SCHOOLBANKVERHALEN |
| |
De
volgende sfeerverhalen waren in eerste instantie bedoeld voor
publicatie op www.schoolbank.nl.
Enkele ex-schoolgenoten hebben daar enthousiast op gereageerd:
hoewel hun persoonlijke ervaringen uiteraard heel verschillend
waren, ervoeren ze het lezen van mijn herinneringen als een
aha-erlebnis, met name de beschrijvingen van docenten.
Helaas zijn de teksten op de schoolbanksite, met uitzondering
van de eerste regels, alleen toegankelijk voor de kleine groep
bezoekers die bereid is daarvoor te betalen. Ook worden de langere
verhalen verminkt door ze na een aantal lettertekens ineens
af te kappen. Daarom heb ik mijn schoolbankverhalen nu aan mijn
eigen website toegevoegd: te lezen voor iedereen die hier via
via, googlend of bij toeval is beland. Geniet en huiver! |
| |
| Lees
verder of klik snel door naar een van de volgende scholen: |
| |
| De
Duinkrekels, IJmuiden (1962-1964) |
| Prof.
J.H. Gunningschool, IJmuiden (1964-1970) |
| Gymnasium
Felisenum, Velsen Zuid (1970-1978) |
| Universiteit
van Amsterdam, Sociale Geografie en Planologie (1978-1988) |
| Foto
Academie, Amsterdam (1993-1996) |
| |
| Enkele
citaten uit ontvangen e-mails |
| |
"Ik vond
jouw verhaal op Schoolbank erg herkenbaar. De moeite die kinderen
hebben met schoolsystemen, ouders, koddebeiers, potentaten,
liefdes, keuzes en volwassen worden. De drang om de wereld
te verkennen en de passie voor het fietsen zat er al vroeg
in.
Bij jou in de klas zitten was wel bijzonder. Je verzette je
behoorlijk en was luid en duidelijk aanwezig. Jij haalde altijd
een 10 en bij het om de beurt oplezen van onze cijfers kon
jij zo heerlijk luid en triomfantelijk TIEN!!! scanderen.
Als we onverhoopt vrij hadden, omdat de juf ziek was, juichte
je het hardst. Bij het overlopie spelen was je een ongrijpbare
factor door je loopvermogen."
"Met heel
veel plezier heb ik je uitvoerige beschrijving van jouw ervaringen
op alle "scholen" die je hebt doorlopen gelezen.
Met plezier omdat je goed kan schrijven en omdat ik - wat
betreft de school waar we allebei op hebben gezeten - veel
herken. Jouw beschrijvingen van Groenhart, Kofman, Snippe,
Boomgaard, Poortman, Mulder en Tromp zijn vaak heel treffend.
Zeven jaar lang heb ik ook met deze heren te maken gehad,
dus ik weet waar het over gaat!"
"Na een kwartier of zo viel mijn mond open van verbazing;
zelden een zo treffende beschrijving van het schoolklimaat
1970-1978 gelezen als dit. En zo mooi verwoord. Weliswaar
heb ik een iets andere perceptie en mag ik het misschien niet
op alle punten met je eens zijn - ik kon het namelijk wel
erg goed vinden met John Mulder *grin* al had ik ook een pesthekel
aan zijn vooringenomenheid soms - maar je beschrijving van
sommige leraren is meer dan treffend."
"Zeer maar dan ook zeer boeiend. Ik herken niet alles
omdat ik niet in elke klas met jou heb gezeten, maar het komt
me zeer realistisch over. Ik vond het jammer dat er een einde
aan kwam!"
"Bedankt voor je mooie verhalen. Inderdaad is daar heel
veel in te herkennen, en je weet het erg goed te beschrijven.
Ik heb slechts kort bij jou in de klas gezeten, daar ik absoluut
geen aanleg voor exacte vakken heb. Die periode kon ik echter
geen hoogte van je krijgen en nu begrijp ik ook wel waarom."
"Bij toeval kwam ik jouw site tegen op het internet.
Wat een schok om die gymnasium Felisenum verhalen te lezen!
Tja Kees, er ging een schok van herkenning door me heen toen
ik jouw artikel las. Ik voelde me doodongelukkig daar op school.
Vele jaren later werd ik in onaangename dromen nog steeds
geconfronteerd met bijvoorbeeld Valter of Groenhart. Ik heb
er een levenslange aversie tegen alles wat met onderwijs te
maken heeft opgelopen! Zo zie je maar, het Felisenum was geen
plek voor creatieve mensen met een eigen wil! Maar knap wat
je nu presteert! Hopelijk blijft de kwajongen in je zegevieren!"
"Ik lees
nu voor de 2de keer je mooie verhaal over het Felisenum. Je
hebt heel wat veranderd volgens mij. Het is er alleen maar
kleurrijker van geworden. Het idee dat ik deel uitgemaakt
heb van zoveel historie doet mij van binnen juichen. Wat was
het leuk en wat heb ik aan de zijkant geleefd al die jaren.
Observeren, dat is mij wel toevertrouwd, maar jou ook. Ik
heb je natuurlijk uitgebreid gesproken bij het vorige lustrum
en het mysterie Kees Swart is voor mij toen gedeeltelijk opgehelderd."
|
| |
| De
Duinkrekels, IJmuiden (1962-1964) |
| |
vouwblaadjes
Ik herinner me nog de allereerste dag: zodra mijn moeder mij
aan juf Jansen had toevertrouwd, sloeg ik luid blèrend
met mijn vuistjes op de deur, waar de juf tegenaan moest leunen
om mij binnen te houden.
Al snel was ik voldoende gedresseerd om braaf naar school te
gaan, maar echt naar mijn zin heb ik het er nooit gehad. Ik
speelde graag met blokken. De juf vond het echter heel belangrijk
dat we ook zestien vierkantjes leerden vouwen, zelfs toen we
dat al tigmaal gedaan hadden. Als het eindelijk weer tijd voor
de blokken was, werd ik door de vechtersbaasjes uit mijn klas
opzij geduwd. Ze gingen pas weg wanneer de juf zei dat alle
jongens weer met vouwblaadjes aan de slag moesten. Dan bleef
ik dus lekker tussen de blokken zitten en was ik Oost-Indisch
doof als de juf mij tot de orde riep. Juf Jansen liet echter
niet met zich spotten. Ze moest veertig kleuters in het gareel
houden en duldde geen dissidentjes. Steeds vaker moest ik in
de hoek staan. |
|
|
|
4 jaar? mwah... (1 januari 1962)
|
Schele Wimpie
Buiten liepen we soms met de orgelman mee. Of achter Schele
Wimpie aan, een mongooltje uit de buurt. Altijd liep hij te
roffelen op een grote trommel.
De wereld om me heen zat vol mysteries. Ik snapte niet hoe Sinterklaas
met een paard over de daken kon lopen, vroeg me af wat 'communistisch
China', dat op het radionieuws steeds weer plechtig werd
aangekondigd, betekende, of hoe een boot zich over het water
verplaatste zonder te zinken. Voor dat laatste had ik een oplossing
bedacht: onder de schepen die ik tekende, zaten lange poten
met wieltjes, zodat ze over de zeebodem konden rijden en toch
boven water bleven.
Op weg van school naar huis vertelde Frits me een keer heel
stoer dat hij het sleuteltje van de gevangenis had. Ik begreep
amper wat een gevangenis was, maar voelde me toch niet op mijn
gemak. Wist ik veel dat Frits graag een beetje blufte…
|
| |
|
Duinkrekels
met o.a. Frits Rijperman, Cees Broek en Rob Naborn (1962-1963) |
| |
zingende
Italianen
Juf Jansen kwam een keer op bezoek bij ons thuis. Sindsdien
zei mijn moeder enkele keren: "Juf Jansen is gek met
een touwtje om haar nek: trek, trek!" Wat voor raar
spelletje dat nu toch was, wist ik niet. Jaren later begreep
ik dat de juf was komen vertellen dat ik aanpassingsproblemen
had. Mijn moeder wist zich daar blijkbaar niet goed raad mee
en kon dan nogal theatraal uit de hoek komen. Naarmate ik ouder
werd, zou ik steeds minder gaan voldoen aan het simpele ideaalbeeld
dat ze voor ogen had. Ze kon sowieso beter opschieten met jonge
kinderen, die met sprookjes en spelletjes nog te sussen waren,
dan met lastige tieners die confronterende vragen stelden.
Als kleuter kreeg ik ernstig last van mijn maag en darmen. Daarvoor
gingen we naar een kinderarts in Beverwijk: helemaal door de
Velsertunnel. Soms zat achter in de bus een groep zingende Italianen,
op weg naar de Hoogovens. Naar school hoefde ik voorlopig niet
meer en ik genoot van de herwonnen vrijheid: volop spelen met
mijn eigen blokken en lekker crossen op mijn step. |
| |
| Prof.
J.H. Gunningschool, IJmuiden (1964-1970) |
| |
verveling
Ik was trots toen ik eindelijk naar de Grote School mocht. De
eerste jaren waren goed te doen, al sloeg de verveling snel
toe en moest ik nablijven als ik niet bij de les was. Juf Braaksma
kon niet weten dat ik het eerste leesboek tijdens de les al
uitgelezen had, terwijl ze met de klas pas halverwege was.
Juf Parent was soms best een bitch, maar heilig vergeleken bij
wat nog komen zou... |
| |
|
Gunningschool,
derde klas met juf Parent (1966-1967) |
| |
Dikke
Wille
Vanaf het eind van het derde jaar kregen we Wille voor de klas:
een echte kerel die niet gebukt ging onder enige intellectuele
bagage en verzot was op voetballen en eten. Op deze school kwam
hij daar goed mee weg.
Willes eetlust was niet te stillen. Elke dag liet hij tijdens
de les iemand uit het raam klimmen om worst voor hem te halen.
De slager om de hoek moet een gouden tijd hebben gehad. Ook
Willes manier van lesgeven was opzienbarend: wekenlang liet
hij ons alleen maar cijferen, waardoor ik voor het eerst echt
de pest aan school kreeg.
Taal leerden we onszelf door tijdens de les elkaars stripboeken
te lezen. Dikke Wille vond het prima, zolang zijn maag maar
gevuld was. 'Erst kommt das Fressen, dann die Moral'
moet zijn motto zijn geweest. Kreeg hij weer trek, dan verscheen
er een valse blik in zijn ogen. Bijten deed hij niet, maar gooien
des te meer. Meestal met krijt of met een balletje, maar als
je pech had kreeg je een sleutelbos tegen je hersenpan. Zo leerde
ik razendsnel duiken en opzij springen (een strategie die ik
tijdens sportlessen op de middelbare school toe ben blijven
passen om aansuizende ballen te ontwijken, tot wanhoop van de
gymleraar). |
| |
strafregels
Dinsdagmiddag begon meestal met een uur zwemles. Daarna
fietsten we terug naar school, waar Wille niet stond te
popelen om nog een uur les te geven. Haast elke week bedacht
hij wel een reden om de hele klas na het zwemmen honderd
strafregels te laten schrijven. Na een stuk of wat van zulke
middagen ging ik me afvragen waarom we dit nog pikten en
iedereen toch steeds weer braaf die honderd regels neerpende.
Helaas miste ik het charisma waarmee ik mijn klasgenoten
mee op de barricaden had kunnen krijgen. Wel verscheurde
ik, toen we ons strafwerk thuis af moesten maken, verontwaardigd
mijn reeds volgeschreven velletjes op het schoolplein.
Al snel werd ik mikpunt van Willes toorn. Steeds vaker werd
ik de les uitgestuurd en moest ik op de gang bij het keukentje
staan. Als ik dan merkte dat Lambeck, het licht ontvlambare
schoolhoofd, er aan kwam, verborg ik me in het bezemhok onder
de trap. Daar vond ik op een dag mijn fiets terug, die een week
eerder uit de stalling was verdwenen en zogenaamd door niemand
gevonden was!
