon het weer niet laten
om mijn creativiteit met kurk te beschouwen als het embryonale
stadium van een wetenschappelijke carrière en overviel
me met een brochure over opleidingen aan de TU Delft.
Zelf dacht ik op dat moment meer aan een leven als vuurtorenwachter
op Terschelling, maar mijn vader zag liever dat ik zijn eigen,
ook al niet erg realistische dromen waarmaakte. Onbezorgd knutselen
en pretentieloos fantaseren werd niet langer gewaardeerd. En
bij de warhoofden Van Heijst en Jansen, die de lessen van Kofman
gingen overnemen, was mijn kalverliefde voor het vak natuurkunde
voorgoed passé. |
| |
shock
and awe
Als ik pech had, was Kofman er niet en zat conrector Groenhart
achter de rode deur. Altijd met een gladgeschoren tronie, strak
gekamd en gedast, popelend om zelf rector te worden, wat hem
uiteindelijk in Alkmaar gelukt is.
Hij was oud-leerling van deze school en voelde zich geroepen
om de gymnasiale mores uit zijn jeugd streng te bewaken, het
liefst met 'shock and awe'-methodes. Cartoons in mijn
schriften en erotische poëzie van klasgenoten in de schoolkrant
moesten sneuvelen in zijn kruistocht tegen alles wat riekte
naar subversie. Berucht waren zijn 'razzia's'. Groenhart observeerde
dan vanuit de gang een les van een collega, gooide plotseling
de deur open en riep driftig: "Jij, jij en jij daar,
meekomen!"
Bij sommige lessen gebeurde dit zo vaak, dat we een alarmsignaal
ontwikkelden. Zodra het hoofd van Groenhart voor een ruit verscheen,
werd er "Razzia, razzia" door de klas gefluisterd,
soms met de toevoeging "Grüne Polizei".
Effectief was dit alarm echter niet. Groenharts gezag berustte
op repressie, niets doen was voor hem geen optie: hij wist precies
wie hij wilde pakken.
Op een dag viel ik, pisnijdig na anderhalf uur nablijven, onaangekondigd
Groenharts kamer binnen om mijn strafwerk resoluut op zijn bureau
te dumpen en vervolgens naar huis te gaan. Op dat moment had
hij een ernstig gesprek met Max Verstappen (www.maxverstappen.nl),
misschien wel een laatste poging om Max ervan te overtuigen
dat kennis van morsdode talen veel belangrijker was dan poppentheater.
Max vertelde me later dat Groenhart ziedend was over mijn actie.
Tja, hij mocht zijn principes hebben, ik was de mijne aan het
ontwikkelen en vond hem maar een sneue dienstklopper.
In een zeldzame vlaag van verlichtheid leek Groenhart zich wel
eens te willen verdiepen in de zieleroerselen van zijn lastpakken.
Hij vroeg mij een keer of de NJN niks voor me was, waar Marjolein
Smit wervende stukjes over schreef. Misschien zou ik het bij
deze natuurjongeren wel naar mijn zin hebben gehad, maar ik
zat inmiddels te slecht in mijn vel om me bij wat voor groep
dan ook aan te sluiten, laat staan op advies van Groenhart. |
| |
|
Felisenum,
klas 2C met een nog niet zo oude heer Tromp (1972) |
| |
einzelgänger
Ik kreeg het gevoel dat niemand iets van mij begreep, werd steeds
meer een einzelgänger en dook onder in mijn fantasie. Op
school had ik wel contact met klasgenoten, daarbuiten was ik
na het eerste jaar steeds vaker alleen.
Afzondering leek uiteindelijk de beste manier om mezelf te kunnen
zijn; in ieder geval beter dan proberen me te conformeren aan
de vaak tegenstrijdige normen van ouders, leraren of leeftijdgenoten.
Zonder mensen om me heen voelde ik me soms wel wat eenzaam,
maar ook een stuk rustiger en was ik tenminste vrij om te doen
wat me boeide, zonder het ongemakkelijke gevoel te hebben dat
ik allerlei stunts uit moest halen of interesses moest veinzen
om ergens bij te horen.
Gelukkig hoefde je in die jaren nog niet mee te doen aan allerlei
door de commercie opgelegde leefstijlen. De gsm bestond nog
niet, van sms'en of chatten had nog niemand gehoord. Wat voor
een doorsnee tiener belangrijk schijnt te zijn, interesseerde
me ook niet. Ik meed grote fuiven waar je hoorde te doen alsof
je uit je dak ging en kon mezelf uitstekend vermaken met bezigheden
waarmee je geen vrienden maakt, maar waarvoor je ze ook niet
nodig hebt. Zo werd ik een 'Eenzaam Priemgetal' met Joe Speedboot-achtige
illusies.
Urenlang kon ik wegdromen op het strand; als het stormde met
springtij, ging ik kijken hoe de buitenste duinenrij door de
branding werd aangevreten. Ook fietste ik vaak meer dan honderd
kilometer op een dag om mijn overtollige energie kwijt te raken
en me even vrij te kunnen voelen. Op een landkaart markeerde
ik alle wegen waar ik gefietst had en beschouwde dat gebied
als mijn imperium. Verder hield ik bij wat voor weer het was
geweest en legde dat in grafieken vast. Op mijn kamer tekende
ik kaarten van gebieden die niet bestonden, die ik snel onder
een stapeltje schoolboeken schoof als ik mijn moeder met een
kop thee de trap op hoorde komen. Op mijn zestiende bracht ik
zelfs uren door in de bibliotheek van de Topografische Dienst.
Wanneer iets mij boeide, had ik geen moeite meer met urenlang
stilzitten.
Later ging ik met steeds meer plezier lezen: meestal opiniebladen
en reisverhalen, maar toen ik wat ouder werd was ik ook niet
vies van romans. En jawel, last but not least fantaseerde ik
over wilde avonturen met bloedmooie meiden, die ik in de verre
toekomst nog wel mee zou gaan maken als ik geen scholier meer
was en niet meer bij mijn ouders zou wonen. De werkelijkheid
was te grauw, ik overleefde in mijn verbeelding.
|
| |
|
klein
fragment van een zelf verzonnen landkaart; de hele kaart was
enkele meters lang (1976) |
| |
Bint
Iets van die verbeelding herkende ik in de geschiedenislessen
van Karst Bouman. Eindeloos kon hij uitweiden over de hofhouding
van Lodewijk XIV. Dat was heel wat anders dan zijn eigen gezin
met zeven kinderen in een niet zo ruim bemeten woning in Amsterdam...
Wellicht droomde hij van glamour en maîtresses; of op
z'n minst van een romance met een leerling, wat echter alleen
was weggelegd voor de latere rector Lex ter Braak.
Bouman vertelde over zijn diensttijd in Indonesië en zijn
fietstocht naar Parijs, die eindigde met een overdosis cider
achter in een vrachtwagen. Hij las voor uit Max Havelaar over
Saïdja en Adinda en zong de Marseillaise en de Internationale.
Ook speelde hij Bint in een verfilming van Bordewijks gelijknamige
roman, uitgezonden door de VPRO.
Jammer dat Bouman het nodig vond om in de vierde klas, net toen
ik het aardige van zijn lessen ging beseffen, maandenlang les
in saaie staatsinrichting te geven, waardoor hij niet meer aan
de geschiedenis van de twintigste eeuw is toegekomen. Wie voor
een bètapakket koos, moest geschiedenis in het vijfde
jaar laten vallen en had op deze school dus niets over de achtergronden
van de beide wereldoorlogen opgestoken! Alleen de alfa's konden
eindexamen in geschiedenis afleggen, met verplicht Latijn én
Grieks erbij: mij niet gezien. |
| |
cultfiguur
Grieks kregen we van Poortman, het vleesgeworden grammaticaboek.
Maar liefst zes uur per week mocht hij doorzagen over de aoristus.
Met zijn ernst en eruditie wist hij maar weinig pubers te boeien,
al zullen sommigen van hen veertig jaar na dato hùn kinderen
wel weer wijsmaken hoe fascinerend zij de taal van Homerus altijd
gevonden hebben. Bij mij was al in de derde klas elke mogelijke
interesse in dit toch al niet zo zinvol lijkende vak voorgoed
verdwenen tijdens de chaotische lessen van Brakke des Bouvrie:
daar werd al mijn aandacht in beslag genomen door experimenten
met kneedgum en de zinderende mondharpimprovisaties van Toon
Broekman, die ook zo prachtig diep vanuit zijn keel, zoals Tibetaanse
monniken dat doen, "Tired!" door de klas
kon roepen.
Al in de allereerste week dat we les in Grieks kregen, had ik
besloten om na het vierde jaar deze dode taal niet in mijn vakkenpakket
op te nemen. Ik vond het krankjorem dat iedereen op deze school
werd geacht om minstens twee jaar lang veel tijd en energie
te steken in het vertalen van hooguit enkele tientallen bladzijden
Oudgriekse literatuur: in de praktijk een vorm van zelfkastijding
die je moest ondergaan als een ontgroeningsritueel om later
bij een elite te mogen horen die zich door een klassieke opleiding
denkt te kunnen onderscheiden van het klootjesvolk.
Zolang ik niet van dit vak af kon komen, probeerde ik zoveel
mogelijk af te kijken bij Paul Keemink, een pientere en behulpzame
klasgenoot die naast me zat en wat ambitieuzer was ingesteld,
om voor mijn ouders toch nog enigszins acceptabele rapportcijfers
bij elkaar te harken.
Poortman vroeg zich hardop af of ik niet beter naar de bakkersschool
had kunnen gaan. Zes uur per week taarten bakken in plaats van
Homerus lezen zou voor mij zeker geen slechte ruil zijn geweest.
Overigens heerste onder Poortman een mild regime, waardoor ik
me tijdens zijn lesuren wel wist te vermaken. Als ik tijdens
de les niet druk bezig was om met behulp van een neusdruppelaar
en een stukje ventielslang lege inktpatronen te vullen met ecoline,
doodde ik de tijd door het miskende genie doctorandus E.L.J.
Poortman tot in de finesses te observeren en uit te tekenen.
Zijn voornaam kende ik niet, dus bedacht ik die zelf met behulp
van zijn voorletters: Eppo Lieven Joachim. Soms vertoonde Poortman
een lichte zelfspot en hij was hoe dan ook een meesterlijk vertolker
van de Ondraaglijke Saaiheid van het Bestaan. Ook Rob Naborn
zag wel een cultfiguur in hem en bracht een serie 'E.L.J.
Superstar' stickers in omloop. Jiskefet avant la lettre.
|
| |
ablativus
absolutus
Boomgaard zette zijn leerlingen graag in de zeik, maar als je
een grap met hèm uithaalde had hij een kort lontje. Ik
kreeg met hem te maken door in de pauze een brok ijs uit het
vijvertje in de schooltuin speels neer te leggen op de stoel
van Willem Prins, een nogal gestreste nieuwe leraar die wel
wat afkoeling kon gebruiken. Prins is niet gaan zitten. Een
uur later nam Boomgaard het lokaal over en vond een plasje ijswater
met wat kroos op zijn stoel. Ondertussen was ik met mijn klasgenoten
al naar een ander lokaal vertrokken, maar Boomgaards leerlingen
moeten op dat moment van een alleraardigst tafereeltje hebben
kunnen genieten.