Ik heb niet kunnen ontdekken of er achter in de bezemkast nog
lijken lagen, want voortaan werd ik met tafel en stoel op de
gang gezet, zodat Wille me vanuit de klas nog kon zien. Qua
comfort was dit wel een vooruitgang. |
| |
etterbakjes
Dikke Wille was niet het enige onheil dat
voortdurend op de loer lag. De straten van IJmuiden
werden onveilig gemaakt door vechtlustige etterbakjes
die ik liever niet tegen het lijf liep. Soms had
ik ze op tijd in de gaten en wist ik met een omweg
veilig thuis te komen. Ook met hard rennen kon ik
ze aardig op afstand houden. Wanneer ze echter samen
met mij uit school waren gekomen en riepen: "Jou
moet ik nog hebben!", was ik hun prooi en kwam
ik bont en blauw geslagen thuis.
Safer was het in het bos, waar ik veel met Frits
speelde. Frits was ook een prima bodyguard tegen
straattuig.
Soms
fietsten we naar de spoorlijn voor de treintunnel;
we legden dan een stukje grind boven op de rails,
doken weg en bleven wachten tot er een trein voorbijkwam.
Gelukkig reden de treinen altijd door.
Ook crosten we door de voortuin van onze klasgenootjes
Shirley en Louise, of haalden met onze lieve smoeltjes
oude kranten op om fikkie te gaan steken.
|
|
|
 |
Frits
(cool in zijn fietskledij) en ik ('strak in het
pak', conform de mode-opvattingen van mijn moeder)
(1967) |
|
Een van mijn favoriete plekken was het hoge duin dat werd
afgegraven om plaats te maken voor de voetbalvelden van
Stormvogels. Hier kon je vele meters naar beneden springen
en een zachte landing in het zand maken. Zolang je niet
te dicht bij de dragline kwam, leek het hier niet gevaarlijk,
totdat een blindganger uit de Tweede Wereldoorlog uit het
zand werd opgevist: half IJmuiden werd geëvacueerd totdat
de bom onschadelijk was gemaakt.
We kropen hier onder het prikkeldraad door naar de verboden
duinen waar Zeewijk gebouwd werd. Al gauw werden we betrapt
door een boswachter. Hij had een boek met alle namen en
adressen in IJmuiden bij zich en heeft, nadat we keurig
onze namen hadden genoemd, een brief naar onze ouders laten
sturen. Er mocht niet gespeeld worden in deze kwetsbare
duinen, die echter gedoemd waren plaats te maken voor torenflats,
wegen en sportvelden.
Het afgraven van duinen en bouwen van steden ging ik zelf
nabootsen in duinzand. Later ging ik hiervoor naar het strand,
waar bij laag water ook stromend water voorhanden was voor
mijn eigen versies van de deltawerken. Op de stillere stukken
strand had ik gelukkig geen last had van straatschoffies
en leeftijdgenoten die niets van mijn creaties begrepen
en het maar kinderachtig vonden dat ik nog met zand speelde.
Geleidelijk werd mijn wereld groter dan de directe omgeving
van IJmuiden. Op de fiets reed ik als elfjarige al stiekem
naar Haarlem. Amsterdam bleef voorlopig nog buiten bereik,
al drong er wel iets door van de nieuwe tijdgeest in sommige
rijmpjes die op het schoolplein werden opgedreund: "Lange
haren, witte jekken, laat de smerissen maar verrekken. Oef
oef oef, tam tam tam, wij zijn lid van de Provo stam!" |
| |
driftbuien
Uiteindelijk verloste meneer Hessels ons van Dikke Wille. Er
restte nog een paar jaar om ons in te laten halen wat bij Wille
was blijven liggen. Nogal wat klasgenootjes konden alleen stripverhalen
lezen en strafregels schrijven. Vaak moesten ze ook de tafels
van drie tot en met negen nog leren.
Zelf had ik nogal wat averij tussen de oren opgelopen. Ik werd
onrustig, neerslachtig en kreeg last van driftbuien en nerveuze
tics, die voor mijn medescholieren niet onopgemerkt bleven.
De kinderpsycholoog kon gissen naar de oorzaken en verwees me
door naar een specialist. Een EEG (hersenscan), pillenkuur en
vele bezoeken aan de neuroloog volgden tot rond mijn veertiende.
De diagnose die destijds werd gesteld, is inmiddels achterhaald.
Maar ook vandaag de dag zouden de symptomen vast en zeker van
een mooie naam zijn voorzien.
Hessels maakte er met zijn kids het beste van, maar kon met
mij niet veel meer beginnen. Op school bleef ik me stierlijk
vervelen. Huiswerk maakte ik niet, strafwerk en nablijven was
routine geworden. Op een dag schreef Hessels een boze brief
die ik door mijn ouders moest laten tekenen. Daar had ik helemaal
geen zin in; mijn ouders begonnen steeds meer een verlengstuk
van de school te worden. Wekenlang verzon ik uitvluchten waarom
ik de brief nog niet had laten tekenen, totdat mijn moeder hem
uit de zak van mijn jas viste toen ze deze in de was wilde doen.
In het laatste jaar trok ik nog op met Hendrik, maar na het
afscheidsfeest zag ik niemand meer. De Cito-toets had mijn klasgenoten
op andere scholen doen belanden. Alleen Ineke ging net als ik
naar het gymnasium. Daar zou ik mijn draai wel vinden, dacht
men. |
| |
| Gymnasium
Felisenum, Velsen Zuid (1970-1978) |
| |
Felisenum-blues
Acht heftige jaren heb ik hier doorgebracht met strebertjes,
nerds in de dop, ontkiemende corpsballen en dolende pubers.
Er heerste een cultuur van presteren, incasseren en vissen naar
de gunsten van wispelturige leraren. Dit paste niet bij mij
want erg ambitieus, stressbestendig of handig in de omgang was
ik niet. Wel verlegen (hoezeer ik dat ook probeerde te overschreeuwen)
en rusteloos als ik me niet op mijn gemak voelde; ook masochistisch
genoeg om de Felisenum-blues tot het einde uit te zingen, al
was ik na mijn ervaringen op de lagere school niet bereid om
alles over mijn kant te laten gaan. Ook op deze school zat er
voor mij al gauw niks anders op dan de confrontatie aan te gaan,
al werd me na verloop van tijd wel duidelijk dat ik hier andere
strategieën moest hanteren dan ik in IJmuiden had aangeleerd. |
| |
Brulpaap
Vanaf de eerste schooldag lag ik op ramkoers met gymleraar
Mulder. Hij vulde zijn uren met allerlei teamsporten waarvan
niemand mij de regels had bijgebracht. Hockey, volleybal
en softbal waren totaal onbekend voor mij; en wat er zo
leuk aan was om elkaar op te jutten en af te snauwen om
zoiets banaals als een voetbal, had ik ook al nooit begrepen.
Tot overmaat van ramp was de communicatie tussen mijn onrustige
hoofd en slungelige ledematen verre van optimaal voor dit
soort sporten: niet voor niets ging ik de eerste jaren regelmatig
naar een neuroloog.
Bewegen in de buitenlucht deed ik overigens graag, maar
dan wel op mijn eigen manier: niet op een fantasieloos sportveld
en niet gebonden aan allerlei regeltjes en prestatie-eisen.
Mijn eerste goedbedoelde poging om een bal te werpen hoonde
Mulder meteen weg als 'meidengooi'. Meer van dit
soort kwalificaties volgden en al snel had ik het helemaal
met hem gehad; ik raakte geen bal meer aan. In goed gezelschap
van Willem Lust of Otto von Hertzberg bleef ik over wanneer
er teams gekozen werden. Meestal stond ik achter in het
veld weg te dromen. Een enkele keer klom ik in een boom
naast het veld om neer te kunnen kijken op dat laag-bij-de-grondse
gedoe met ballen. Mulder hield nooit op om commando's à
la Louis van Gaal uit te delen en mij uit te foeteren: "Swart,
let op de bal!", "Swart, klim uit die boom!"," Swart, sta
niet uit je neus te vreten!"
De enige keer dat Mulder een wadlooptocht organiseerde,
was ik aangenaam verrast. Wadlopen vond ik gaaf. In plaats
van blij te zijn dat ik nu eens wèl enthousiast was voor
een van zijn activiteiten, ontmoedigde Mulder mij om mee
te gaan: hij wilde niet geloven dat ik de pittige tocht
naar Schiermonnikoog vol zou houden. Ik ging toch, zonder
problemen. Het was typisch John Mulder: onuitstaanbaar dominant,
altijd paraat met commentaar en nul komma nul begrip voor
leerlingen die niet in zijn kudde mee wilden lopen.
Met Frans Visser imiteerde ik zijn donderpreken, Peter Tjalsma
noemde hem treffend 'Brulpaap'. Sjef Souwer zag
ik zelfs een keer aanstalten maken om met Mulder op de vuist
gaan. Maar bij velen was hij onbegrijpelijk populair. Inmiddels
zullen heel wat van zijn toenmalige fans buikige vijftigers
zijn geworden, die fysiek niet meer in staat zijn om op
eigen kracht een tocht als deze
(Franse Alpen), deze
(IJsland) of deze
(Engeland per ligfiets) te maken. |
| |
|
Felisenum,
klas 1B met beeldend kunstenaar Henk Ames en Ma van den Berg,
die de administratie deed (1970) |
| |
rijtjes
en feitjes
Ook bij andere leraren was het spitsroeden lopen. Ik wilde best
wel wat leren maar was ook een verwoede dagdromer: mijn gedachten
waren zelden bij de les als het met een docent niet klikte.
Wolkenluchten of wandplaten waren veel interessanter dan Latijnse
stamtijden. Soms had ik ook al mijn aandacht nodig om de met
speeksel doordrenkte propjes, die klasgenoten mijn kant op schoten,
te ontwijken.
Op de lagere school had ik nooit wat aan huiswerk gedaan, maar
nu was er niet meer aan te ontkomen. Echt moeilijk was het allemaal
niet. Superslim hoefde je op een gymnasium ook niet te zijn,
je had meer aan een fotografisch geheugen. Na schooltijd kon
ik me echter maar weinig herinneren van wat tijdens de lessen
besproken was. Ook kostte het me veel moeite om aan het eind
van de middag mijn puberende hoofd nog een paar uur aan het
werk te zetten. Ik had weinig zitvlees en haatte het eindeloos
instampen van rijtjes en feitjes.
Vragen over de les stelde ik nooit: de leraren zouden me toch
maar een sukkel vinden of erachterkomen dat ik helemaal niet
had opgelet. Als ik zelf een vraag moest beantwoorden, had ik
vaak geen flauw idee waar het over ging en probeerde ik me er
op een clowneske manier uit te redden.
De prestatiedruk leidde tot faalangst en ondermijnde mijn motivatie
om naar school te gaan. 's Nachts droomde ik vaak dat ik achter
in een bus zat die in tweeën brak: het voorste deel reed
altijd gewoon door terwijl het achterste verongelukte. Na zo'n
onrustige nacht brak meestal een stressvolle ochtend aan: keihard
fietsen om net wel of net niet voor de tweede bel op school
te zijn. En in het laatste geval ongezien voorbij het kantoortje
van Ma van den Berg proberen te komen en stilletjes het leslokaal
binnensluipen... |
| |
stille
sabotage
Thuis knapte ik af op de hooggespannen verwachtingen van
mijn ouders. Voor hen was onderwijs iets heiligs: het
enige dat leek te tellen, waren de schoolprestaties van
hun kinderen. Ze wilden me klaarstomen voor een wereld
waarin zij zelf de weg niet goed kenden en konden niet
bevatten dat ik andere keuzes zou gaan maken dan zij voor
ogen hadden. De taakopvatting van mijn ouders zou ongetwijfeld
veel waardering hebben gehad van iemand als André Rouvoet
(minister voor Jeugd en Gezin in het laatste kabinet Balkenende),
maar in mijn ogen was hun manier van leven steeds meer
een stressvolle en tobberige onderwerping aan de heilige
drie-eenheid van carrière, huis en gezin. Voor mij geen
aantrekkelijk voorbeeld om later te volgen: zelf zou ik
er niet gelukkig van worden en de rest van de wereld,
die steeds meer tekenen van uitputting en overbevolking
ging vertonen, zat er ook niet op te wachten.
Ik zette steeds meer vraagtekens bij alles wat van mij
verwacht werd, maar had nog geen overtuigend alternatief
voorhanden. Mijn ouders konden stellig beweren dat ik
helemaal vrij was om mijn eigen keuzes te maken (ze peperden
me alvast in dat ik later niet moest gaan verkondigen
dat ik van hen zo nodig had moeten studeren...), maar
die keuzes moesten uiteindelijk wel hun goedkeuring krijgen.
Het werd niet op prijs gesteld dat ik verder keek dan
hun eigen blikveld toeliet. Ze kenden maar één recept
voor een zinvolle manier van leven, waarvan ze de ingrediënten
al keurig hadden uitgestald om te voorkomen dat ik, in
hun eigen woorden, 'door scha en schande' wijs
zou moeten worden. De overdosis aan dwangmatige goede
bedoelingen had ik graag ingeruild voor een beetje meer
ontspannen begrip. Dat laatste zou ik uiteindelijk nog
het meest vinden bij een paar leraren.
Na het derde jaar kreeg ik een herexamen Grieks, wat betekende
dat ik de hele zomervakantie moest gaan werken aan mijn
meest gehate vak, waarvan niemand mij kon uitleggen wat
de zin ervan was. Ik had toen beter naar een andere school
kunnen gaan, maar mijn ouders gingen er stilzwijgend van
uit dat ik mijn best zou doen om toch in het volgende
jaar van het gymnasium te komen. Dat deed ik onder druk
van een misplaatst schuldgevoel (mijn ouders vonden immers
dat ik dankbaar moest zijn dat ik naar deze school mocht
gaan), maar wel met de grootst mogelijke tegenzin en vastbesloten
om niet nòg eens een zomer zo te laten verpesten. Dus
voerde ik in de vierde klas niets meer uit na de paasvakantie,
zodat ik zeker zou blijven zitten en tenminste weer een
echte vakantie zonder schooltaken zou hebben. Vervolgens
zou ik nog enkele jaren mijn tijd op deze school uitzitten
zonder echt te geloven dat ik er ooit nog met een diploma
van af zou komen. Vier jaar lang (van 1973 tot en met
1976) had ik in de oneven jaren een herexamen (Grieks
of Latijn) en bleef ik in de even jaren zitten. De laatste
twee jaar ging het weer beter. Wel hield ik er een intense
afkeer van dit soort schoolsystemen aan over.
Elke keer wanneer ik mijn rapport had laten zien, tierde
mijn moeder dat ik mijn toekomst verknalde en bedolf ze
mij met haar jeugdtrauma's en gemiste kansen. Overigens
maakte ze op geen enkele manier aannemelijk dat ze het
verder geschopt zou hebben als ze meer kansen had gekregen,
maar het was taboe om hardop tegen haar te zeggen dat
ze verwachtingen koesterde waar ze zelf nooit aan zou
hebben kunnen voldoen. Ze had zich nooit ontworsteld aan
de simpele en stichtelijke moraal van meisjesboeken en
damesbladen uit de vroege jaren vijftig (bij het zien
van een klassenfoto kon ze het een keer zelfs niet laten
om een paar ideale schoondochters voor mij aan te wijzen)
en stond stijf van de tegeltjesspreuken waarmee ze haar
kinderen tot succesnummers dacht te kunnen drillen. Ik
moest 'woekeren met mijn talenten' of anders
maar een baantje gaan zoeken.
Hoewel mijn moeder van huis uit niet gebukt ging onder
een streng geloof, vertoonde ze verder alle trekken van
een bloedserieuze cultuurcalvinist; het leven was voor
haar geen feest. Een groot denker was ze niet, maar over
allerlei nieuwe verschijnselen die ze niet begreep, had
ze wel een ongezouten mening: ongehuwd samenwonen was
'hokken', vrouwen die demonstreerden voor het
recht op abortus waren 'hoertjes', mannen met
lange haren waren vies en onverzorgd, homo's en kinderloze
echtparen waren sneu, mannen zonder fatsoenlijke baan
of carrière waren 'kneusjes'. Als er op de TV
gezoend werd, reageerde ze alsof er iets obsceens werd
vertoond (tijdens de mooie naaktscènes van Pleuni Touw
in de serie 'De Stille Kracht' was ze geschokt en siste
ze vol afschuw dat dit 'een slechte vrouw' was).
Ook over vrouwencafés of baaldagen kon ze tijdens het
afwassen flink te keer gaan; en alles wat hip, ludiek
of onconventioneel was, vond ze maar raar.
Het was vast niet de bedoeling van mijn moeder geweest
om mij te stimuleren over al deze thema's eigen opvattingen
te ontwikkelen die anders waren dan de hare, maar dit
was wel het effect van het ongevraagd ventileren van haar
mening over alles wat niet in haar vertrouwde wereldje
paste. Wanneer ik openlijk commentaar gaf dat haar niet
beviel, kreeg ik mijn kritiek als een boemerang retour.
Ik moest niet denken dat ik iets te vertellen had zolang
ik niet met goede rapportcijfers thuiskwam! Soms voegde
ze er nog aan toe - als verzachtende omstandigheid? -
dat ik de slechte eigenschappen van mijn beide opa's had
meegekregen (in mijn herinnering twee bejaarde mopperkonten:
de een was een zelfstandige en koppige Wieringse visser,
die als negentiger nog lange monologen af kon steken over
gruwelijke verkeersongelukken op de Afsluitdijk en ander
wereldleed; de ander was een Westfriese arbeider met twaalf
ambachten en dertien ongelukken, die een eenzame verbale
strijd voerde tegen het kapitalisme).
Mijn
moeder leek niet in staat om te beseffen dat haar gedrag
genant was en dat ik in veel opzichten best een makkelijke
puber was. Ik rookte niet, dronk niet, maakte de straat
niet onveilig en hield me niet bezig met sex, drugs en
rock-'n-roll. Mijn ouders hadden pech dat ik een eigen
wil had en niet het brave modelkind wilde zijn dat zij
graag op de wereld hadden willen zetten; ik had pech dat
ik niet in een warm nest van creatieve levensgenieters
op kon groeien.
Mijn moeder bleef angstvallig hangen in haar eigen schijnzekerheden.
Tegelijkertijd was ze stronteigenwijs. Met de buitenwereld
had ze steeds minder contact (in IJmuiden sprak ze nog
met de buren, maar in Velsen Zuid keken die op mijn ouders
neer). In plaats van zich in iemands achtergrond te verdiepen,
vulde ze zelf met behulp van haar eigen normen in wat
anderen in een bepaalde situatie zouden moeten doen of
denken. Vervolgens ging ze ervan uit dat haar zienswijze
overeenkwam met de realiteit. Communiceren met haar was
dan ook een niet geringe uitdaging. De simpelste manier
om het thuis nog een beetje gezellig te houden, was ja
knikken, zoveel mogelijk negeren wat er gezegd werd en
verder je eigen gang gaan. Het ja knikken hield ik nooit
lang vol. Jarenlang zou ik doormodderen tussen lusteloos
conformisme, stille sabotage en openlijk verzet.
Terwijl ze haar best deed om mijn broer en zussen - die
drie tot tien jaar jonger waren - zo lang mogelijk zoet
te houden met spelletjes en verhaaltjes (wel Pinkeltje
maar zeker geen Pippi Langkous: dat was een raar meisje
dat geen goed voorbeeld gaf!), wist mijn moeder zich geen
raad met mijn oppositie. Op de planeet waar zij vandaan
kwam, liepen immers alleen dankbare, ijverige en welopgevoede
tieners rond, die geen kritiek hadden op hun hardwerkende
ouders.
Mijn vader was subtieler en kon soms reageren met een
licht onderkoelde humor, maar hij was ook een conformist
die confrontaties het liefst uit de weg ging. Hij verborg
zijn emoties zoveel mogelijk achter een façade van vormelijkheid.
Voor zijn werk en studie kon hij zich urenlang afzonderen
achter zijn bureau. De huiselijke beslommeringen en de
opvoeding van zijn kinderen liet hij grotendeels over
aan zijn vrouw. Als ik ruzie had met mijn moeder, koos
mijn vader automatisch haar kant; anders zou ook hij op
zijn donder krijgen. Eén van de lijfspreuken van mijn
moeder was dan ook: "Man en vrouw zijn één in het
huwelijk" (en mocht dat principe onverhoopt worden
geschonden, dan gold nog altijd: "Scheiden is blijven
zitten in de eerste klas van het leven").
Na jaren avondstudie was mijn vader leraar geworden (godzijdank
niet op het Felisenum, al voelde ik me daar wel verplicht
om af en toe te laten zien dat ik geen braaf leraarszoontje
was). Ook hij was gevormd in de jaren veertig en vijftig
en verkeerde in de waan dat zijn eigen kinderen geen enkele
reden hadden om lastige pubers te worden. Hij had er moeite
mee zijn leraarspet af te zetten als hij thuis was en
vond dat ik leefde als 'een luis op een zeer hoofd'.
In
het eerste jaar kwam hij mijn huiswerk nog wel eens overhoren,
maar dat gaf hij al snel op met de verzuchting: "Als
jij ooit een diploma haalt, kunnen ze het beste mijn naam
erop zetten." Keer
op keer vertelde hij dat hij zelf in 1940 met negens en
tienen van de mulo gekomen was. Op ouderavonden wilde
hij àl mijn leraren spreken. Dan waren de rapen gaar.
Alleen Roos Haverkamp, die Nederlands gaf, was positief
geweest. Ze had tegen mijn vader gezegd dat ze me een
leuke jongen vond en dat het met mij uiteindelijk wel
goed zou komen. Toffe vrouw, die Roos.
|
| |
eigentijds
Roos Haverkamp (die later als Roos Lubbers naam zou maken op
het Barlaeus gymnasium in Amsterdam) deed haar intree in mijn
derde jaar. Hoewel ze tot dezelfde generatie behoorde als haar
voorgangster Oskamp (die wellicht ook, zoals vele babyboomsters,
later weer onder haar eigen naam Beintema door het leven is
gegaan), was er een opvallend verschil in stijl tussen deze
dames. Een stevige tante uit een dorp in Noord-Holland, die
niet aarzelde om een leerling voor rund of koe uit te maken
en de orde handhaafde door keihard met het houten handvat van
een bordenwisser op tafel te slaan, werd opgevolgd door een
tengere, goed geklede en welriekende vrouw uit Amsterdam, die
ons op een elegante maar vastberaden wijze kennis liet maken
met haar eigentijdse opvattingen.
Ik heb veel aan haar lessen gehad. In plaats van te verzuchten
dat ik beter op zou moeten letten, stimuleerde ze me juist om
mijn eigen gang te gaan en zelf te ontdekken waar ik goed in
was. Rond mijn zestiende werd ze erg enthousiast over de opstellen
die ik inleverde, waardoor ik steeds meer plezier in schrijven
kreeg. Ook heeft ze mij, precies toen ik daar hard aan toe was,
geholpen met het ontwikkelen van andere normen en waarden dan
ik van huis uit had meegekregen. Zo haalde ze tijdens een discussie
over legalisering van abortus de simpele wijsheden van mijn
moeder onderuit door te verkondigen dat ieder meisje in mijn
klas zwanger kon worden. Tot dan toe was mij altijd voorgehouden
dat dit ondenkbaar was zonder huwelijk en had ik er verder maar
niet over doorgevraagd. (Even leek zelfs 'draadloze' bevruchting
tot de reële mogelijkheden te horen, tot bij mij het kwartje
viel na het lezen van stiekem op school verspreide pornoblaadjes;
hierin werd eindelijk het paringsproces zelf uitvoerig en prikkelend
beschreven, terwijl tijdens de biologielessen elke nieuwsgierigheid
hiernaar was gesmoord in eindeloze uitweidingen over eisprongen
en celdelingen).