Aanvankelijk leken mijn klasgenoten de grap met het ijs wel
te waarderen. Zodra echter bleek dat Boomgaard alles in het
werk zette om er achter te komen wie verantwoordelijk voor deze
actie was, bleek de steun van mijn klasgenoten boterzacht te
zijn. De hele klas moest nablijven totdat de dader bekend had.
Al snel bleek de een na de ander bereid te zijn om mij te verklikken.
'Kees geef je aan', zeiden sommigen hardop.
Nog dezelfde winter werd ik overgeheveld van klas 2c naar 2b,
waardoor ik voortaan Latijn van Boomgaard zou krijgen: vele
jaren lang vijf uur per week huiveringwekkende kanonnades over
de ablativus absolutus bij deze humeurige houwdegen en theatrale
salonrevolutionair. Shit happens…
Boomgaard was een vat vol tegenstrijdigheden en gedroeg zich
als een ex-gereformeerde die op zoek was naar een nieuw geloof.
Hij was gek op theater, flirtte met het antiautoritaire gedachtegoed
van de jaren zestig en zeventig en noemde zichzelf zonder verdere
toelichting een feminist. Tegelijkertijd voerde hij tijdens
de les een schrikbewind.
Op een dag liet hij de maatschappijkritische toneelgroep Proloog
langskomen; de acteurs kwamen geen voorstelling geven, maar
stelden in een kringgesprek het traditionele schoolsysteem met
cijfers en rapporten ter discussie. Wie echter de illusie had
dat Boomgaard zijn manier van lesgeven nu radicaal om zou gooien,
kwam bedrogen uit. Als een bezetene bleef hij zien en controleren
wat er tijdens zijn lessen gebeurde - of je wel de juiste aantekeningen
maakte, wat voor kleding je aanhad, dat je op je nagels beet
of snel even in je neus peuterde - en voorzag alles wat je deed
van een kleinerend commentaar.
Boomgaard wist hoe hij zijn 'karbonaadjes' moest braden.
Een meisje met pukkels werd door hem genadeloos voor 'krentenmik'
uitgemaakt. Nooit heeft hij les in Romeinse geschiedenis gegeven
of meer dan oppervlakkig iets verteld over de Romeinse cultuur
(daarvan heb ik later tijdens vakanties in Italië en Frankrijk
meer opgestoken dan gedurende acht jaar gymnasium, waar alle
aandacht eenzijdig gericht was op het leren vertalen van Latijnse
teksten), wel moesten we in het examenjaar opeens twee A4'tjes
met namen van Romeinse keizers, hun oorlogen en de daarbij horende
jaartallen in onze kop stampen. Alsof we niks beters te doen
hadden! Ik weigerde het pertinent; al zou ik het hebben geprobeerd,
ik was simpelweg te kwaad om ook maar één jaartal
te kunnen onthouden (dat mijn klasgenoten deze nutteloze treiterlijsten
wel zonder een spoor van verzet uit hun hoofd leerden, zegt
iets over de kadaverdiscipline die op deze school werd nagestreefd).
Beseffend dat het me nooit zou lukken om Boomgaard over te halen
van zijn voornemen af te zien, besloot ik tot een persoonlijke
boycot. Tijdens het schoolonderzoek liet ik alle vragen over
de lijst met jaartallen simpelweg onbeantwoord. Dat ik hierdoor
een vette onvoldoende kreeg, kon me weinig schelen; het gaf
mij wel een goed gevoel dat ik niet was gaan zwoegen voor deze
tiran. Boomgaard was des duivels en dreigde mij dezelfde lijst
bij een volgend schoolonderzoek nòg eens voor te schotelen,
maar ik wist net zo goed als hij dat dit wettelijk verboden
was. En hoe groter zijn irritatie, des te zoeter mijn wraak.
Gelukkig kon hij bij het landelijk eindexamen, waar alleen een
tamelijk simpele tekst van Caesar vertaald moest worden, geen
roet meer in het eten gooien. Wel kwam dit lekkere dier mij
na de diploma-uitreiking doodleuk vertellen dat hij me er toch
maar mooi doorheen gesleept had!
Jaren daarvoor had hij ons al willen dwingen om het schoollied
te leren. Ik had me verzet en was voorgoed in ongenade gevallen
bij Boomgaard. Het bombastische 'Gymnasii tandem' was
geschreven door oud-rector Brommer (die na onze verhuizing uit
IJmuiden een dementerende overbuurman bleek te zijn) en diende
bij bijzondere gelegenheden gezongen te worden. Ik heb het nooit
over mijn lippen gekregen. |
| |
|
Felisenum,
klas 4B met invalster Derks, die de zwangere Roos Haverkamp
verving (1974) |
| |
sjoemelen
Surrealistisch waren de lessen van Snippe. Nog hoor ik zijn
krijtjes vinnig op het schoolbord tikken terwijl hij razendsnel
eindeloze koolwaterstofstructuren uitschrijft en, happend naar
adem, namen van verbindingen uit zijn keel laat ontsnappen die
mijn ene oor in en het andere weer uitgaan. Leek de chemie uit
de boeken nog op een lastig, maar wel te bevatten systeem van
natuurwetten en hypotheses met oneindig veel uitzonderingen
op de regels, na Snippes onstuimige uitleg bleef niks anders
over dan de totale entropie van de oerknal.
Van het practicum heb ik vooral opgestoken hoe de Wet van Murphy
werkt. Rieuwert van Bodegraven onderging zijn vuurdoop al bij
de eerste scheikundeles, toen hij van Snippe een reageerbuisje
vast moest houden waaruit even later een fikse steekvlam omhoogschoot.
Snippes proefwerken waren alleen goed te maken als je van tevoren
de vragen kende. Deze werden meestal gestencild. Soms konden
we de moedervellen tijdig uit een prullenbak vissen. Cees Broek
had het lef om de vragen uit een la in het scheikundelokaal
te trekken, maar werd betrapt.
"Maffiapraktijken!" concludeerde Snippe.
Wie zijn lessen niet bij kon benen, moest maar naar een andere
school gaan. Snippe had mij al helemaal opgegeven: op een ouderavond
had hij gesuggereerd dat de mavo misschien een beter schooltype
voor mij zou zijn.
Cees zal het zwaar hebben moeten bezuren, maar bij leraren die
van hun toch al niet erg boeiende vak een ondoorgrondelijk mysterie
maakten, moest je nu eenmaal sjoemelen. Het was vaak de enige
manier om in een hoger jaar te komen en de explosieve relatie
met pa en ma niet nòg meer onder druk te zetten, tot
je de rottigste vakken kon laten vallen. Het doel heiligde de
middelen. |
| |
peukenhoopje
En dan had je aan het eind van de gang nog de heren
Tromp en Valter. Vermoeide mannen ver voorbij hun midlifecrisis,
overduidelijk gevangen in een uitzichtloze carrière
of een vastgelopen huwelijk.
Tromps lessen waren in dichte walmen gehuld. De man
was niet meer te redden van zijn rookverslaving. 's 
Winters sleepte hij zich zuchtend en kuchend naar de
wastafel om zijn peuken te blussen, 's zomers kwam hij
niet meer van zijn stoel; dan vlogen de sigarettenstompjes
door het open raam naar buiten en belandden boven op
het immer smeulende peukenhoopje op de stoep voor lokaal
2.
Tromps sarcasme was subliem en zijn commentaren waren
erg ad rem. "Ik word al moe als ik je zie",
bromde zijn nasale stem tegen mij. "Zie buurman",
schreef hij bij de sommen die ik ingeleverd had. "Als
je beter op zou letten, haalde je moeiteloos achten."
Een vernietigende blik over de op zijn neuspunt geparkeerde
brillenglazen wist elk protest in de kiem te smoren.
Ook in zijn strak omlijnde taalgebruik was Tromp niet
te verslaan. Uitspraken als "Een gat is niets
met iets er omheen" en "Bepalen is
ergens paaltjes omheen zetten", zullen me
altijd bijblijven.
Even leek er een heuse Trompdynastie te ontstaan, toen
ook Tromp junior wiskunde kwam geven. Pas na enkele
maanden bleek dat de jonge Tromp nooit was afgestudeerd
en zich als een Charles Schwietert in zijn baan had
gebluft. De nieuwe rector Van Benten zag zich genoodzaakt
hem op staande voet te ontslaan. Misschien is dit wel
zijn redding geweest en is hij toch nog aan het lot
van zijn vader ontsnapt. |
|
|
|
wiskundeleraar
Tromp, getekend door Bart Wolters; de Griekse letter
thèta is hier gebruikt om Tromps manier van spreken
na te bootsen |
|
| |
eindejaarsbonus
Valter smachtte naar de VUT en de dag dat hij naar zijn villa
in Zuid Frankrijk kon vertrekken. Heel wat tijd heeft hij gevuld
met foeteren op het kabinet Den Uyl en klagen over de belastingdruk.
Hij heeft me gematst in het laatste jaar dat ik Frans had. Laconiek
deelde hij mee dat iedereen voor de laatste toets van dat schooljaar
een acht gehaald had. Niemand kreeg zijn eigen werk meer te
zien. Had Valter geen zin meer gehad om alles na te kijken of
was het een wanhoopspoging om nog een paar zieltjes voor zijn
vak te winnen?
Hij kon het slecht verkroppen dat Duits veel vaker als examenvak
werd gekozen dan Frans, ondanks de geringe populariteit van
zijn collega Hof. Met name degenen die in de tweede of derde
klas een jaartje hadden kunnen donderjagen tijdens de Franse
lessen van Scholten, haakten af. Misschien was Valter oprecht
bezorgd over de teloorgang van zijn vak, maar met zijn jaarlijks
slechter wordende humeur werden zijn lessen echt niet aantrekkelijker;
helemaal niet toen hij een microfoon voor de klas ging gebruiken,
waardoor niet alleen zijn "Venez ici", maar
ook zijn solo fluitconcerten, driftige vingergeknip en mopperbuien
flink werden versterkt.