Niet iedereen was gecharmeerd van de lessen van Roos Haverkamp.
Dat bleek toen een voor mij onbekend gebleven klasgenoot tijdens
de pauze 'haverconcentratiekamp' op het schoolbord
had geschreven. Waar andere leraren een klopjacht naar de dader
zouden zijn begonnen, besloot Roos de uitdaging in eerste instantie
te negeren en gewoon les te geven. Een paar dagen later begon
ze zonder enige uitleg, maar stijlvol en doeltreffend, voor
te lezen uit 'Ondergang' van Jacques Presser; eerst
kalm en routineus, maar na een tijdje verschenen er tranen in
haar ogen. Muisstil luisterden we toe. Zonder gebruik te maken
van dreigementen, verklikkers en sancties werd ons duidelijk
gemaakt dat er een grens was overschreden.
Helaas vond Roos na drie jaar een andere baan. Haar vakgenoten
en opvolgers - de goedmoedige provinciaal Don, de dandy-achtige
Lex ter Braak en het museumstuk Van Eck - konden haar niet echt
vervangen. |
| |
rode
deur
Vaak moest ik me melden achter de rode deur van de rectorskamer.
Soms wist ik niet eens waarom, maar wat maakte het ook
uit: leraren kon ik met mijn ongemakkelijke mix van schroom
en boosheid toch niet behagen en bij gebrek aan beter
leek de geuzenrol van zondebok zo gek nog niet. Af en
toe een relletje was ook broodnodig voor onze sociale
vorming: nogal wat docenten lieten zich dan rap ontmaskeren
als naar spruitjes geurende keizers zonder kleren.
Rijk Kofman was overigens een sympathieke en integere
rector. Als een eerbiedwaardige Albus Perkamentus paste
hij de laatste jaren voor zijn pensionering op de school,
nadat zijn voorganger Nederlof ziek geworden was. Hij
had deze job niet geambieerd en leed niet aan de kapsones
waar eerzuchtige leidinggevenden vaak last van hebben.
Ook had hij zelf vroeger op de HBS gezeten, waardoor hij
beter dan anderen besefte dat het gymnasium niet zaligmakend
was.
Verder wist
hij met onzekere en beweeglijke jongetjes om te gaan.
Ambtshalve sprak hij me ouderwets vermanend toe en soms
dreigde hij me van school te sturen, maar hij liet me
wel in mijn waarde. Achter de jampotglazen van zijn bril
school een vriendelijke blik; ik kreeg nooit het gevoel
dat hij een hekel aan me had. Zijn kalme terechtwijzingen
werkten beter dan de harde maatregelen van anderen, die
bij mij slechts verontwaardiging en verzet opriepen.
Voordat hij rector werd, was Kofman een inspirerende natuurkundeleraar.
Nadat hij had uitgelegd hoe een pomp werkt, ging ik er
thuis zelf een bouwen van stukjes buis, ijzerdraad en
kurk. Ik was toen amper veertien, maar mijn vader kon
het weer niet laten om mijn creativiteit met kurk te beschouwen
als het embryonale stadium van een wetenschappelijke carrière
en overviel me met een brochure over opleidingen aan de
TU Delft.
Zelf dacht ik op dat moment meer aan een leven als vuurtorenwachter
op Terschelling, maar mijn vader zag liever dat ik zijn
eigen, ook al niet erg realistische dromen waarmaakte.
Onbezorgd knutselen en pretentieloos fantaseren werd niet
langer gewaardeerd. En bij de warhoofden Van Heijst en
Jansen, die als onervaren twintigers de lessen van Kofman
gingen overnemen, was mijn kalverliefde voor het vak natuurkunde
voorgoed passé.
|
| |
shock
and awe
Als ik pech had, was Kofman er niet en zat conrector Groenhart
achter de rode deur. Altijd met een gladgeschoren tronie, strak
gekamd en gedast, popelend om zelf rector te worden, wat hem
uiteindelijk in Alkmaar gelukt is.
Hij was oud-leerling van deze school en voelde zich geroepen
om de gymnasiale mores uit zijn jeugd streng te bewaken, het
liefst met 'shock and awe'-methodes. Cartoons in mijn
schriften en erotische poëzie van klasgenoten in de schoolkrant
moesten sneuvelen in zijn kruistocht tegen alles wat riekte
naar subversie. Berucht waren zijn 'razzia's'. Groenhart observeerde
dan vanuit de gang een les van een collega, gooide plotseling
de deur open en riep driftig: "Jij, jij en jij daar,
meekomen!"
Bij sommige lessen gebeurde dit zo vaak, dat we een alarmsignaal
ontwikkelden. Zodra het hoofd van Groenhart voor een ruit verscheen,
werd er "Razzia, razzia" door de klas gefluisterd,
soms met de toevoeging "Grüne Polizei".
Effectief was dit alarm echter niet. Groenharts gezag berustte
op repressie, niets doen was voor hem geen optie: hij wist precies
wie hij wilde pakken.
Op een dag viel ik, pisnijdig na anderhalf uur nablijven, onaangekondigd
Groenharts kamer binnen om mijn strafwerk resoluut op zijn bureau
te dumpen en vervolgens naar huis te gaan. Op dat moment had
hij een ernstig gesprek met Max Verstappen (www.maxverstappen.nl),
misschien wel een laatste poging om Max ervan te overtuigen
dat kennis van morsdode talen veel belangrijker was dan poppentheater.
Max vertelde me later dat Groenhart ziedend was over mijn actie.
Tja, hij mocht zijn principes hebben, ik was de mijne aan het
ontwikkelen en vond hem maar een sneue dienstklopper.
In een zeldzame vlaag van verlichtheid leek Groenhart zich wel
eens te willen verdiepen in de zieleroerselen van zijn lastpakken.
Hij vroeg mij een keer of de NJN niks voor me was, waar Marjolein
Smit wervende stukjes over schreef. Misschien zou ik het bij
deze natuurjongeren wel naar mijn zin hebben gehad, maar ik
zat inmiddels te slecht in mijn vel om me bij wat voor groep
dan ook aan te sluiten, laat staan op advies van Groenhart. |
| |
|
Felisenum,
klas 2C met een nog niet zo oude heer Tromp (1972) |
| |
einzelgänger
Ik kreeg het gevoel dat niemand iets van mij begreep, werd steeds
meer een einzelgänger en dook onder in mijn fantasie. Op
school had ik wel contact met klasgenoten, daarbuiten was ik
na het eerste jaar steeds vaker alleen.
Afzondering leek uiteindelijk de beste manier om mezelf te kunnen
zijn; in ieder geval beter dan proberen me te conformeren aan
de vaak tegenstrijdige normen van ouders, leraren of leeftijdgenoten.
Zonder mensen om me heen voelde ik me soms wel wat eenzaam,
maar ook een stuk rustiger en was ik tenminste vrij om te doen
wat me boeide, zonder het ongemakkelijke gevoel te hebben dat
ik allerlei stunts uit moest halen of interesses moest veinzen
om ergens bij te horen.
Gelukkig hoefde je in die jaren nog niet mee te doen aan
allerlei door de commercie opgelegde leefstijlen. De gsm
bestond nog niet, van sms'en of chatten had nog niemand
gehoord. Wat voor een doorsnee tiener belangrijk hoort te
zijn, interesseerde me niet echt. Bovendien had ik er geen
geld voor. Ik meed grote fuiven waar je hoorde te doen alsof
je uit je dak ging en kon mezelf uitstekend vermaken met
bezigheden waarmee je geen vrienden maakt, maar waarvoor
je ze ook niet nodig hebt. Zo werd ik een 'Eenzaam Priemgetal'
met Joe Speedboot-achtige illusies.
Urenlang kon ik wegdromen op het strand; als het stormde met
springtij, ging ik kijken hoe de buitenste duinenrij door de
branding werd aangevreten. Ook fietste ik vaak meer dan honderd
kilometer op een dag om mijn overtollige energie kwijt te raken
en me even vrij te kunnen voelen. Op een landkaart markeerde
ik alle wegen waar ik gefietst had en beschouwde dat gebied
als mijn imperium. Verder hield ik bij wat voor weer het was
geweest en legde dat in grafieken vast. Op mijn kamer tekende
ik kaarten van gebieden die niet bestonden, die ik snel onder
een stapeltje schoolboeken schoof als ik mijn moeder met een
kop thee de trap op hoorde komen. Op mijn zestiende bracht ik
zelfs uren door in de bibliotheek van de Topografische Dienst.
Wanneer iets mij boeide, had ik geen moeite meer met urenlang
stilzitten.
Later ging ik met steeds meer plezier lezen: meestal opiniebladen
en reisverhalen, maar toen ik wat ouder werd was ik ook
niet vies van romans. En jawel, last but not least fantaseerde
ik over wilde avonturen met bloedmooie meiden, die ik in
de verre toekomst nog wel mee zou gaan maken als ik geen
scholier meer was en niet meer bij mijn ouders zou wonen.
De werkelijkheid was te grauw, ik overleefde in mijn verbeelding.
|
| |
|
klein
fragment van een zelf verzonnen landkaart; de hele kaart was
enkele meters lang (1976) |
| |
Bint
Iets van die verbeelding herkende ik in de geschiedenislessen
van Karst Bouman. Eindeloos kon hij uitweiden over de hofhouding
van Lodewijk XIV. Dat was heel wat anders dan zijn eigen gezin
met zeven kinderen in een niet zo ruim bemeten woning in Amsterdam...
Wellicht droomde hij van glamour en maîtresses; of op
z'n minst van een romance met een leerling, wat echter alleen
was weggelegd voor de latere rector Lex ter Braak.
Bouman vertelde over zijn diensttijd in Indonesië en zijn
fietstocht naar Parijs, die eindigde met een overdosis cider
achter in een vrachtwagen. Hij las voor uit Max Havelaar over
Saïdja en Adinda en zong de Marseillaise en de Internationale.
Ook speelde hij Bint in een verfilming van Bordewijks gelijknamige
roman, uitgezonden door de VPRO.
Jammer dat Bouman het nodig vond om in de vierde klas, net
toen ik het aardige van zijn lessen ging beseffen, maandenlang
les in saaie staatsinrichting te geven, waardoor hij niet
meer aan de geschiedenis van de twintigste eeuw is toegekomen.
Wie voor een bètapakket koos, moest geschiedenis in het
vijfde jaar laten vallen en had op deze school bitter weinig
over de achtergronden van de beide wereldoorlogen opgestoken!
Alleen de alfa's konden eindexamen in geschiedenis afleggen,
met verplicht Latijn én Grieks erbij: mij niet gezien. |
| |
cultfiguur
Grieks kregen we van Poortman, het vleesgeworden grammaticaboek.
Maar liefst zes uur per week mocht hij doorzagen over de aoristus.
Met zijn ernst en eruditie wist hij maar weinig pubers te boeien,
al zullen sommigen van hen veertig jaar na dato hùn kinderen
wel weer wijsmaken hoe fascinerend zij de taal van Homerus altijd
gevonden hebben. Bij mij was al in de derde klas elke mogelijke
interesse in dit toch al niet zo zinvol lijkende vak voorgoed
verdwenen tijdens de chaotische lessen van Brakke des Bouvrie:
daar werd al mijn aandacht in beslag genomen door experimenten
met kneedgum en de zinderende mondharpimprovisaties van Toon
Broekman, die ook zo prachtig diep vanuit zijn keel, zoals Tibetaanse
monniken dat doen, "Tired!" door de klas
kon roepen.