In ieder geval kon ik dankzij de eindejaarsbonus van Valter
op het nippertje van mijn tweede vierde jaar naar mijn eerste
vijfde jaar, maar ben ik misschien ook een paar relaxte jaren
op de Vissering (een kilometer verderop, waar je terecht kon
voor havo/atheneum in een ontspannen schoolcultuur) misgelopen…
|
| |
Übungsmeister
De lessen van Hof waren geen theatrale hoogstandjes, al had
hij - beteuterd sabbelend aan zijn pijp tijdens al die vruchteloze
invuloefeningen uit 'der Übungsmeister' - ontegenzeggelijk
een heel eigen sleurvariant op de kaart gezet. Wel interessant
vond ik de tijd die hij besteedde aan de opkomst van het Derde
Rijk (waar Bouman niet meer aan toegekomen was), de naoorlogse
Ostpolitik of het vertonen van bijzondere films, zoals 'Landschap
na de Slag'. En uiteindelijk heb ik bij hem redelijk goed Duits
geleerd, waar ik later in persoonlijke contacten met Duitse
vrienden veel aan heb gehad. Toch was Hof bij velen verschrikkelijk
impopulair. In de ogen van een aantal dominante klasgenoten,
die er nogal van overtuigd waren de waarheid in pacht te hebben,
kon hij niks goed doen. Hij had dan wel weinig flair en was
sociaal niet zo handig, maar Hof was heilig vergeleken bij een
aantal docenten, die hun geniepigheid wisten te omhullen met
een laagje charisma en de populaire types in de klas voor hun
karretje wisten te spannen.
Onstuimiger waren de lessen van Guido Robbens, die in de tweede
klas Duits had gegeven. Met zijn Vlaamse accent en steile driftcurve
liet hij makkelijk de draak met zich steken, maar hij koesterde
geen wrok tegen zijn plaaggeesten. Ontwapenend kon hij vertellen
over zijn eigen schooltijd in Gent, waar orde, tucht en respect
voor docenten nog met lijfstraffen werden afgedwongen.
|
Erg
geslaagd vond ik de schrijfsessies die Robbens aan het
eind van elk trimester organiseerde. Hij gaf ons dan een
lijst met woorden die we binnen een half uur in een zelfgemaakte
tekst moesten zien te verwerken. De snelle gedichten van
Paul Lameijer en mijn eigen absurditeiten werden steevast
voorgelezen.
Uiteindelijk kozen velen Duits als examenvak, zodat we
in de laatste jaren bij Hof met z'n dertigen in een lokaal
zaten. Zelf had ik dit vak gekozen omdat ik besefte dat
ik bij Valter en Snippe nooit een voldoende eindcijfer
zou halen en toch zeven vakken bij elkaar moest sprokkelen.
Aan het eind van de vijfde was ik dan ook niet ontevreden
met de zes die Hof mij gegeven had. Tot zijn verbazing
zou ik een jaar later op het schriftelijk eindexamen als
eerste klaar zijn met de Duitse tekstverklaring en maar
twee vragen anders hebben beantwoord dan Hof zelf: uiteindelijk
bleken we van de vijftig vragen er allebei één
fout te hebben.
bessenjenever
Hoogtepunten waren de schoolreizen naar Texel, Londen
en Parijs. Het waren de enige weken zonder voortdurende
spanningen of dreigende conflicten, waarin ik ontdekte
dat op stap gaan met de school erg leuk kon zijn.
Op Texel dronk ik mijn allereerste biertje, terwijl Mulder
en Groenhart jacht maakten op flessen bessenjenever, die
her en der verstopt zouden zijn. 's Avonds verborg
ik me schuchter onder de dekens toen Els Kluft, Ineke
Vendel en Gerdy ten Bruggencate nog even langskwamen om
alle jongens een nachtzoen te geven (sorry Els, Ineke
en Gerdy…), maar daarna luisterde ik met rode oortjes
naar Cees Broek, die enthousiast bloedgeile verhalen voorlas
(klasse, Cees!). Daar hadden mijn preutse seksuele voorlichters
nog veel van op kunnen steken. |
|
|
sweet
seventeen, op schoolreis in Londen (1975, mooi vastgelegd
door Martine van den Dool)
|
| |
|
|
verbeelding
en werkelijkheid
In een primitieve doka onder de trap drukte ik na schooltijd
foto's af, op weg geholpen door Paul Hölscher en Tex Zwemmer.
Ik kwam er nooit iemand anders tegen: dit soort creativiteit
werd op deze school niet erg serieus genomen. Pas jaren later
zou ik deze draad weer oppakken en van fotografie mijn vak maken.
In de schoolkrant met de keurige klassiek klinkende naam Olympus
was de tijdgeest in de kolommen geslopen; de verbeelding lonkte
er met maoïstische en anarchistische leuzen naar de macht.
In werkelijkheid had je als leerling slechts recht op wat de
docenten je gunden.
Mensen als Ernst Pans en Marcel Worms (die maar zeven jaar ouder
was dan ik, zie www.marcelworms.com)
waren sympathiek en wisten hun wiskunde- en biologielessen aardig
op te fleuren. Bij Pans kreeg ik eindelijk schik in wiskunde
(en luisterde ik geboeid toe wanneer hij vertelde over de reizen
die hij met zijn gele volkswagenbusje naar Polen en Noorwegen
had gemaakt), terwijl ik bij Tromp slechts belangstelling op
had kunnen brengen voor de eigenaardigheden van de persoon Tromp.
Bij Worms leerde ik zelfs de citroenzuurcyclus zonder morren
van buiten, al zou de hiervoor benodigde ruimte op mijn mentale
harde schijf snel weer door stokpaardjes van andere leraren
in beslag worden genomen (ik herinner me nu alleen nog de ezelsbrug
CHONSP).
Ook de uurtjes Engels bij Van der Klugt waren goed te pruimen,
al begon ik deze taal pas een beetje onder de knie te krijgen
nadat het taboe op vertalen in het Nederlands was opgeheven
en ik een paar weken in mijn eentje door Engeland had gefietst.
In het laatste jaar begon ik zelfs luistertoetsen te verstaan.
Anderen dwongen ons maar al te vaak tot liefdeloos instampen
van deprimerende en zinloze leerstof, met als voornaamste doel
je te laten beseffen wie de baas was. Leuke leraren vertrokken
vaak al na een paar jaar, de oude knarren bleven en trokken
stevig aan de touwtjes.
Kritiek was taboe, de school werd immers met fusering bedreigd.
Oude talen alleen nog als keuzevakken voor een handvol liefhebbers?
Classici gruwden van het idee en vreesden voor hun banen en
status. Het superieure imago van het gymnasium moest gekoesterd
worden. Aan mij leek het niet besteed, de veelgeroemde vormende
waarde van het gymnasiale onderwijs ten spijt.
Tegelijkertijd had het Felisenum, met niet veel meer dan driehonderd
leerlingen, ook types als ik blijkbaar hard nodig om groot genoeg
te blijven als zelfstandige school. Iedereen zal de dorpse sfeer
een groot pluspunt van deze school hebben gevonden, maar voor
mij zat er ook een nadeel aan: als er eenmaal over je geroddeld
was in de lerarenkamer, hadden veel docenten een onwrikbare
mening over je, ook degenen van wie je nooit les had gehad.
Maar of een school nu klein of groot is, de kwaliteit van de
lessen staat of valt met de inzet en de sociale vaardigheden
van de leraren; en die waren hier niet noemenswaardig beter
dan ergens anders. |
| |
bevrijding
Allerlei incidenten en trivialiteiten uit die tijd blijken nu
beter te beklijven dan alles wat ik met tegenzin heb moeten
leren. Van Grieks ken ik alleen nog de letters van het alfabet
(en een paar prachtige namen en woorden zoals Διοτρεφης
en ευπλοκαμος,
in mijn herinnering nog altijd uitgesproken met het hoge stemmetje
van Brakke des Bouvrie), van Latijn zal ik hooguit nog een stuk
of honderd losse woorden kunnen reproduceren. Als ik de vele
uren die ik hieraan heb moeten besteden had kunnen gebruiken
om mijn Frans op hetzelfde niveau te tillen als Duits en Engels
of een wereldtaal als Spaans onder de knie te krijgen, had ik
daar tenminste wat aan gehad; nu heb ik er vooral een intense
afkeer van het dwangmatig instampen van onbruikbare kennis aan
overgehouden.
Uiteindelijk beviel het laatste jaar me nog het best. Ik wist
nu ver van tevoren wanneer ik moest scoren, zonder vrees voor
verrassingsoverhoringen en treiterbeurten. Bij de talen bleken
lage rapportcijfers uit het verleden geen enkele belemmering
te zijn voor een goed eindexamenresultaat. Ik zal ook wel iets
harder hebben gewerkt, want ik wilde dolgraag van deze school
af. Ik werd immers al twintig en de eindstreep was eindelijk
in zicht. Ik boycotte de lessen van Mulder, gooide die van Snippe
nog net op tijd uit mijn examenpakket, overleefde de schoolonderzoeken
van Boomgaard, en ervoer de laatste examendag als de ultieme
bevrijding.
|
| |
|
| |
 |
Felisenum,
examenklas met rector Van Benten (1977) |
| |
| Universiteit
van Amsterdam, Sociale Geografie en Planologie (1978-1988) |
| |
wittebroodsweken
Studeren in Amsterdam was allereerst een verademing na de middelbare
school: geen conflicten meer met docenten en op veilige afstand
van de regeltucht van mijn ouders (zolang zij maar dachten dat
ik uiteindelijk wel leraar of - nog beter - professor zou worden,
lieten ze me redelijk met rust, al vond mijn vader dat ik wel
wat harder kon studeren en vroeg mijn moeder zich af waarom
ik niet een van de ideale schoondochters uitkoos, die ze overal
zag rondlopen: pas toen ik tegen de vijftig liep en al tien
jaar een relatie had, leek het bij haar te gaan dagen dat ik
niet van plan was om haar kleinkinderwens te vervullen...).
Van tevoren had ik geen flauw benul gehad van wat me als student
te wachten stond; ik had geen oudere broer, zus, vriend of kennis
die na de middelbare school fulltime gestudeerd had. Naïef
en hoopvol sprong ik in het diepe. Wel wist ik dat ik niet bij
de corpsballen wilde horen. Ik had genoeg van de kleinburgerlijke
sfeer in het dorp waar ik vandaan kwam en voelde me aangetrokken
tot het vrijgevochten imago van de Amsterdamse universiteit.
Niet gaan studeren was geen optie. Vakantiebanen als schoonmaker
bij de hoogovens (het enige baantje dat ik in 1976 kon vinden:
vier weken lang roet en gruis scheppen bij helse temperaturen)
en inpakker bij een papierfabriek hadden me daar wel van overtuigd.
Het kiezen van een studierichting had simpel geleken: nadat
ik alle opleidingen die me niet interessant of te schools leken
(na 8 jaar gymnasiumsleur was ik erg kritisch geworden) had
geschrapt en vervolgens was uitgeloot voor fysische geografie,
was alleen sociale geografie overgebleven. Gelukkig was dit
een studie met veel vrijheid en weinig prestatiedruk, zonder
de rapporten en verplichte inhaaltaken die mijn schooljaren
vergald hadden. Na het eerste jaar kon ik zelf beslissen wanneer
ik een studieonderdeel af wilde ronden. Ook inhoudelijk leek
sociale geografie me wel wat; ik ging immers graag op reis en
was nieuwsgierig hoe de wereld eruitzag.
De eerste jaren haalde ik braaf mijn tentamens. In het derde
jaar ging ik me afvragen wat ik met deze opleiding nu eigenlijk
wilde. Het onderzoek in? Ambtenaar worden? Les geven? Ik zag
me al elke dag van negen tot vijf wegkwijnen achter een bureau.
Of tientallen jaren lang steeds weer hetzelfde verhaal afdraaien
voor pubers die daar helemaal niet op zitten te wachten. En
uiteindelijk helemaal voldoen aan het huisje-boompje-beestje-ideaal
van mijn ouders. Maar waar maakte ik me druk om, dit soort banen
werd toch wegbezuinigd?
De wittebroodsweken van mijn studietijd waren snel voorbij,
maar deze rekbare en verder nogal vage studie aan de UvA bood
me in ieder geval nog enkele jaren de tijd om er achter te komen
wat ik met mijn leven wilde. Enige intellectuele uitdaging was
welkom, maar na de stressvolle sleur in mijn tienerjaren snakte
ik vooral naar een beetje rust en veel vrijheid. |
| |
droogkloten
Het Sociaal Geografisch Instituut bevond zich in het Maupoleum,
gebouwd met het snelle geld van Maup Caransa en misschien
wel het lelijkste gebouw van Amsterdam (klik
hier): lange gangen, sfeerloze collegezalen en
deprimerende kamertjes waarin het daglicht soms amper door
kon dringen.
De meeste docenten waren licht autistische droogkloten die
het vooral druk leken te hebben met het veiligstellen van
hun eigen carrière. Ik kreeg niet de indruk dat ze
met plezier hun werk deden.
Slaapverwekkend was het college 'methoden en technieken' van
Paolo de Mas. Na een paar maanden kwamen de meeste studenten
er niet meer opdagen.
De grootste zuurpruim was Turksma, van wie we sociologie kregen.
Hij was al dik in de vijftig en werd overduidelijk verteerd
door heimwee naar de tijd dat een wetenschapper nog heer en
meester was over zijn studenten.
Nog zo'n fossiel was professor Chris van Paassen. Niemand
begreep wat deze oude heer ons met zijn cryptische syllabusteksten
over het 'oecologisch complex' aan het verstand wilde
brengen.
Wel goed te volgen was Sjoerd de Vos, een jonge docent die
enkele jaren eerder Maurice de Hond was opgevolgd. Hij had
een imposante filosofenbaard (van het type dat je tegenwoordig
alleen nog
bij orthodoxe joden en moslims ziet) en gaf bijzonder heldere
colleges over statistiek.
Aandoenlijk was het chauvinisme van Mokumkenner Rob van Engelsdorp
Gastelaars. In plat Amsterdams vertelde hij enthousiast over
de geschiedenis van zijn stad. Op excursie in New York zou
hij eens vol trots zijn Amerikaanse collega's hebben verteld
dat Amsterdam óók een Word Trade Center heeft.
Petr Dostal trakteerde ons op eindeloze monologen in een ondoorgrondelijk
Nedertsjechisch. Cartografie was het vak dat hij geacht werd
te geven, maar wie dacht dat je bij hem te weten kwam hoe
je in de praktijk een fatsoenlijke kaart op papier kunt zetten,
kwam bedrogen uit. Jammer, want ik had altijd al een zwak
gehad voor landkaarten en atlassen, waar ik graag wat meer
over had willen weten. Veel te laat kwam ik er achter dat
ik, als ik een verdienstelijk cartograaf had willen worden,
in Utrecht had moeten gaan studeren.
Mijn favoriet was historisch geograaf Guus Borger. Voor het
ontcijferen van handgeschreven teksten uit de zestiende eeuw
had ik wel wat weinig zitvlees, maar zijn verhalen fascineerden
me. Guus kon vertellen als Geert Mak: dan zag ik voor me hoe
kerkelijke potentaten elkaar verketterden vanwege het hanteren
van de Juliaanse of Gregoriaanse kalender, of hoorde ik het
aanzwellende gestamp en geloei van de eindeloze kuddes vee
die ooit vanuit Jutland naar het zuiden gedreven werden.
|
| |
wereldbeeld
Studeren
moest vooral thuis gebeuren, op een studentenflat in het
sfeerloze Diemen. Het doorworstelen van duizenden bladzijden
niet al te leesbaar proza dat voor vakliteratuur door
moest gaan, ervoer ik als een eenzame, nogal treurigstemmende
bezigheid. Hoofdstuk na hoofdstuk propte ik in mijn hoofd,
maar na een gehaald tentamen was ik alles snel weer vergeten.
Ik had niet het gevoel dat ik een vak aan het leren was.
Gelukkig waren er na het eerste jaar geen deadlines voor
tentamens meer en moest de tempobeurs nog uitgevonden
worden. Ik had dus tijd genoeg om op zoek te gaan naar
mensen met interessant lijkende activiteiten, bij voorkeur
behept met een mild anarchistisch wereldbeeld.
Echte studentenclubs trokken me niet: die zaten òf
vol met oppervlakkige feestbeesten en brallerige barkrukklevers
òf met diepgelovige marxisten en depressieve punkers
uit de kraakbeweging. Op feesten waar je met niemand een
fatsoenlijk gesprek kon voeren, voelde ik me doodongelukkig,
disco's meed ik zelfs als de pest, maar een kluizenaar
wilde ik niet worden. Ik ging op zoek naar geestverwanten
en snuffelde enkele jaren rond bij clubs die me wel aanspraken,
zoals Milieudefensie en Amnesty International.
Bij deze organisaties werd me langzaam maar zeker duidelijk
dat ik nooit een goede regelneef of vergadertijger zou
worden. Wel had ik er sociale contacten. Het vergrootte
ook mijn mentale horizon en bracht me tot inzichten waar
ik in grote lijnen nog altijd achter sta. Ik heb bijvoorbeeld
nooit geprobeerd om een rijbewijs te halen omdat ik al
op mijn twintigste besefte dat er veel te veel auto's
rondreden. |
|
 |
de
wilde jaren (1982)
|
|
Na
een paar jaar wist ik dat ik niet moest proberen om een bevlogen
activist te worden omdat anderen daar veel beter in waren. Ik
bleef liever een creatieve denker en dromer. Buttons met strijdvaardige
leuzen verdwenen een voor een weer van mijn jas. Ik bleef trouw
aan mijn ideeën, maar wilde niet clownesk overkomen.
Later deed ik veel vrijwilligerswerk bij SIW, een organisatie
die jongeren uitzendt en ontvangt door middel van werkvakanties
in alle uithoeken van de wereld. Vrijwilligerswerk in Ierland,
Polen of Lesotho was voor mij een welkome onderbreking van wekenlange,
soms toch wel eenzame fietstochten, en een manier om interessante
mensen te ontmoeten. In internationale groepen kreeg ik ook
het gevoel dat ik serieus genomen en gewaardeerd werd; anders
dan in Nederland, waar in gezelschappen de sfeer vaak wordt
bepaald door dominante en populaire types, met als resultaat
een conformistische groepscultuur met veel borrelpraat. |
| |
smoorverliefd
Tussen de tentamens door ging ik regelmatig op pad. Soms te
voet maar meestal op de fiets met tent en slaapzak achterop.
Meestal in mijn eentje, soms met gelijkgestemde zielen. Zo reed
ik mee in de Great British Bike Ride, een demonstratieve fietstocht
van en voor de Britse Friends of the Earth door Schotland, Engeland
en Wales. Een jaar later was er een soortgelijke tocht van Zeebrugge
naar Boekarest met Britse en Noorse vredesactivisten.
Onderweg werd ik smoorverliefd ik op Ann, een energieke en avontuurlijke
vrouw uit het Engelse Leeds. Ook op de terugweg heb ik nog honderden
kilometers met haar door Roemenië en Joegoslavië gefietst.
De liefde was broos maar leek vooralsnog wederzijds. Ann was
een kanjer, maar na enkele maanden verdween ze helaas van mijn
radarscherm. Het zou niet meevallen om weer een vriendin te
vinden die uit hetzelfde hout gesneden was. Ze was slim, avontuurlijk
en zeker geen huisje-boompje-beestje-type. En op een prettige
manier anders dan de meeste vrouwen die ik in Nederland zag
lopen.
Twintig jaar later vond ik Ann terug op het internet. Hoewel
ze mannen soms best nog wel spannend vind, bleek ze beter uit
de voeten te kunnen met de vrouwenliefde en al jarenlang samen
te leven met haar vriendin.
|
| |
|
op
reis met Ann en David (1982) |
| |
brilsmurfen
Terwijl ik in gedachten nog tussen Leeds en Boekarest zweefde,
werkte ik met steeds minder enthousiasme aan de laatste fase
van mijn opleiding, inmiddels in de studierichting planologie,
in de hoop dat ik daar meer mee zou kunnen dan met sociale
geografie. Dat bleek een vergissing te zijn.
Ik kwam er snel achter dat plannen die op papier best aardig
lijken, in werkelijkheid vaak gedrochten zijn. Het deed er
niet toe of ik iets mooi of lelijk vond, want dat was emotioneel
en had dus geen academische relevantie. Wat wel telde, was
of iets aan de regels voldeed en volgens vastgestelde procedures
verliep. Regels en procedures die op zichzelf al dubieus zijn
en worden beklonken in een schimmig samenspel van goedgebekte
vergadertijgers, politieke sjoemelaars en patjepeeërs
uit de vastgoedwereld, waardoor er zelden nog iets moois uit
de polderprut omhoog komt.
Geleidelijk ging ik beseffen dat mijn studiekeuze helemaal
niet aansloot bij mijn interesses. Ik had een visuele belangstelling
voor steden en landschappen, het liefst was ik de hele tijd
bezig met het maken van foto's en het bestuderen of tekenen
van landkaarten. Ook de historie van een gebied fascineerde
me. Maar ambtelijk geneuzel kon me echt niet boeien.
Op papier of met zand creëerde ik vroeger mijn eigen
fantasiesteden, maar als planoloog zou ik een minuscuul onderdeeltje
zijn van een grote organisatie die wanstaltige betonwoestijnen
uit de grond zou stampen. Was ik daartoe niet bereid, dan
zouden er voor mij honderd anderen inzetbaar zijn. Planologie
leek uiteindelijk geen vak te zijn voor creatieve geesten
maar voor strak afgerichte brilsmurfen. Wilde je als planoloog
nog ergens aan de bak komen, dan moest je bovendien vlot kunnen
babbelen en anderen voor je karretje weten te spannen. (Uitgerekend
Geert Wilders zou zulke types een kwart eeuw later treffend
omschrijven als ‘gladpratende bestuurskundedoctorandussen
met designerbrillen’.) Veel van mijn schijnbaar rebelse
studiegenoten, die ik ervan verdenk dat ze eigenlijk niets
liever wilden dan een keurige baan met een leasebak voor de
deur, konden hun frustraties over het gebrek aan carrièreperspectieven
nauwelijks verbloemen. Iets teveel van hen waren suffe mutsen
die deden alsof ze erg blij met zichzelf waren. Ze waren vooral
goed in het napraten van elkaar.