Al in de allereerste week dat we les in Grieks kregen, had ik
besloten om na het vierde jaar deze dode taal niet in mijn vakkenpakket
op te nemen. Ik vond het krankjorem dat iedereen op deze school
werd geacht om minstens twee jaar lang veel tijd en energie
te steken in het vertalen van hooguit enkele tientallen bladzijden
Oudgriekse literatuur: in de praktijk een vorm van zelfkastijding
die je moest ondergaan als een ontgroeningsritueel om later
bij een elite te mogen horen die zich door een klassieke opleiding
denkt te kunnen onderscheiden van het klootjesvolk.
Zolang ik niet van dit vak af kon komen, probeerde ik zoveel
mogelijk af te kijken bij Paul Keemink, een pientere en behulpzame
klasgenoot die naast me zat en wat ambitieuzer was ingesteld,
om voor mijn ouders toch nog enigszins acceptabele rapportcijfers
bij elkaar te harken.
Poortman vroeg zich hardop af of ik niet beter naar de bakkersschool
had kunnen gaan. Zes uur per week taarten bakken in plaats
van Homerus lezen zou voor mij zeker geen slechte ruil zijn
geweest. Overigens heerste onder Poortman een mild regime,
waardoor ik me tijdens zijn lesuren wel wist te vermaken.
Als ik onder de les niet druk bezig was om met behulp van
een neusdruppelaar en een stukje ventielslang lege inktpatronen
te vullen met ecoline, doodde ik de tijd door het miskende
genie doctorandus E.L.J. Poortman tot in de finesses te
observeren en uit te tekenen. Zijn voornaam kende ik niet,
dus bedacht ik die zelf met behulp van zijn voorletters:
Eppo Lieven Joachim. Soms vertoonde Poortman een lichte
zelfspot en hij was hoe dan ook een meesterlijk vertolker
van de Ondraaglijke Saaiheid van het Bestaan. Ook Rob Naborn
zag wel een cultfiguur in hem en bracht een serie 'E.L.J.
Superstar' stickers in omloop. Jiskefet avant la lettre.
|
| |
ablativus
absolutus
Boomgaard zette zijn leerlingen graag in de zeik, maar als je
een grap met hèm uithaalde had hij een kort lontje. Ik
kreeg met hem te maken door in de pauze een brok ijs uit het
vijvertje in de schooltuin speels neer te leggen op de stoel
van Willem Prins, een nogal gestreste nieuwe leraar die wel
wat afkoeling kon gebruiken. Prins is niet gaan zitten. Een
uur later nam Boomgaard het lokaal over en vond een plasje ijswater
met wat kroos op zijn stoel. Ondertussen was ik met mijn klasgenoten
al naar een ander lokaal vertrokken, maar Boomgaards leerlingen
moeten op dat moment van een alleraardigst tafereeltje hebben
kunnen genieten.
Aanvankelijk leken mijn klasgenoten de grap met het ijs wel
te waarderen. Zodra echter bleek dat Boomgaard alles in het
werk zette om er achter te komen wie verantwoordelijk voor deze
actie was, bleek de steun van mijn klasgenoten boterzacht te
zijn. De hele klas moest nablijven totdat de dader bekend had.
Al snel bleek de een na de ander bereid te zijn om mij te verklikken.
'Kees geef je aan', zeiden sommigen hardop.
Nog dezelfde winter werd ik overgeheveld van klas 2c naar 2b,
waardoor ik voortaan Latijn van Boomgaard zou krijgen: vele
jaren lang vijf uur per week huiveringwekkende kanonnades over
de ablativus absolutus bij deze humeurige houwdegen en theatrale
salonrevolutionair. Shit happens…
Boomgaard was een vat vol tegenstrijdigheden en gedroeg zich
als een ex-gereformeerde die op zoek was naar een nieuw geloof.
Hij was gek op theater, flirtte met het antiautoritaire gedachtegoed
van de jaren zestig en zeventig en noemde zichzelf zonder verdere
toelichting een feminist. Tegelijkertijd voerde hij tijdens
de les een schrikbewind.
Op een dag liet hij de maatschappijkritische toneelgroep Proloog
langskomen; de acteurs kwamen geen voorstelling geven, maar
stelden in een kringgesprek het traditionele schoolsysteem met
cijfers en rapporten ter discussie. Wie echter de illusie had
dat Boomgaard zijn manier van lesgeven nu radicaal om zou gooien,
kwam bedrogen uit. Als een bezetene bleef hij zien en controleren
wat er tijdens zijn lessen gebeurde - of je wel de juiste aantekeningen
maakte, wat voor kleding je aanhad, dat je op je nagels beet
of snel even in je neus peuterde - en voorzag alles wat je deed
van een kleinerend commentaar.
Boomgaard wist hoe hij zijn 'karbonaadjes' moest
braden. Een meisje met pukkels werd door hem genadeloos
voor 'krentenmik' uitgemaakt. Nooit heeft hij les
in Romeinse geschiedenis gegeven of meer dan oppervlakkig
iets verteld over de Romeinse cultuur (daarvan heb ik later
tijdens vakanties in Italië en Frankrijk meer opgestoken
dan gedurende acht jaar gymnasium, waar alle aandacht eenzijdig
gericht was op het leren vertalen van Latijnse teksten),
wel moesten we in het examenjaar opeens twee A4'tjes met
namen van Romeinse keizers, hun oorlogen en de daarbij horende
jaartallen in ons hoofd stampen. Alsof we niks beters te
doen hadden! Ik weigerde het pertinent; al zou ik het hebben
geprobeerd, ik was simpelweg te kwaad om ook maar één jaartal
te kunnen onthouden (dat mijn klasgenoten deze nutteloze
treiterlijsten wel zonder een spoor van verzet uit hun hoofd
leerden, zegt iets over de kadaverdiscipline die op deze
school werd nagestreefd). Beseffend dat het me nooit zou
lukken om Boomgaard over te halen van zijn voornemen af
te zien, besloot ik tot een persoonlijke boycot. Tijdens
het schoolonderzoek liet ik alle vragen over de lijst met
jaartallen simpelweg onbeantwoord. Dat ik hierdoor een vette
onvoldoende kreeg, kon me weinig schelen; het gaf mij wel
een goed gevoel dat ik niet was gaan zwoegen voor deze tiran.
Boomgaard was des duivels en dreigde mij dezelfde lijst
bij een volgend schoolonderzoek nòg eens voor te schotelen,
maar ik wist net zo goed als hij dat dit wettelijk verboden
was. En hoe groter zijn irritatie, des te zoeter mijn wraak.
Gelukkig kon hij bij het landelijk eindexamen, waar alleen een
tamelijk simpele tekst van Caesar vertaald moest worden, geen
roet meer in het eten gooien. Wel kwam dit lekkere dier mij
na de diploma-uitreiking doodleuk vertellen dat hij me er toch
maar mooi doorheen gesleept had!
Jaren daarvoor had hij ons al willen dwingen om het schoollied
te leren. Ik had me verzet en was voorgoed in ongenade gevallen
bij Boomgaard. Het bombastische 'Gymnasii tandem' was
geschreven door oud-rector Brommer (die na onze verhuizing uit
IJmuiden een dementerende overbuurman bleek te zijn) en diende
bij bijzondere gelegenheden gezongen te worden. Ik heb het nooit
over mijn lippen gekregen. |
| |
|
Felisenum,
klas 4B met invalster Derks, die de zwangere Roos Haverkamp
verving (1974) |
| |
sjoemelen
Surrealistisch waren de lessen van Snippe. Nog hoor ik zijn
krijtjes vinnig op het schoolbord tikken terwijl hij razendsnel
eindeloze koolwaterstofstructuren uitschrijft en, happend naar
adem, namen van verbindingen uit zijn keel laat ontsnappen die
mijn ene oor in en het andere weer uitgaan. Leek de chemie uit
de boeken nog op een lastig, maar wel te bevatten systeem van
natuurwetten en hypotheses met oneindig veel uitzonderingen
op de regels, na Snippes onstuimige uitleg bleef niks anders
over dan de totale entropie van de oerknal.
Van het practicum heb ik vooral opgestoken hoe de Wet van Murphy
werkt. Rieuwert van Bodegraven onderging zijn vuurdoop al bij
de eerste scheikundeles, toen hij van Snippe een reageerbuisje
vast moest houden waaruit even later een fikse steekvlam omhoogschoot.
Snippes proefwerken waren alleen goed te maken als je van tevoren
de vragen kende. Deze werden meestal gestencild. Soms konden
we de moedervellen tijdig uit een prullenbak vissen. Cees Broek
had het lef om de vragen uit een la in het scheikundelokaal
te trekken, maar werd betrapt.
"Maffiapraktijken!" concludeerde Snippe.
Wie zijn lessen niet bij kon benen, moest maar naar een andere
school gaan. Snippe had mij al helemaal opgegeven: op een ouderavond
had hij gesuggereerd dat de mavo misschien een beter schooltype
voor mij zou zijn.
Cees zal het zwaar hebben moeten bezuren, maar bij leraren die
van hun toch al niet erg boeiende vak een ondoorgrondelijk mysterie
maakten, moest je nu eenmaal sjoemelen. Het was vaak de enige
manier om in een hoger jaar te komen en de explosieve relatie
met pa en ma niet nòg meer onder druk te zetten, tot
je de rottigste vakken kon laten vallen. Het doel heiligde de
middelen. |
| |
peukenhoopje
En dan had je aan het eind van de gang nog de heren
Tromp en Valter. Vermoeide mannen ver voorbij hun midlifecrisis,
overduidelijk gevangen in een uitzichtloze carrière
of een vastgelopen huwelijk.
Tromps lessen waren in dichte walmen gehuld. De man
was niet meer te redden van zijn rookverslaving. 's
Winters sleepte hij zich zuchtend en kuchend naar de
wastafel om zijn peuken te blussen, 's zomers kwam hij
niet meer van zijn stoel; dan vlogen de sigarettenstompjes
door het open raam naar buiten en belandden boven op
het immer smeulende peukenhoopje op de stoep voor lokaal
2.
Tromps sarcasme was subliem en zijn commentaren waren
erg ad rem. "Ik word al moe als ik je zie",
bromde zijn nasale stem tegen mij. "Zie buurman",
schreef hij bij de sommen die ik ingeleverd had. "Als
je beter op zou letten, haalde je moeiteloos achten."
Een vernietigende blik over de op zijn neuspunt geparkeerde
brillenglazen wist elk protest in de kiem te smoren.
Ook in zijn strak omlijnde taalgebruik was Tromp niet
te verslaan. Uitspraken als "Een gat is niets
met iets er omheen" en "Bepalen is
ergens paaltjes omheen zetten", zullen me
altijd bijblijven.
Even leek er een heuse Trompdynastie te ontstaan, toen
ook Tromp junior wiskunde kwam geven. Pas na enkele
maanden bleek dat de jonge Tromp nooit was afgestudeerd
en zich als een Charles Schwietert in zijn baan had
gebluft. De nieuwe rector Van Benten zag zich genoodzaakt
hem op staande voet te ontslaan. Misschien is dit wel
zijn redding geweest en is hij toch nog aan het lot
van zijn vader ontsnapt. |
|
|
|
wiskundeleraar
Tromp, getekend door Bart Wolters; de Griekse letter
thèta is hier gebruikt om Tromps manier van spreken
na te bootsen |
|
| |
eindejaarsbonus
Valter smachtte naar de VUT en de dag dat hij naar zijn villa
in Zuid Frankrijk kon vertrekken. Heel wat tijd heeft hij gevuld
met foeteren op het kabinet Den Uyl en klagen over de belastingdruk.
Hij heeft me gematst in het laatste jaar dat ik Frans had. Laconiek
deelde hij mee dat iedereen voor de laatste toets van dat schooljaar
een acht gehaald had. Niemand kreeg zijn eigen werk meer te
zien. Had Valter geen zin meer gehad om alles na te kijken of
was het een wanhoopspoging om nog een paar zieltjes voor zijn
vak te winnen?