Sommige docenten moesten het ontgelden, zoals Anneke Hakkenberg,
die volgens het roddelcircuit nauwelijks wat gepubliceerd
had. Niet dat haar critici zelf ooit iets opzienbarends op
papier gezet hadden, maar het was nu eenmaal erg makkelijk
om een docent af te kraken die geen assertieve indruk maakte.
Groot was het ongenoegen in het papegaaienkoor toen de kamergeleerde
van het instituut, Andreas Faludi, voorstelde om twee weken
op excursie naar Wenen te gaan, waar hijzelf vandaan kwam.
Wenen was maar suf en burgerlijk: Boedapest was veel hipper,
daar wilden ze heen! Faludi deed alsof hij niets gehoord had
en enkele maanden later gingen we keurig met z'n allen naar
Wenen. De excursies naar allerlei delen van de stad waren
interessant, maar tijdens de bijeenkomsten waar we werden
bijgepraat over 'Stadtverwaltung' en 'Flächennützungspläne'
slaagde ik er niet in om mijn ogen tot het einde toe open
te houden. Het lag niet aan mijn Duits of aan te weinig slaap;
mondelinge presentaties of vergaderingen over dingen die me
niet echt kunnen boeien, heb ik altijd een crime gevonden.
Door het minste of geringste wordt ik dan afgeleid; of ik
droom gewoon weg, zelfs als ik echt mijn best doe om alert
te blijven.
|
| |
'In
gelul kun je niet wonen'
Het werkcollege van Gert Middelkoop over stadsvernieuwing werd
het drukst bezocht. Niet dat je bij hem nu zoveel opstak: het
was vooral zijn arrogante en provocerende houding die respect
afdwong. Om studiepunten bij hem te krijgen, moest je een speech
schrijven die door Gerrit Brokx, de staatssecretaris van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening, gehouden had kunnen zijn. Afgezien
van het feit dat ik me niet kon voorstellen dat ik ooit teksten
zou kunnen produceren voor partijbonzen waar ik zelf niet achter
zou staan, bleef het tijdens deze colleges een groot vraagteken
waar je de informatie vandaan moest halen die je nodig had om
zo'n speech enigszins geloofwaardig op papier te zetten. Het
was typerend voor de hele opleiding planologie: veel pretenties
maar weinig inhoud. Niet voor niets had Jan Schaefer, een voorganger
van Brokx, als motto: "In gelul kun je niet wonen".
Met beleidstaal, oftewel gelul op papier, moest je echter affiniteit
hebben om met deze studie iets te kunnen bereiken.
"Anders ben je het niet waard om een ton per jaar te
verdienen", was de leus waarmee Middelkoop elke tegenwerping
pareerde. Ik zat echter helemaal niet te wachten op een vet
betaalde baan waar ik eerst heel veel moeite voor zou moeten
doen, die ik vervolgens met alle macht zou moeten zien te behouden
en waar ik uiteindelijk helemaal niet gelukkig van zou worden.
De retoriek van Middelkoop kon mij niet motiveren, integendeel.
Het wekte juist weerzin in me op en sterkte mijn gevoel dat
types als hij zelf niet waard zijn wat ze verdienen.
Het soort carrière dat we leken te moeten ambiëren,
paste niet bij mij en was ook niet weggelegd voor het overgrote
deel van de studenten die dit werkcollege volgden. Ik had geen
hoop meer dat ik hier nog iets op zou gaan steken waar ik later
wat aan zou hebben. Om toch nog iets van deze opleiding te maken,
liet ik het gebral van Middelkoop voor wat het was en ging ik
verder met een werkcollege van Mari Wingens over de ruimtelijke
ordening van het platteland. Mari had een baard, liep op schippersklompen
en fietste dagelijks van Muiden naar Amsterdam, zodat de trendy
stadsvernieuwers hem als een veredelde tuinkabouter beschouwden.
Het was in ieder geval niet zijn stijl om tegenover studenten
van de verloren generatie te bluffen over de salarissen die
zijn eigen leeftijdgenoten met een beetje babbelen, protesteren
en netwerken binnengesleept hadden.
Studiepunten kon je bij hem halen door simpelweg een paper te
schrijven of een excursie te organiseren. Ik deed het laatste.
Voor de rest bleef planologie een oersaaie opleiding. Ik had
spijt van mijn studiekeuze, maar zag nog geen haalbaar alternatief.
Bij veel van mijn studiegenoten die niet voor planologie hadden
gekozen, maar na hun kandidaats door waren gegaan met sociale
geografie, heerste een zekere minachting voor planologie, dat
ze niet boven een HBO-opleiding uit vonden steken. Bovenaan
de pikorde van geografen stonden overigens degenen die fysische
geografie studeerden: zij zagen sociale geografie als een boterzacht
leutervak dat je als 'wetenschap' niet serieus kon nemen. Later
verdampten deze rivaliteiten weer: de dag na het afstuderen
konden we ons immers allemaal melden bij de sociale dienst en
op het arbeidsbureau belandden de dossiers van planologen en
de beide soorten geografen uiteindelijk in dezelfde la met het
stempel 'onbemiddelbaar' erop.
Bij mijn bijvak milieukunde was het tenminste nog gezellig.
Een half jaar lang geen tentamens, maar meedraaien in een projectgroep
met studenten van verschillende studierichtingen. In mijn groepje
konden we het goed met elkaar vinden. Ik had het er naar mijn
zin zonder het gevoel te hebben dat ik aan allerlei ongeschreven
regels en normen moest voldoen. Vaak doken we de kroeg in, soms
gingen we in het weekend met het hele groepje ergens wandelen. |
| |
flirt
Een van hen was Monique, een mooie biologiestudente uit Wageningen
met een charmant Brabants accent, vrouwelijk zonder opsmuk
en in bezit van racefiets en bergschoenen. Een zeldzame en
voor mij fatale combinatie. Maandenlang zat ik drie dagen
per week tegenover haar in mijn werkgroepje en genoot ik stilletjes
van haar aanwezigheid. Toen het project was afgerond en ik
haar niet meer zag, besefte ik pas goed hoe gek ik op haar
was geworden. Andere meiden die om aandacht leken te vragen,
zag ik amper nog staan of waren iets te duidelijk bestemd
voor een manier van leven waar ik zelf juist aan wilde ontkomen.
Ik deed mijn best om Monique af en toe nog te kunnen zien.
In de zomer zocht ik haar weer eens op. Ik werd hartelijk
ontvangen en 's avonds laat wandelden we met z'n tweeën
bij volle maan door de uiterwaarden van de Rijn. We praatten
nog wat na op haar kamer. Toen ik al in mijn slaapzak was
gekropen, zat Monique op haar bed nog uitgebreid haar voeten
te verzorgen en met mij over koetjes en kalfjes te kletsen,
waarbij ze me opvallend lang de gelegenheid bood om haar mooie
naakte borsten te bewonderen voordat ze met een glimlach onder
de lakens kroop. Een betere manier om mijn smeulende passie
op te doen laaien had ze niet kunnen bedenken; met Ann was
het twee jaar eerder met een soortgelijke flirt begonnen.
Helaas kon ik over verdere intimiteiten voorlopig alleen maar
dromen.
De volgende dag fietste ik namelijk verder richting Tsjechoslowakije
en Polen (een heel bijzondere tocht waarvan ik onlangs weer
een uitgebreid reisverslag vond, zie www.keesswart.nl/fietsreportages/1984.htm),
terwijl Monique nog enkele weken in Schotland ging wandelen
met een studiegenoot waarmee ze een onduidelijke relatie had
(of beter: iemand van wie Monique niet met zoveel woorden
wilde zeggen en ik niet wilde horen dat hij op dat moment
haar vriendje was). Toch was ze nu niet meer uit mijn hoofd
te branden, integendeel: haar onbereikbaarheid was geen enkel
beletsel voor een prominente rol in mijn wildste fantasieën,
zeker nu ze mij leuk genoeg leek te vinden om mijn verliefdheid
aan te wakkeren. Zolang ik haar niet zag, kon ze in mijn gedachten
de persoon blijven die ik graag in haar wilde zien: een warme,
bereisde en enigszins mysterieuze vrouw die hopelijk wat anders
van het leven verwachtte dan een doorzonwoning met krijsende
kinderen.
Na de zomer zag ik haar nog een keer op een wandelweekend,
samen met de anderen van de milieukundegroep. Vele vragen
en een knagende onzekerheid over wat ik nu van Monique kon
verwachten, hadden zich enkele maanden lang tussen mijn oren
opgehoopt, met een verlammend effect op mijn spontaniteit
en daadkracht: in plaats van te informeren hoe haar reis naar
Schotland was geweest en te peilen of ze nog iets met mij
wilde afspreken, hield ik me op de vlakte. Ook op hints van
haar kant reageerde ik niet zoals ik zou willen. Toen Monique
weer was vertrokken, vervloekte ik mijn eigen onhandigheid.
Als laatste redmiddel om het contact met haar in stand te
houden, schreef ik me in voor een project aan wat toen nog
de Landbouwhogeschool heette, waarin ik voor mijn eigen studie
enkele maanden mee kon draaien. Ik maakte mezelf wijs dat
ik wel eens wat anders wilde dan een stage of project dichtbij
huis, maar in werkelijkheid was ik bang dat ik anders, net
als destijds bij Ann, nooit meer wat van Monique zou vernemen.
Tot mijn
vreugde bood Monique mij spontaan aan om op de dagen dat ik
in Wageningen moest zijn, bij haar te komen logeren. Daar
bleek ze echter veel gecompliceerder te zijn dan ik in Amsterdam
had willen beseffen. Ze kon erg nukkig zijn en zat niet lekker
in haar vel, wat ze maskeerde met een schijn van zelfgenoegzaamheid.
De sfeer van die zomerse avond voor mijn vertrek naar Polen
kwam niet meer terug. Het studentenhuis dat Monique deelde
met enkele studiegenoten die alles van elkaar leken te willen
weten, bleek niet zo'n geschikte plek voor het doen van intieme
ontboezemingen. Sterker nog, overal in Wageningen leek iedereen
elkaar te kennen en in de gaten te houden; toen ik op een
avond met Monique was meegegaan naar de kroeg, bleek daar
weer Gijs, een van haar huisgenoten, achter de bar te staan.