Hij kon het slecht verkroppen dat Duits veel vaker als examenvak
werd gekozen dan Frans, ondanks de geringe populariteit van
zijn collega Hof. Met name degenen die in de tweede of derde
klas een jaartje hadden kunnen donderjagen tijdens de Franse
lessen van Scholten, haakten af. Misschien was Valter oprecht
bezorgd over de teloorgang van zijn vak, maar met zijn jaarlijks
slechter wordende humeur werden zijn lessen echt niet aantrekkelijker;
helemaal niet toen hij een microfoon voor de klas ging gebruiken,
waardoor niet alleen zijn "Venez ici", maar
ook zijn solo fluitconcerten, driftige vingergeknip en mopperbuien
flink werden versterkt.
In ieder geval kon ik dankzij de eindejaarsbonus van Valter
op het nippertje van mijn tweede vierde jaar naar mijn eerste
vijfde jaar, maar ben ik misschien ook een paar relaxte jaren
op de Vissering (een kilometer verderop, waar je terecht kon
voor havo/atheneum in een ontspannen schoolcultuur) misgelopen…
|
| |
Übungsmeister
De lessen van Hof waren geen theatrale hoogstandjes, al
had hij - beteuterd sabbelend aan zijn pijp tijdens al die
vruchteloze invuloefeningen uit 'der Übungsmeister'
- ontegenzeggelijk een heel eigen sleurvariant op de kaart
gezet. Wel interessant vond ik de tijd die hij besteedde
aan de opkomst van het Derde Rijk (waar Bouman niet meer
aan toegekomen was), de naoorlogse Ostpolitik of het vertonen
van bijzondere films, zoals 'Landschap na de Slag' van Andrzej
Wajda. En uiteindelijk heb ik bij hem redelijk goed Duits
geleerd, waar ik later in persoonlijke contacten met Duitse
vrienden veel aan heb gehad. Toch was Hof bij velen verschrikkelijk
impopulair. In de ogen van een aantal dominante klasgenoten,
die er nogal van overtuigd waren de waarheid in pacht te
hebben, kon hij niks goed doen. Hij had dan wel weinig flair
en was sociaal niet zo handig, maar Hof was heilig vergeleken
bij een aantal docenten, die hun geniepigheid wisten te
omhullen met een laagje charisma en de populaire types in
de klas voor hun karretje wisten te spannen.
Onstuimiger waren de lessen van Guido Robbens, die in de tweede
klas Duits had gegeven. Met zijn Vlaamse accent en steile driftcurve
liet hij makkelijk de draak met zich steken, maar hij koesterde
geen wrok tegen zijn plaaggeesten. Ontwapenend kon hij vertellen
over zijn eigen schooltijd in Gent, waar orde, tucht en respect
voor docenten nog met lijfstraffen werden afgedwongen.
|
Erg
geslaagd vond ik de schrijfsessies die Robbens aan het
eind van elk trimester organiseerde. Hij gaf ons dan een
lijst met woorden die we binnen een half uur in een zelfgemaakte
tekst moesten zien te verwerken. De snelle gedichten van
Paul Lameijer en mijn eigen absurditeiten werden steevast
voorgelezen.
Uiteindelijk kozen velen Duits als examenvak, zodat we
in de laatste jaren bij Hof met z'n dertigen in een lokaal
zaten. Zelf had ik dit vak gekozen omdat ik besefte dat
ik bij Valter en Snippe nooit een voldoende eindcijfer
zou halen en toch zeven vakken bij elkaar moest sprokkelen.
Aan het eind van de vijfde was ik dan ook niet ontevreden
met de zes die Hof mij gegeven had. Tot zijn verbazing
zou ik een jaar later op het schriftelijk eindexamen als
eerste klaar zijn met de Duitse tekstverklaring en maar
twee vragen anders hebben beantwoord dan Hof zelf: uiteindelijk
bleken we van de vijftig vragen er allebei één
fout te hebben.
bessenjenever
Hoogtepunten waren de schoolreizen naar Texel, Londen
en Parijs. Het waren de enige weken zonder voortdurende
spanningen of dreigende conflicten, waarin ik ontdekte
dat op stap gaan met de school erg leuk kon zijn.
Op Texel dronk ik mijn allereerste biertje, terwijl Mulder
en Groenhart jacht maakten op flessen bessenjenever, die
her en der verstopt zouden zijn. 's Avonds verborg
ik me schuchter onder de dekens toen Els Kluft, Ineke
Vendel en Gerdy ten Bruggencate nog even langskwamen om
alle jongens een nachtzoen te geven (sorry Els, Ineke
en Gerdy…), maar daarna luisterde ik met rode oortjes
naar Cees Broek, die enthousiast bloedgeile verhalen voorlas
(klasse, Cees!). Daar hadden mijn preutse seksuele voorlichters
nog veel van op kunnen steken. |
|
|
sweet
seventeen, op schoolreis in Londen (1975, mooi vastgelegd
door Martine van den Dool)
|
| |
|
|
verbeelding
en werkelijkheid
In een primitieve doka onder de trap drukte ik na schooltijd
foto's af, op weg geholpen door Paul Hölscher en Tex Zwemmer.
Ik kwam er nooit iemand anders tegen: dit soort creativiteit
werd op deze school niet erg serieus genomen. Pas jaren later
zou ik deze draad weer oppakken en van fotografie mijn vak maken.
In de schoolkrant met de keurige klassiek klinkende naam Olympus
was de tijdgeest in de kolommen geslopen; de verbeelding lonkte
er met maoïstische en anarchistische leuzen naar de macht.
In werkelijkheid had je als leerling slechts recht op wat de
docenten je gunden.
Mensen als Ernst Pans en Marcel Worms (die maar zeven jaar
ouder was dan ik, zie www.marcelworms.com)
waren sympathiek en wisten hun wiskunde- en biologielessen
aardig op te fleuren. Bij Pans, die buitengewoon prettig
en ontspannen les gaf, kreeg ik eindelijk schik in wiskunde
(en luisterde ik geboeid toe wanneer hij vertelde over de
reizen die hij met zijn gele volkswagenbusje naar Polen
en Noorwegen had gemaakt), terwijl ik bij Tromp slechts
belangstelling op had kunnen brengen voor de eigenaardigheden
van de persoon Tromp. Worms vond ik zo aardig dat ik zelfs
de citroenzuurcyclus zonder morren van buiten leerde, al
zou de hiervoor benodigde ruimte op mijn mentale harde schijf
snel weer door stokpaardjes van andere leraren in beslag
worden genomen (ik herinner me nu alleen nog de ezelsbrug
CHONSP).
Ook de uurtjes Engels bij Van der Klugt waren goed te pruimen,
al begon ik deze taal pas een beetje onder de knie te krijgen
nadat het taboe op vertalen in het Nederlands was opgeheven
en ik een paar weken in mijn eentje door Engeland had gefietst.
In het laatste jaar begon ik zelfs luistertoetsen te verstaan.
Anderen dwongen ons maar al te vaak tot liefdeloos instampen
van deprimerende en zinloze leerstof, met als voornaamste doel
je te laten beseffen wie de baas was. Leuke leraren vertrokken
vaak al na een paar jaar, de oude knarren bleven en trokken
stevig aan de touwtjes.
Kritiek was taboe, de school werd immers met fusering bedreigd.
Oude talen alleen nog als keuzevakken voor een handvol liefhebbers?
Classici gruwden van het idee en vreesden voor hun banen
en status. Het superieure imago van het gymnasium moest
gekoesterd worden. Aan mij leek het niet besteed, de veelgeroemde
vormende waarde van het gymnasiale onderwijs ten spijt.
(Mijn vriendin heeft op haar middelbare school enkele jaren
lang een paar uur per week Latijn als keuzevak gehad. Dit
werd gegeven door een docent die zijn best moest doen om
leerlingen te motiveren zijn vak te kiezen. Wie een paar
jaar Latijn had gedaan, mocht in het vijfde jaar op schoolreis
naar Rome, zonder examen in dit vak te hoeven doen. Zo kan
het dus ook!)
Tegelijkertijd had het Felisenum, met niet veel meer dan driehonderd
leerlingen, ook types als ik blijkbaar hard nodig om groot genoeg
te blijven als zelfstandige school. Iedereen zal de dorpse sfeer
een groot pluspunt van deze school hebben gevonden, maar voor
mij zat er ook een nadeel aan: als er eenmaal over je geroddeld
was in de lerarenkamer, hadden veel docenten een onwrikbare
mening over je, ook degenen van wie je nooit les had gehad.
Maar of een school nu klein of groot is, de kwaliteit van de
lessen staat of valt met de inzet en de sociale vaardigheden
van de leraren; en die waren hier niet noemenswaardig beter
dan ergens anders. |
| |
bevrijding
Allerlei incidenten en trivialiteiten uit die tijd blijken nu
beter te beklijven dan alles wat ik met tegenzin heb moeten
leren. Van Grieks ken ik alleen nog de letters van het alfabet
(en een paar prachtige namen en woorden zoals Διοτρεφης
en ευπλοκαμος,
in mijn herinnering nog altijd uitgesproken met het hoge stemmetje
van Brakke des Bouvrie), van Latijn zal ik hooguit nog een stuk
of honderd losse woorden kunnen reproduceren. Als ik de vele
uren die ik hieraan heb moeten besteden had kunnen gebruiken
om mijn Frans op hetzelfde niveau te tillen als Duits en Engels
of een wereldtaal als Spaans onder de knie te krijgen, had ik
daar tenminste wat aan gehad; nu heb ik er vooral een intense
afkeer van het dwangmatig instampen van onbruikbare kennis aan
overgehouden.
Uiteindelijk beviel het laatste jaar me nog het best. Ik wist
nu ver van tevoren wanneer ik moest scoren, zonder vrees voor
verrassingsoverhoringen en treiterbeurten. Bij de talen bleken
lage rapportcijfers uit het verleden geen enkele belemmering
te zijn voor een goed eindexamenresultaat. Ik zal ook wel iets
harder hebben gewerkt, want ik wilde dolgraag van deze school
af. Ik werd immers al twintig en de eindstreep was eindelijk
in zicht. Ik boycotte de lessen van Mulder, gooide die van Snippe
nog net op tijd uit mijn examenpakket, overleefde de schoolonderzoeken
van Boomgaard, en ervoer de laatste examendag als de ultieme
bevrijding.
|
| |
|
| |
 |
Felisenum,
examenklas met rector Van Benten (1977) |
| |
| Universiteit
van Amsterdam, Sociale Geografie en Planologie (1978-1988) |
| |
wittebroodsweken
Studeren in Amsterdam was allereerst een verademing na de
middelbare school: geen conflicten meer met docenten en
op veilige afstand van de regeltucht van mijn ouders. Zolang
zij maar dachten dat ik uiteindelijk wel leraar of - nog
beter - professor zou worden, lieten ze me redelijk met
rust, al vond mijn vader dat ik wel wat harder kon studeren
en vroeg mijn moeder zich af waarom ik niet een van de ideale
schoondochters uitkoos, die ze overal zag rondlopen.
Van tevoren had ik geen flauw benul gehad van wat me als
student te wachten stond; ik had geen oudere broer, zus,
vriend of kennis die na de middelbare school fulltime gestudeerd
had. Naïef en hoopvol sprong ik in het diepe. Wel wist ik
dat ik niet bij de corpsballen wilde horen. Ik had genoeg
van de kleinburgerlijke sfeer in het dorp waar ik vandaan
kwam en voelde me aangetrokken tot het vrijgevochten imago
van de Amsterdamse universiteit. Om niet net zo te worden
als mijn ouders, moest ik mezelf anders ontwikkelen dan
zij gedaan hadden. Niet gaan studeren was dan ook geen optie.