Hij moet mij daar zwijgend naar mijn glas hebben zien staren,
terwijl ik in gedachten koortsachtig op zoek was naar een
golflengte waarop ik Monique zou kunnen bereiken...
|
| |
vermoorde
onschuld
Mijn voortdurende onvermogen om door de firewall van Monique
heen te breken, stond niet op zichzelf en was ook een uitvloeisel
van de lange tenen die mensen van onze generatie hadden ontwikkeld
na het doorbreken van de taboes van onze ouders. De sfeer van
de hippe jaren zestig was na 1980 echt voorbij. Peace, love
en flowers hadden plaatsgemaakt voor een gebrek aan vertrouwen
in alles en iedereen. De verbeelding was niet langer aan de
macht, maar verdrongen door de verzuurde sfeer van 'no future'
aan de ene kant en het opportunistische 'pakken wat je pakken
kunt' aan de andere.
Achter een façade van stoer activisme hielden onzekere
jongeren zich bezig met het kraken van huizen, eisen van rechten
en, als het vrouwen waren, afzeiken van heteroseksuele mannen.
Wat was begonnen als een offensief van geradicaliseerde Dolle
Mina's in paarse tuinbroeken, was uiteindelijk de heersende
ideologie geworden onder de vrouwelijke studenten die ik tegenkwam:
voor hen kon in elke man een verderfelijke macho schuilen,
die elke vrouw als loslopend wild beschouwde en maar één
ding wilde met zijn lustobjecten. Het was de vertrouwde antiseksuele
moraal waarmee ik was opgegroeid, voorzien van een eigentijdse
terminologie. Toch vielen ook deze vrouwen vaak nog wel op mannen,
die dan wel aan allerlei eisen moesten voldoen.
Ik was er goed van doordrongen dat je als man feilloos moest
kunnen jongleren met je uitspraken en emoties, als je in de
smaak wilde vallen bij een aantrekkelijke, intelligente en onconventionele
dame die nog niet voor het lesbische paradijs gekozen had. Ik
wilde niet voor macho versleten worden en was op mijn hoede.
Hoopvolle verwachtingen en opwindende fantasieën kon je
maar beter voor je houden, complimenten over uiterlijk waren
per definitie seksistisch en jaloerse mannen waren hopeloos
ouderwets en bezitterig. Dan maar net doen of je niks van iemand
wilde? Ook dat werd niet gewaardeerd. En de zelf ontworpen en
eigenhandig gebreide truien die ik droeg, leken hooguit een
politiek correcte vertedering op te wekken, maar geen vrouwelijke
lustgevoelens.
Observeren lag me beter dan acteren. Ik was geen kameleon die
razendsnel van kleur kon verschieten tussen Opzijslogans en
Vivastijl. Maar ik zag wel dat gladde versierders die het spel
goed beheersten en alle do's and don'ts van de laatste feministische
golf simpelweg aan hun laars lapten, bij veel vrouwen succes
hadden, al was het vaak kortstondig; of ze hoefden zich sowieso
nergens aan te houden omdat ze als lekker exotisch ding werden
beschouwd. Echte macho's werden ook niet hopeloos verliefd en
hadden altijd een plan B achter de hand.
Af en toe leek Monique mij uit de tent te willen lokken, andere
keren negeerde ze me. Soms gedroeg ze zich als een lichtgeraakte
verleidster die iets van mij verwachtte, vaak ook als een afstandelijke
vriendin die even geen zin heeft in een goed gesprek. Haar wisselende
signalen brachten me danig in verwarring en de communicatie
tussen ons verstarde. Tussen droom en daad lag een slagveld
van gierende hormonen en een gekmakende opeenstapeling van onuitgesproken
irritaties.
Hoewel het taboe was om jaloers te zijn, ontkwam ik niet aan
het gevoel dat half Wageningen op Monique viel. Het vriendje
waarmee ze op vakantie was geweest, leek het inmiddels verbruid
te hebben en kwam niet meer bij haar over de vloer; de arme
drommel moet flink onder de plak hebben gezeten. Andere vrienden,
die zij als haar 'maatjes' aanprees, liepen nog steeds
de deur plat of schreven haar lange brieven vanuit de exotische
oorden waar ze stage liepen. Met zwoele blikken en verleidelijk
gebabbel probeerden ze bij haar in de smaak te vallen. Monique
deed er soms nog een schepje bovenop, maar speelde ook de vermoorde
onschuld. Ze kon haar aanbidders schijnbaar oprecht o zo lief
aankijken om ze daarna genadeloos te fileren. Ze was niet te
beroerd om de gevoelens die ze opriep, aan te wakkeren en zal
vast hebben genoten van de aandacht die ze daarmee kreeg. Het
bleek een spel te zijn waarvan zij de regels bepaalde. Als je
dit spel niet begreep en stilletjes bleef hopen dat Monique
je meer gunde dan een erotische tantaluskwelling, kreeg je van
haar op non-verbale wijze te verstaan dat je een enorme sukkel
was.
Op een herfstige avond, toen mijn hoofd weer eens vol zat met
vragen en gevoelens die niet rechtstreeks gesteld of getoond
hoorden te worden, maakte een korzelige Monique niet de indruk
dat ze mijn aanwezigheid erg op prijs stelde. Ze speelde een
cassette met Indiase muziek af, stak een staafje wierook aan
en verraste mij opeens met een quasi-nonchalant ontbloten van
haar prachtige lijf. Ademloos keek ik toe.
Plotseling ging de telefoon op de gang en rende ze met slechts
een slipje aan haar kamer uit, naakt en verleidelijk als een
gereïncarneerde Mata Hari, om een gesprek met een voor
mij onbekende beller te voeren. Het leek allemaal koket, maar
werd vilein toen ze mij na het telefoongesprek met een ijzige
blik de grond inboorde en reddeloos in het drijfzand van mijn
verliefdheid weg liet zinken. Het voelde alsof ze me had willen
uitdagen om in actie te komen, zodat ze mij, met als verwijt
dat ik haar grenzen overschreden had, voorgoed de deur kon wijzen.
Enkele weken later was ze helemaal weg van iemand die ze had
leren kennen bij een meditatieclubje: hij stelde zichzelf voor
als Fons, maar voor Monique bleek hij later Parviz te heten.
Volgens haar was het liefde op het eerste gezicht. Uiteindelijk
vertrok Monique voor een stage naar India, waar ze haar goeroes
snel had gevonden. Terug in Nederland dook ze onder in een yogaklooster
om op zoek te gaan naar haar spirituele drijfveren. De non had
haar nozems gedumpt. Jaren later was de sfeer in 'Are you
experienced?' van William Sutcliffe voor mij een feest
van herkenning.
Rond de eeuwwisseling verscheen ze nog eenmaal totaal onverwacht
voor mijn ogen in een buurthuis in Amsterdam, waar ik voor een
tijdschrift foto's kwam maken van een bandje dat Balkanmuziek
kwam spelen. De eerste zwoele tonen klonken al, toen tot mijn
niet geringe verbazing een perfecte kopie van Monique als een
vleesgeworden schim uit het verleden het podium besteeg. Aan
het publiek werd ze voorgesteld als een tanpuraspeelster uit
Bulgarije.
Ze was geen steek veranderd, na vijftien jaar leek ze zelfs
niet ouder geworden. De femme fatale uit mijn herinnering was
nog altijd een goed ogende vrouw die nu een plek gevonden leek
te hebben waar ze haar ei kwijt kon en nog altijd de aandacht
van vele ogen op zich wist te vestigen. Ik wist dat ze iedereen
weer in de maling nam, al kon ze qua uiterlijk prima voor een
Bulgaarse doorgaan en bespeelde ze de tanpura goed genoeg om
een plekje in de band te rechtvaardigen.
Ik had niet zo'n zin om het haar zelf ter plekke te vragen,
maar nieuwsgierig was ik wel: een beetje googlen bevestigde
voor mij dat deze dame echt niet uit de Balkan kwam en nog altijd
Monique heette. Uiteindelijk was ze - uit liefde op het laatste
gezicht? - getrouwd met ex-huisgenoot Gijs en conform de 'burgerlijke'
traditie - of om elke twijfel de kop in te drukken?? - ook zijn
achternaam gaan gebruiken. Gijs bleek op zijn beurt te zijn
bekeerd tot het wereldje van navelstaarders en mantrazangers.
Als het hem echt is gelukt om een evenwichtige relatie met Monique
op te bouwen, is dat een niet geringe prestatie. |
| |
Madras
Ik likte mijn wonden en vertrok - misschien wel geïnspireerd
door Monique - zelf naar India. Samen met Jacques, een oude
studiegenoot van mij die ik in de Amsterdamse metro was tegengekomen
en mij verteld had dat hij naar Madras ging om zijn studieobject
'Low cost housing for the poor' af te ronden.
"Ik ga met je mee", zei ik direct. Ik moest
gewoon even weg om uit een gigantische dip te krabbelen. In
Wageningen had ik nog vijf maanden in een studentenflat doorgebracht
om met flinke tegenzin mijn studieproject af te ronden. De
liefde was een mijnenveld gebleken, met mijn projectgenoten
(die geen flauw benul hadden waarom ik naar Wageningen was
gekomen) kon ik niet erg goed overweg en aan mijn studie had
ik een grondiger hekel gekregen dan ooit tevoren.
Ik raapte al mijn spaargeld bij elkaar en liftte naar Istanbul.
Daar trof ik Jacques, met wie ik in twee weken per trein,
bus of liftend via Turkije, Iran en Pakistan naar het Zuid-Indiase
Madras reisde. Zoals we van tevoren hadden afgesproken, bleef
ik Jacques daar een maand vergezellen. Ik voorzag hem graag
van commentaar op de ontmoetingen en gesprekken die hij had
met lokale wetenschappers en andere hotemetoten. Ontnuchterend
was het om te constateren dat Jacques met sommigen van hen
overhoop lag sinds zijn vorige verblijf in Madras. Ook bij
zijn scriptiebegeleider in Amsterdam, Hans Schenk, leek hij
het verbruid te hebben. Aan het eind van de maand wenste ik
Jacques veel sterkte en ging ik nog een maand op eigen houtje
door India trekken.
Terug in
Nederland volgde een naargeestige periode van intensief zoeken
naar zo'n beetje alles waar ik toen behoefte aan had, zoals
een inkomen, woonruimte, een zinvolle bezigheid en een levensdoel.
De eerste maanden vulde ik met deprimerende uitzendbaantjes
in IJmuiden en Amsterdam. Ik vond ik een flat in de Bijlmermeer
die ik moest delen met een paar asielzoekers uit Ghana en
Togo. (Helaas had ik er alleen mannelijke huisgenoten. Een
Bijlmeravontuur zoals beschreven in 'Alleen maar nette
mensen' van Robert Vuijsje zat er voor mij niet in. Toen
mijn ouders een keer langskwamen, keek mijn moeder angstig
om zich heen en vroeg: "Waar is die neger?").
Na een half jaar verruilde ik de Bijlmerflat voor een slooppand
in de Amsterdamse Transvaalbuurt, waar ik weer opleefde.
Daar pakte ik de draad van mijn studie op, aangezien ik nog
maar drie tentamens en een scriptie was verwijderd van een
diploma. In Mari Wingens vond ik een goede scriptiebegeleider.
Wel vroeg ik me steeds weer af hoe mensen als hij gelukkig
konden zijn - als ze dat tenminste waren - terwijl ze dag
in dag uit zaten opgesloten in een betonnen werkkamer en veroordeeld
waren tot het steeds moeten bijhouden van gortdroge vakliteratuur,
het geven van colleges aan ongemotiveerde studenten en het
volhouden van de publicatiewedloop met vakgenoten...
|
| |
lullige
stropdas
Enkele jaren bleef ik nog bevriend met Jacques. Hij deed zich
graag voor als een eigenzinnige en onorthodoxe man van de wereld,
maar helaas ontwikkelde hij zich in mijn ogen steeds meer tot
een oubollige 'male chauvinist pig'. Luisteren was
niet zijn sterkste punt en het was onbegonnen werk om tegen
zijn razendsnelle maar oppervlakkige woordenstroom op te boksen.
Hij was twaalf jaar ouder dan ik en vond zijn grotere levenservaring
een goede reden om mij te vermoeien met de meest banale uitspraken
en vooroordelen. Vooral over vrouwen had hij onwrikbare opvattingen.
Eindeloos konden we bekvechten over de vraag of een kinderwens
tot stand komt door dwingende hormonen (Jacques) of door de
eigen, al dan niet door geloof, traditie en sociale omgeving
beïnvloede wil (ik). Steeds beter ging ik begrijpen waarom
hij met allerlei mensen ruzie had.
Tegelijkertijd leek hij een joviale vent, precies het type dat
Ischa Meijer ooit omschreef als 'mannen van over de veertig,
die een op niets maar dan ook niets gestoelde geestdrift als
een hopeloos vrolijke luchtballon permanent met zich meevoeren,
aan een uiterst iel draadje zelfvertrouwen'.
Jacques' scriptiebegeleider werd ziek en diens vervanger liet
Jacques afstuderen om van hem af te zijn. Sindsdien was het
gedaan met Jacques' onconventionele levenshouding en leed hij
aan een sneu en hardnekkig titelexhibitionisme. Iedereen moest
en zou weten dat hij nu een heuse doctorandus was; zelfs op
zijn bankafschriften moest per se het ietwat sneue drieletterige
statussymbooltje voor zijn naam staan. Ook vertoonde hij zich
van de ene op de andere dag alleen nog maar in een grijs pak
met een lullige stropdas.
"Anders kun je het wel vergeten met je carrière",
zei hij toen ik hoofdschuddend zijn nieuwe outfit aanschouwde.
"Hoezo carrière? Moet je daar niet eerst een
ècht vak voor leren? Met wat je nu aanhebt, kun je trouwens
beter tweedehands auto's gaan verkopen", was mijn
reactie. Jacques kon er niet om lachen en vond het nodig om
mij nog eens goed in te peperen hoe ik met vrouwen om zou moeten
gaan. Enig vermogen tot zelfreflectie hoefde ik van hem niet
te verwachten: als er iemand niks van vrouwen begreep, was het
Jacques wel. Voor mij werd het hoog tijd om andere vrienden
te gaan zoeken.
Later vernam ik via via nog wel eens wat van Jacques. In 2005
las ik dat hij was overleden en in Kenia zijn vriendin en dochter
berooid had achtergelaten (www.gim-international.com/issues/articles/id578-Jacques_Sipkes.html).
Ook in een cartografisch tijdschrift was te lezen dat 'Dr. Jacques
Sipkes' onverwacht was heengegaan (http://icaci.org/documents/newsletter/ica_news_45_2005_2.pdf).
Doctor? De redactie zal hem dit tikfoutje voor één
keer gegund hebben. |
| |
goed jaar
Net als Jacques was ook ik na tien jaar van mijn studie verlost.
Voor de tweede keer in mijn leven had ik met veel tegenzin
een opleiding afgemaakt. Ik was opgelucht maar verkeerde niet
in een feeststemming. Zonder familie of vrienden uitgenodigd
te hebben kwam ik naar de Lutherse Kerk aan het Spui, waar
ik samen met een record aantal studiegenoten een diploma in
ontvangst kon nemen, want 1988 was een goed jaar: in Amsterdam
en Nijmegen samen werden wel honderd kersverse planologen
- zowel 'oude-' als 'nieuwe stijl' - afgeleverd.
Ik vroeg me af wat ik nu echt geleerd had: veel bureaucratenjargon
met een academisch sausje, waar ik geen goed gevoel bij had.
De kansloze stoelendans om een handvol banen voor dossiervreters
en beleidsbabbelaars liet ik graag over aan mijn voormalige
studiegenoten. Die reageerden, net als sommige docenten, wat
lacherig toen ik vertelde dat ik uiteindelijk fotograaf wilde
worden. Ik besefte nog eens goed hoe vervreemd ik was geraakt
van het planologenwereldje.
Nog dezelfde middag stond ik weer pallets te stapelen in het
koelhuis, waar ik enkele maanden werkte om aan geld te komen
voor een nieuw avontuur: deze keer enkele duizenden kilometers
fietsen door vier landen in het zuiden van Afrika, afgewisseld
met vrijwilligerswerk in Lesotho, waar ik liefdevol zou worden
onthaald door leuke black beauty’s (zie www.keesswart.nl/fietsreportages/Lesotho.htm).
Ook werkte ik er samen met drie sympathieke vrouwen uit Duitsland,
Frankrijk en België; twee van hen lieten zich verleiden
en belazeren door Afrikaanse mannen, dus aan gespreksstof
was geen gebrek.
Deze reis zou me veel beter gaan bevallen dan mijn eerdere
trektocht door het hete, smerige, drukke en ondoorgrondelijke
India. Ik genoot van de spontaniteit en het gevoel voor humor
van veel Afrikanen die ik tegenkwam en vond het heerlijk om
even niet meer te hoeven voldoen aan allerlei verwachtingen
en gedragscodes, inclusief die van het alternatieve circuit.
Het echte leven kon eindelijk beginnen!
|
| |
| Fotoacademie,
Amsterdam (1993-1996) |
| |
Spaans benauwd
Na een boeiende tijd in Afrika hield ik me bezig met uitzendbanen
en vrijwilligerswerk. Een paar jaar later vertrok ik nogmaals
voor een half jaar naar het zwarte continent. Even speelde
ik met de gedachte om fulltime wereldfietser te worden, met
fysicus Frank van Rijn en bioloog Bart Aardema als goede voorbeelden.
Ik beschikte echter niet over de middelen en netwerken om
zoiets lang vol te kunnen houden. Ook wist ik dat alleen maar
wat rondfietsen me al na enkele weken zou gaan vervelen; daarvoor
waren er nog teveel andere dingen die me boeiden. Ik zou best
een vak willen uitoefenen, maar dat moest dan wel passen bij
mijn persoonlijkheid en interesses.
Wat ik niet wilde, was
in de fuik zwemmen van een vaste baan, een gezin en een groot
huis om dan geen tijd meer hebben voor alles wat het leven
voor mij de moeite waard maakt; het leek me sowieso niet verstandig
om kinderen op de wereld te zetten die dezelfde problemen
zouden kunnen ervaren als ik zelf ondervonden had. Tegelijkertijd
merkte ik dat steeds meer mensen om mij heen die de dertig
gepasseerd waren, dit alles zonder een spoor van twijfel juist
wel ambieerden. Die dachten kennelijk dat ze daar wel gelukkig
van zouden worden en dat de wereld nog wel wat extra bevolkingsgroei
en massaconsumptie aankon; of ze dachten sowieso nergens over
na en deden gewoon wat iedereen leek te doen. Termen als 'hypotheekslaaf',
'spitsuur van het leven' en 'vinexwijk' waren nog niet in
zwang, maar ik besefte wel zo'n beetje wat ook mij zou staan
te wachten als ik me zou conformeren aan de heersende norm.
Overigens waren de uitzendbanen die ik met enige moeite
nog kon krijgen (meestal vond men mij als dertiger al te oud,
te hoog opgeleid met een verkeerd cv, niet van het juiste
geslacht of sowieso 'niet passend bij de organisatie'), geen
succes. Spaans benauwd kreeg ik het van allerlei simpele en
geestdodende baantjes bij organisaties met een 'voskuiliaanse'
bedrijfscultuur, waar eigenzinnigheid en creativiteit worden
gesmoord in een dikke stroop van schoolse regels en ambtelijke
structuren.
Net als vroeger op school was ik daardoor met mijn gedachten
zelden bij het werk. Na een vergadering herinnerde ik me meer
van de schilderijen aan de wand dan van de besproken agendapunten.
Verder verloor ik elk respect voor glibberige en horkerige
chefs (helemaal als het van die zelfgenoegzame maatpak-en-stropdastypes
waren, die strooien met termen als 'aanpakken', 'de handjes
laten wapperen' of 'BV Nederland' en ondertussen zoveel mogelijk
hun eigen zakken vullen). Ook kon ik moeilijk communiceren
met collega's die het buskruit niet hadden uitgevonden en
werd ik moe en depressief als ik tijdens het werk werd gedwongen
om het getetter van Radio 538 aan te horen dat alle Sjonnies
en Anita's juist nodig leken te hebben om hun werk draaglijk
te maken. Slechts bij één baas (een bourgondiër
die net als ik zelden voor de koffiepauze van half tien op
kantoor verscheen, niet op zijn strepen stond en zijn medewerkers
allereerst als mensen benaderde en niet tot productiefactoren
reduceerde) hield ik het als 'vaste uitzendkracht' in deeltijd
enkele jaren uit.
Na meer dan dertig banen en baantjes had ik echter geen enkele
illusie meer over de zegeningen van de arbeidsmarkt. De laatste
restjes van het arbeidsethos dat me sinds mijn jeugd had achtervolgd,
maakten razendsnel plaats voor een intense afkeer van mensen
en mechanismen die mij wilden reduceren tot een loonslaaf
die altijd en overal beschikbaar moet zijn, ook in een vastgelopen
bureaucratie of voor een bedrijf dat zinloze producten levert.
Het lukte me simpelweg niet om kritiekloos volgens de voorgeschreven
werkwijzen te handelen; voor het invoeren van bestanden of
het sorteren van post had ik mijn eigen methodes bedacht,
maar het moest per se geschieden op de knullige manier die
ooit door een stel minkukels was verzonnen. Het kostte me
steeds meer moeite om me langdurig te concentreren op werk
dat me in feite niks, maar dan ook helemaal niks interesseerde.
Ik dreigde in een ernstige depressie te raken als ik hiermee
door zou gaan.
Ik ging steeds meer calculeren en turfde, als iemand die een
straf uitzit, af hoeveel dagen en uren ik het nog ergens moest
zien uit te houden om mijn sociale rechten veilig te stellen.