Interessant werk voor een twintigjarige zonder connecties
was er sowieso niet. Vakantiebanen als schoonmaker bij de
hoogovens (het enige baantje dat ik in 1976 kon vinden:
vier weken lang roet en gruis scheppen bij helse temperaturen)
en inpakker bij een papierfabriek hadden me daar wel van
overtuigd.
Het kiezen van een studierichting had simpel geleken: nadat
ik alle opleidingen die me niet interessant of te schools
leken (na 8 jaar gymnasiumsleur was ik erg kritisch geworden)
had geschrapt en vervolgens was uitgeloot voor fysische
geografie, was alleen sociale geografie overgebleven. Gelukkig
was dit een studie met veel vrijheid en weinig prestatiedruk,
zonder de rapporten en verplichte inhaaltaken die mijn schooljaren
vergald hadden. Na het eerste jaar kon ik zelf beslissen
wanneer ik een studieonderdeel af wilde ronden. Ook inhoudelijk
leek sociale geografie me wel wat; ik ging immers graag
op reis en was nieuwsgierig hoe de wereld eruitzag.
De eerste jaren haalde ik braaf mijn tentamens. In het derde
jaar ging ik me afvragen wat ik met deze opleiding nu eigenlijk
wilde. Het onderzoek in? Ambtenaar worden? Les geven? Ik
zag me al elke dag van negen tot vijf wegkwijnen achter
een bureau. Of tientallen jaren lang steeds weer hetzelfde
verhaal afdraaien voor pubers die daar helemaal niet op
zitten te wachten. En uiteindelijk helemaal voldoen aan
het huisje-boompje-beestje-ideaal van mijn ouders. Maar
waar maakte ik me druk om, dit soort banen werd toch wegbezuinigd?
De wittebroodsweken van mijn studietijd waren snel voorbij,
maar deze rekbare en verder nogal vage studie aan de UvA
bood me in ieder geval nog enkele jaren de tijd om er achter
te komen wat ik met mijn leven wilde. Enige intellectuele
uitdaging was welkom, maar na de stressvolle sleur in mijn
tienerjaren snakte ik vooral naar een beetje rust en veel
vrijheid. |
| |
droogkloten
Het Sociaal Geografisch Instituut bevond zich in het Maupoleum,
gebouwd met het snelle geld van Maup Caransa en misschien
wel het lelijkste gebouw van Amsterdam (klik
hier): lange gangen, sfeerloze collegezalen en
deprimerende kamertjes waarin het daglicht soms amper door
kon dringen.
De meeste docenten waren licht autistische droogkloten die
het vooral druk leken te hebben met het veiligstellen van
hun eigen carrière. Ik kreeg niet de indruk dat ze
met plezier hun werk deden.
Slaapverwekkend was het college 'methoden en technieken' van
Paolo de Mas. Na een paar maanden kwamen de meeste studenten
er niet meer opdagen.
De grootste zuurpruim was Turksma, van wie we sociologie kregen.
Hij was al dik in de vijftig en werd overduidelijk verteerd
door heimwee naar de tijd dat een wetenschapper nog heer en
meester was over zijn studenten.
Nog zo'n fossiel was professor Chris van Paassen. Niemand
begreep wat deze oude heer ons met zijn cryptische syllabusteksten
over het 'oecologisch complex' aan het verstand wilde
brengen.
Wel goed te volgen was Sjoerd de Vos, een jonge docent die
enkele jaren eerder Maurice de Hond was opgevolgd. Hij had
een imposante filosofenbaard (van het type dat je tegenwoordig
alleen nog
bij orthodoxe joden en moslims ziet) en gaf bijzonder heldere
colleges over statistiek.
Aandoenlijk was het chauvinisme van Mokumkenner Rob van Engelsdorp
Gastelaars. In plat Amsterdams vertelde hij enthousiast over
de geschiedenis van zijn stad. Op excursie in New York zou
hij eens vol trots zijn Amerikaanse collega's hebben verteld
dat Amsterdam óók een Word Trade Center heeft.
Petr Dostal trakteerde ons op eindeloze monologen in een ondoorgrondelijk
Nedertsjechisch. Cartografie was het vak dat hij geacht werd
te geven, maar wie dacht dat je bij hem te weten kwam hoe
je in de praktijk een fatsoenlijke kaart op papier kunt zetten,
kwam bedrogen uit. Jammer, want ik had altijd al een zwak
gehad voor landkaarten en atlassen, waar ik graag wat meer
over had willen weten. Veel te laat kwam ik er achter dat
ik, als ik een verdienstelijk cartograaf had willen worden,
in Utrecht had moeten gaan studeren.
Mijn favoriet was historisch geograaf Guus Borger. Voor het
ontcijferen van handgeschreven teksten uit de zestiende eeuw
had ik wel wat weinig zitvlees, maar zijn verhalen fascineerden
me. Guus kon vertellen als Geert Mak: dan zag ik voor me hoe
kerkelijke potentaten elkaar verketterden vanwege het hanteren
van de Juliaanse of Gregoriaanse kalender, of hoorde ik het
aanzwellende gestamp en geloei van de eindeloze kuddes vee
die ooit vanuit Jutland naar het zuiden gedreven werden.
|
| |
wereldbeeld
Studeren
moest vooral thuis gebeuren, op een studentenflat
in het sfeerloze Diemen. Het doorworstelen van duizenden
bladzijden niet al te leesbaar proza dat voor vakliteratuur
door moest gaan, ervoer ik als een eenzame, nogal
treurigstemmende bezigheid. Hoofdstuk na hoofdstuk
propte ik in mijn hoofd, maar na een gehaald tentamen
was ik alles snel weer vergeten. Ik had niet het
gevoel dat ik een vak aan het leren was. Gelukkig
waren er na het eerste jaar geen deadlines voor
tentamens meer en moest de tempobeurs nog uitgevonden
worden (ik had sowieso geen recht op een studiebeurs:
tot mijn 27e moest ik me zien te redden met de 500
gulden per maand die ik van ouders kreeg, met daarnaast
af en toe een vakantiebaantje). Ik had dus tijd
genoeg om op zoek te gaan naar mensen met interessant
lijkende activiteiten, bij voorkeur behept met een
mild anarchistisch wereldbeeld.
Echte studentenclubs trokken me niet: die zaten òf
vol met oppervlakkige feestbeesten en brallerige barkrukklevers
òf met diepgelovige marxisten en depressieve punkers
uit de kraakbeweging. Op feesten waar je met niemand een
fatsoenlijk gesprek kon voeren, voelde ik me doodongelukkig,
disco's meed ik zelfs als de pest, maar een kluizenaar
wilde ik niet worden. Ik ging op zoek naar geestverwanten
en snuffelde enkele jaren rond bij clubs die me wel aanspraken,
zoals Milieudefensie en Amnesty International.
|
|
 |
de
wilde jaren (1982)
|
|
Bij
deze organisaties werd me langzaam maar zeker duidelijk
dat ik nooit een goede regelneef of vergadertijger zou worden.
Wel had ik er sociale contacten. Het vergrootte ook mijn
mentale horizon en bracht me tot inzichten waar ik in grote
lijnen nog altijd achter sta. Ik heb bijvoorbeeld nooit
geprobeerd om een rijbewijs te halen omdat ik al op mijn
twintigste besefte dat er veel te veel auto's rondreden.
Na een paar jaar wist ik dat ik niet moest proberen om een
bevlogen activist te worden omdat anderen daar veel beter
in waren. Ik bleef liever een creatieve denker en dromer.
Buttons met strijdvaardige leuzen verdwenen een voor een
weer van mijn jas. Ik bleef trouw aan mijn ideeën, maar
wilde niet clownesk overkomen.
Later deed ik veel vrijwilligerswerk bij SIW, een organisatie
die jongeren uitzendt en ontvangt door middel van werkvakanties
in alle uithoeken van de wereld. Vrijwilligerswerk in Ierland,
Polen of Lesotho was voor mij een welkome onderbreking van
wekenlange, soms toch wel eenzame fietstochten, en een manier
om interessante mensen te ontmoeten waarmee ik soms nog
jaren in contact bleef. In internationale groepen kreeg
ik ook het gevoel dat ik serieus genomen en gewaardeerd
werd; anders dan in Nederland, waar in gezelschappen de
sfeer meestal wordt bepaald door dominante en populaire
types, met als resultaat een conformistische groepscultuur
met veel borrelpraat.
|
| |
smoorverliefd
Tussen de tentamens door ging ik regelmatig op pad. Soms
te voet maar meestal op de fiets met tent en slaapzak achterop.
Meestal in mijn eentje, soms met gelijkgestemde zielen.
Zo reed ik mee in de Great British Bike Ride, een demonstratieve
fietstocht van en voor de Britse Friends of the Earth
door Schotland, Engeland en Wales. Een jaar later was er
een soortgelijke tocht van Zeebrugge naar Boekarest met
Britse en Noorse vredesactivisten.
Onderweg werd ik smoorverliefd ik op Ann, een avontuurlijke
vrouw uit het Engelse Leeds. Op de terugweg heb ik met haar
en een andere fietser, Dave uit Bristol, nog honderden kilometers
door de Balkan gefietst. We kampeerden wild en leefden van
wat er in de lege winkels nog te koop was of langs de weg
groeide: droog brood, zonnebloempitten, appels en pruimen.
De liefde tussen Ann en mij was broos maar leek vooralsnog
wederzijds. Helaas verdween zij na enkele maanden van mijn
radarscherm. Het zou niet meevallen om weer een vriendin
te vinden die uit hetzelfde hout gesneden was.
Ann was een paar jaar ouder dan ik. Ze was slim, energiek
en zeker geen huisje-boompje-beestje-type; gewoon op een
prettige manier anders dan de vrouwen die ik dichter bij
huis vaak tegenkwam. En - last but not least - Ann was niet
vies van een stevig stuk fietsen!
Twintig jaar later vond ik Ann terug op het internet. Hoewel
ze mannen soms best nog wel spannend vind, bleek ze beter
uit de voeten te kunnen met de vrouwenliefde en al jarenlang
samen te leven met haar vriendin.
|
| |
|
op
reis met Ann en Dave (1982) |
| |
brilsmurfen
Terwijl ik in gedachten nog tussen Leeds en Boekarest
zweefde, werkte ik met steeds minder enthousiasme aan
de laatste fase van mijn opleiding, inmiddels in de studierichting
planologie, in de hoop dat ik daar meer mee zou kunnen
dan met sociale geografie. Dat bleek een vergissing te
zijn.
Ik kwam er snel achter dat plannen die op papier best
aardig lijken, in werkelijkheid vaak gedrochten zijn.
Het deed er niet toe of ik iets mooi of lelijk vond, want
dat was emotioneel en had dus geen academische relevantie.
Wat wel telde, was of iets aan de regels voldeed en volgens
vastgestelde procedures verliep. Regels en procedures
die op zichzelf al dubieus zijn en worden beklonken in
een schimmig samenspel van goedgebekte vergadertijgers,
politieke sjoemelaars en patjepeeërs uit de vastgoedwereld,
waardoor er zelden nog iets moois uit de polderprut omhoog
komt.
Geleidelijk ging ik beseffen dat mijn studiekeuze helemaal
niet aansloot bij mijn interesses. Ik had een visuele
belangstelling voor steden en landschappen, het liefst
was ik de hele tijd bezig met het maken van foto's en
het bestuderen of tekenen van landkaarten. Ook de historie
van een gebied fascineerde me. Maar ambtelijk geneuzel
kon me echt niet boeien.