Het ergst waren de banen die zo weinig om het lijf hadden,
dat ik quasi comateus naar de wijzers van een klok zat te
staren tot ik naar huis kon gaan en tegelijkertijd de schijn
moest zien op te houden dat ik iets aan het doen was. En altijd
was het de vraag of ik het moment dat ik op wilde stappen
zelf kon bepalen voordat ik ontslagen zou worden.
Ik besefte dat ik zelf niet gelukkig zou worden en ook niemand
anders een lol zou doen als ik de rest van mijn leven voor
postbode, datatypist of hulpsecretaresse zou blijven spelen.
Ook gruwde ik van het idee dat ik mijn oude 'vak' weer op
zou kunnen pakken door - zoals sommige van mijn ex-studiegenoten
deden - een net pak aan te trekken en gebakken lucht te gaan
verkopen in de vorm van zogenaamde beleidsadviezen. Geld verdienen
was voor mij geen grote drijfveer, status al helemaal niet.
Wel wilde ik iets doen waar ik goed in was en waar ik ook
nog een beetje lol in zou hebben, niet te simpel, niet te
saai, in mijn eigen tempo en heel graag zonder allerlei procedures
en gedoe met mensen, dus bij voorkeur iets wat ik op eigen
houtje af zou kunnen. Het leek het simpelst om een toch al
uit de hand gelopen hobby - fotografie - te gaan professionaliseren.
|
| |
het
roer om
Het was hoog tijd om het roer om te gooien. Een jaar lang had
ik al een schriftelijke opleiding reportagefotografie aan de
Fotovakschool gevolgd, maar dat bleek aan het begin van de jaren
negentig nog een oubollige en schoolse stoomcursus voor publieksfotografen
te zijn. Ik wilde geen handelaar in pasfoto's en trouwreportages
worden en ging op zoek naar een avondopleiding met meer diepgang
en aandacht voor mijn eigen interesses. Uiteindelijk kwam ik
terecht bij de Amsterdamse Fotoacademie.
Deze ongesubsidieerde opleiding was toen nog niet zo commercieel
als tegenwoordig, al waren de studiekosten wel een rib uit mijn
lijf. Han Sieveking, het opperhoofd van de academie, joeg de
kosten soms nog meer op door persoonlijk controleren of je bepaalde
spullen wel had aangeschaft, zoals een onhandige losse belichtingsmeter
die ik nooit heb gebruikt. Gezien de hoeveelheid folders, advertenties
en gesponsorde links waarmee de Fotoacademie tegenwoordig aan
de weg timmert, én het groeiend aantal vestigingsplaatsen,
is Sieveking nog altijd een slimme zakenman die handig inspeelt
op de onvrede die veel mensen met hun carrière hebben.
Een onvrede die vaak gepaard gaat met een verlangen naar interessanter
en creatiever werk. Tegelijkertijd hebben opleidingen als de
Fotoacademie ervoor gezorgd dat er nu zoveel fotografen rondlopen,
dat je een straatvechtersmentaliteit moet hebben of een rat
moet zijn om in dit vak nog aan de bak te komen.
Overigens heb ik op de Fotoacademie harder en met veel meer
plezier gewerkt dan tijdens al mijn voorafgaande school- en
studiejaren. Vooral de lessen van de toen nog piepjonge en onbekende
Joost van den Broek waren erg inspirerend. Ook de andere docenten
hadden nog niet het stadium bereikt dat ze afgebrand en zonder
illusies naar de eindstreep van hun carrière strompelden.
Wel had ik meer last dan lol van de beheerder van het keldertje
waar ik een banddiaserie in elkaar gezet heb; hij wilde niet
begrijpen dat ik met een examenopdracht bezig was en dat zijn
regeltjes en opvattingen een optimaal eindresultaat alleen maar
in de weg stonden. Gelukkig behoorde hij niet tot degenen die
het examenwerk gingen beoordelen en maakte Han hem na een tijdje
duidelijk dat hij me niet langer lastig moest vallen. Ook aan
de mentoren, die deze fotoacademie extra duur maken, had ik
weinig. Ik hou er niet van om iemand in de wandelgangen aan
te klampen om vragen te stellen; het kost me veel energie om
iemand te benaderen en zover te krijgen dat hij of zij serieus
op mijn vragen ingaat. Bovendien vroeg ik me af of die mentoren
nu echt zoveel verstand van zaken hadden. Liever zocht ik de
antwoorden op mijn vragen in de vakliteratuur. Schriftelijke
informatie, mits duidelijk geschreven, verwerk ik sowieso veel
beter dan mondelinge aanwijzingen, die te vaak worden doorspekt
met retoriek, lichaamstaal en warrigheid, wat erg afleidt van
de essentie. Wel had ik heel veel aan de opdrachten, deadlines
en het contact met studiegenoten tijdens de opleiding.
Mijn medestudenten waren grotendeels dertigers met zeer uiteenlopende
achtergronden. De meesten waren afgehaakt voordat ik ze enigszins
had leren kennen, maar met enkelen beleefde ik een paar boeiende
jaren. Hoogtepunt was de excursie naar Antwerpen, waar we in
kleine groepjes een serie beelden rond een van tevoren gekozen
thema moesten schieten. Ik had Rob en Pieter overgehaald om
de broeierige chansons (o.a. 'Rode lampen en havenvampen')
van Guido Belcanto ( www.guidobelcanto.be)
als inspiratiebron te gebruiken. Rob wist als journalist enkele
tips van de artiest zelf te krijgen en Pieter kende als vertegenwoordiger
in toiletpapier opvallend goed de weg in de roze buurt bij het
Antwerpse havenkwartier.
Voor mij was dit de eerste 'school' waar ik, ondanks het late
tijdstip op de avond, van begin tot eind geboeid bij de les
bleef, zonder weg te dromen of afgeleid te worden. In plaats
van de chronische tegenzin die ik tijdens mijn eerdere school-
en studiejaren altijd gevoeld had, keek ik nu met een combinatie
van spanning en enthousiasme uit naar de wekelijkse lesavond.
Dit was een opleiding waar ik eindelijk mijn ei in kwijt kon.
In een voor mij ongebruikelijk hoog tempo voltooide ik de studierichting
journalistieke-, documentaire- en portretfotografie.
De andere vakopleiding, creatieve fotografie, sprak me minder
aan: voor mij te veel gefröbel en te veel nadruk op presentatie
en commercie. De échte wereld vind ik veel interessanter
dan de opgeklopte illusies en geliktheid van galeries, modeshows
en reclamespotjes. Ook bleek ik een bloedhekel te hebben aan
het in scène zetten van situaties of het manipuleren
van mensen om een gewenst beeld tot stand te brengen. Ik blijf
liever de introverte fotograaf die op het goede moment op de
juiste plek moet zijn en zelf het liefst onzichtbaar wil blijven.
Ook om een andere reden hield ik me liever bezig met de inhoud
dan met de verpakking van een beeld: het kaarsrecht op maat
snijden van passe-partouts was duidelijk teveel gevraagd van
mijn fijne motoriek. Liever stond ik af te drukken in de doka,
al was ik ook hier nooit helemaal tevreden met het eindresultaat:
in de praktijk was ik vaak te onhandig om aan mijn steeds perfectionistischer
wordende eisen te kunnen voldoen.
|
| |
| kinderziektes |
|
|
De
journalistiek documentaire opleiding, die vanaf 1993 werd
aangeboden, had nog last van kinderziektes. Er was te
weinig tijd ingeruimd om technische trucs onder de knie
te krijgen. Wie iets niet meteen doorhad, werd verleid
om voor een paar honderd gulden extra nog een cursus flitstechniek
of studiofotografie te volgen, zodat weer een paar docenten
van de straat gehouden konden worden.
Volgens Han Sieveking had je, als je efficiënt werkte,
zestien uur per week nodig om alle opdrachten van de opleiding
af te maken. Efficiency en snelheid komen voor mij in
de praktijk meestal neer op een stressvolle manier van
werken waarbij geen ruimte is voor dagdromen en het uitwerken
van creatieve impulsen. Gelukkig werd ik in het tweede
studiejaar verlost van een kantoorbaan bij de Amsterdamse
rioolwaterverwerking, waarna ik me fulltime en veel relaxter
op het fotograferen kon storten. De kwaliteit van mijn
foto's werd nu zichtbaar beter en Joost van den Broek
ging me waarderen als laatbloeier.
Han en Joost beseften overigens wel dat het kleine groepje
studenten dat nog niet was afgehaakt, veel dingen nog
niet goed onder de knie had. Ze namen het wijze besluit
om op kosten van de academie de opleiding met een half
jaar te verlengen.
Helaas leerden we niet hoe je als fotograaf aan fatsoenlijk
betaalde klussen moet komen. "Dat moet je gegund
worden", was het onbevredigende antwoord van
Han op de vraag hoe we na de academie aan de slag konden
raken. Na de opleiding bleek de fotografenwereld vooral
een jungle van scharrelaars te zijn, die min of meer gedwongen
worden om te bluffen over hun eigen kunnen, elkaar amper
het licht in de ogen gunnen en zich tegen elkaar uit laten
spelen door grote uitgevers met beruchte wurgcontracten.
|
|
|
zelfportret als lesopdracht
van de fotoacademie (1994)
|
| |
| |
|
|
|
onthaasting
Na de opleiding ben ik gaan werken als freelance fotograaf.
De eerste tien jaar heb ik veel voor tijdschriften en uitgevers
gedaan. Ik werkte dan meestal op locatie en probeerde de werkelijkheid
te benaderen zonder die te manipuleren. Dus geen glamour- en
studiofotografie en geen gezeul met koffers vol lampen en statieven,
met als bijkomend voordeel dat ik altijd per fiets en trein
ben blijven reizen. Later ben ik steeds meer gaan schrijven.
Zo heb ik voor het buitensportmagazine Op Pad tientallen reportages
gemaakt over fiets- en en langlauftrektochten. Ook heb ik een
fietsroute van ruim duizend kilometer langs de frontlijn van
de Eerste Wereldoorlog uitgestippeld en daarvan een fietsreisgids
gemaakt ('Fietsen langs de Frontlijn', zie www.frontlijnroute.nl).
Gouden bergen levert dit alles niet op omdat je daarvoor, ten
koste van vakgenoten, een gehaaide netwerker en rat racer moet
kunnen en willen zijn. Veel belangrijker is voor mij dat ik
nu mijn tijd en energie kan steken in dingen die me boeien en
waar ik goed in ben; en op een onthaaste manier kan werken,
alle stoere praatjes op de Fotoacademie dat je het als fotograaf
drukker dan druk zou moeten hebben, ten spijt.
Daarnaast vul ik ongeveer één op de vier dagen
met fietsen en wandelen. En last but not least ben ik klusjesman
in een eeuwenoud huis in de binnenstad van Leiden, waar ik woon
met mijn vriendin.
|
| |
Maak
voor het bekijken van de rest van deze website een keuze uit
het menu hieronder. |
| |
|