Op papier of met zand creëerde ik vroeger mijn eigen fantasiesteden,
maar als planoloog zou ik een minuscuul onderdeeltje zijn
van een grote organisatie die nog meer sfeerloze stadsuitbreidingen,
autosnelwegen en zielloze recreatieterreinen zou ontwikkelen
dan er al waren. Buiten de historische binnensteden zou
de treurigheid die je al kon waarnemen in plaatsen als
Almere, Hoofddorp of Zoetermeer, steeds verder oprukken;
smakeloze architectuur, fantasieloze stedenbouw en kleinburgerlijk
woongenot, waarbij de voornaamste eis is dat er bij elk
huis minstens twee auto's geparkeerd kunnen worden. (Hoe
prettig het is om in zulke wijken te wonen, heeft Naima
El Bezaz beschreven in Vinexvrouwen.)
Als ik niet bereid was om me als beginnend planoloogje
te conformeren aan de heersende norm, dan zouden er voor
mij honderd anderen inzetbaar zijn. Planologie leek uiteindelijk
geen vak te zijn voor creatieve geesten maar voor strak
afgerichte brilsmurfen. Bovendien moest je, om in dit
vak nog ergens aan de bak te komen, vlot kunnen babbelen
en anderen voor je karretje weten te spannen. (Uitgerekend
Geert Wilders zou zulke types een kwart eeuw later treffend
omschrijven als ‘gladpratende bestuurskundedoctorandussen
met designerbrillen’.)
Veel van mijn schijnbaar rebelse studiegenoten, die ik
ervan verdenk dat ze eigenlijk niets liever wilden dan
een keurige baan met een leasebak voor de deur, konden
hun frustraties over het gebrek aan carrièreperspectieven
nauwelijks verbloemen. Iets teveel van hen waren suffe
mutsen die deden alsof ze erg blij met zichzelf waren.
Ze waren vooral goed in het napraten van elkaar.
Sommige docenten moesten het ontgelden, zoals Anneke Hakkenberg,
die volgens het roddelcircuit nauwelijks wat gepubliceerd
had. Niet dat haar critici zelf ooit iets opzienbarends
op papier gezet hadden, maar het was nu eenmaal erg makkelijk
om een docent af te kraken die geen assertieve indruk
maakte.
Groot was het ongenoegen in het papegaaienkoor toen de
kamergeleerde van het instituut, Andreas Faludi, voorstelde
om twee weken op excursie naar Wenen te gaan, waar hijzelf
vandaan kwam. Wenen was maar suf en burgerlijk: Boedapest
was veel hipper, daar wilden ze heen! Faludi deed alsof
hij niets gehoord had en enkele maanden later gingen we
keurig met z'n allen naar Wenen. De excursies naar allerlei
delen van de stad waren interessant, maar tijdens de bijeenkomsten
waar we werden bijgepraat over 'Stadtverwaltung'
en 'Flächennützungspläne' slaagde ik er niet
in om mijn ogen tot het einde toe open te houden; soms
viel ik tijdens zo'n praatje simpelweg in slaap, tot hilariteit
of ergernis van mijn studiegenoten. Het lag niet aan mijn
Duits of aan een tekort aan nachtrust. Mondelinge presentaties
of vergaderingen over dingen die me niet echt boeien,
heb ik altijd een crime gevonden. Door het minste of geringste
wordt ik dan afgeleid; of ik droom gewoon weg, zelfs als
ik echt mijn best doe om alert te blijven.
|
| |
'In
gelul kun je niet wonen'
Het werkcollege van Gert Middelkoop over stadsvernieuwing
werd het drukst bezocht. Niet dat je bij hem nu zoveel opstak:
het was vooral zijn arrogante en provocerende houding die
respect afdwong. Om studiepunten bij hem te krijgen, moest
je een speech schrijven die door Gerrit Brokx, de staatssecretaris
van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, gehouden had
kunnen zijn. Afgezien van het feit dat ik me niet kon voorstellen
dat ik ooit als een spindoctor (zoals Kaspar Juul in de
Deense serie Borgen!) teksten zou kunnen produceren voor
partijbonzen van allerlei pluimage, bleef het tijdens deze
colleges een groot vraagteken waar je de informatie vandaan
moest halen die je nodig had om zo'n speech enigszins geloofwaardig
op papier te zetten. Het was typerend voor de hele opleiding
planologie: veel pretenties maar weinig inhoud. Niet voor
niets had Jan Schaefer, een voorganger van Brokx, als motto:
"In gelul kun je niet wonen". Met beleidstaal,
oftewel gelul op papier, moest je echter affiniteit hebben
om met deze studie iets te kunnen bereiken.
"Anders ben je het niet waard om een ton per jaar te
verdienen", was de leus waarmee Middelkoop elke tegenwerping
pareerde. Ik zat echter helemaal niet te wachten op een
vet betaalde baan die ik alleen met heel veel moeite en
mazzel zou kunnen krijgen, die ik vervolgens met alle macht
zou moeten zien te behouden en waar ik uiteindelijk helemaal
niet gelukkig van zou worden. De retoriek van Middelkoop
kon mij niet motiveren, integendeel. Het wekte juist weerzin
in me op en sterkte mijn gevoel dat types als hij zelf niet
waard zijn wat ze verdienen.
Het soort carrière dat we leken te moeten ambiëren, paste
niet bij mij en was ook niet weggelegd voor het overgrote
deel van de studenten die dit werkcollege volgden. Ik had
geen hoop meer dat ik hier nog iets op zou gaan steken waar
ik later wat aan zou hebben. Om toch nog iets van deze opleiding
te maken, liet ik het gebral van Middelkoop voor wat het
was en ging ik verder met een werkcollege van Mari Wingens
over de ruimtelijke ordening van het platteland. Mari had
een baard, liep op schippersklompen en fietste dagelijks
van Muiden naar Amsterdam, zodat de trendy stadsvernieuwers
hem als een veredelde tuinkabouter beschouwden. Het was
in ieder geval niet zijn stijl om tegenover studenten van
de verloren generatie te bluffen over de salarissen die
zijn eigen leeftijdgenoten met een beetje babbelen, protesteren
en netwerken binnengesleept hadden.
Studiepunten kon je bij hem halen door simpelweg een paper
te schrijven of een excursie te organiseren. Ik deed het
laatste. Voor de rest bleef planologie een oersaaie opleiding.
Ik had spijt van mijn studiekeuze, maar zag nog geen haalbaar
alternatief.
Bij veel van mijn studiegenoten die niet voor planologie
hadden gekozen, maar na hun kandidaats door waren gegaan
met sociale geografie, heerste een zekere minachting voor
planologie, dat ze niet boven een HBO-opleiding uit vonden
steken. Bovenaan de pikorde van geografen stonden overigens
degenen die fysische geografie studeerden: zij zagen sociale
geografie als een boterzacht leutervak dat je als 'wetenschap'
niet serieus kon nemen. Later verdampten deze rivaliteiten
weer: de dag na het afstuderen konden we ons immers allemaal
melden bij de sociale dienst en op het arbeidsbureau belandden
de dossiers van planologen en de beide soorten geografen
uiteindelijk in dezelfde la met het stempel 'onbemiddelbaar'
erop. |
| |
flirt
Bij
mijn bijvak milieukunde was het een stuk gezelliger. Een
half jaar lang geen tentamens, maar meedraaien in een
projectgroep met studenten van verschillende studierichtingen.
In mijn groepje konden we het goed met elkaar vinden.
Ik had het er naar mijn zin zonder het gevoel te hebben
dat ik aan allerlei ongeschreven regels en normen moest
voldoen. Vaak doken we de kroeg in, soms gingen we in
het weekend met het hele groepje ergens wandelen.
Een van hen was Monique: een mooie biologiestudente uit
Wageningen met een charmant Brabants accent, vrouwelijk
zonder opsmuk en in bezit van racefiets en bergschoenen.
Voor mij een fatale combinatie van uiterlijk en bezigheden:
Monique was precies het soort vrouw waar ik graag over
fantaseerde, maar waarvoor ik ook ontzag had. Maandenlang
zat ik drie dagen per week tegenover haar in mijn werkgroepje
en genoot ik stilletjes van haar aanwezigheid, zonder
echt met haar in contact te komen. Toen het project was
afgerond en ik Monique niet meer zag, besefte ik pas goed
hoe gek ik op haar was geworden. Andere meiden, die wel
probeerden mijn aandacht te vangen, zag ik amper nog staan
of leken onvermijdelijk af te koersen op een manier van
leven waar ik zelf steeds minder heil in zag.
Ik deed mijn best om Monique af en toe nog te kunnen zien.
In de zomer zocht ik haar weer eens op. Ik werd hartelijk
ontvangen en 's avonds laat maakten we met z'n tweeën
bij volle maan een lange wandeling door de uiterwaarden
van de Rijn. We praatten nog wat na op haar kamer. Toen
ik al in mijn slaapzak was gekropen, zat Monique op haar
bed nog uitgebreid haar voeten te verzorgen en met mij
over koetjes en kalfjes te kletsen, waarbij ze me opvallend
lang de gelegenheid bood om haar mooie naakte borsten
te bewonderen voordat ze met een glimlach onder de lakens
kroop. Een betere manier om mijn smeulende passie op te
doen laaien had ze niet kunnen bedenken; met Ann was het
twee jaar eerder met een soortgelijke flirt begonnen.
Helaas kon ik over verdere intimiteiten voorlopig alleen
maar dromen.
De volgende dag fietste ik namelijk verder richting Tsjechoslowakije
en Polen (een heel bijzondere tocht met onvergetelijke
ontmoetingen en gesprekken, onder andere met een Tsjechische
dissident. In 2011 vond ik hiervan een uitgebreid reisverslag
met foto's terug, dat te zien is op www.keesswart.nl/fietsreportages/1984.htm),
terwijl Monique nog enkele weken in Schotland ging wandelen
met een studiegenoot waarmee ze een onduidelijke relatie
had (of beter: iemand van wie Monique niet met zoveel
woorden wilde zeggen en ik niet wilde horen dat hij op
dat moment haar vriendje was).
Toch was ze nu niet meer uit mijn hoofd te branden, integendeel.
Zolang ik haar niet zag, kon ze in mijn gedachten de persoon
blijven die ik graag in haar wilde zien: een warme, bereisde
en enigszins mysterieuze vrouw die hopelijk wat anders
van het leven verwachtte dan een doorzonwoning met krijsende
kinderen.
Na de zomer zag ik haar nog een keer op een wandelweekend,
samen met de anderen van de milieukundegroep. Vele vragen
en een knagende onzekerheid over wat ik nu van Monique
kon verwachten, hadden zich enkele maanden lang tussen
mijn oren opgehoopt, met een verlammend effect op mijn
spontaniteit en daadkracht: in plaats van te informeren
hoe haar reis naar Schotland was geweest en te peilen
of ze nog iets met mij wilde afspreken, hield ik me op
de vlakte. Ook op hints van haar kant reageerde ik niet
zoals ik zou willen; ik was totaal verkrampt. Toen Monique
weer was vertrokken, vervloekte ik mijn onhandigheid.
Als laatste redmiddel om het contact met haar in stand
te houden, schreef ik me in voor een project aan wat toen
nog de Landbouwhogeschool heette, waarin ik voor mijn
eigen studie enkele maanden mee kon draaien. Ik maakte
mezelf wijs dat ik wel eens wat anders wilde dan een stage
of project dichtbij huis, maar in werkelijkheid was ik
bang dat ik anders nooit meer wat van Monique zou vernemen.
Tot
mijn vreugde bood Monique mij spontaan aan om op de dagen
dat ik in Wageningen moest zijn, bij haar te komen logeren.
Daar bleek ze echter veel gecompliceerder te zijn dan
ik in Amsterdam had willen beseffen. Ze kon erg nukkig
zijn en zat niet lekker in haar vel, wat ze maskeerde
met een schijn van zelfgenoegzaamheid.
De sfeer van die zomerse avond voor mijn vertrek naar
Polen kwam niet meer terug. Het studentenhuis dat Monique
deelde met enkele studiegenoten die alles van elkaar leken
te willen weten, bleek niet zo'n geschikte plek voor het
doen van intieme ontboezemingen. Sterker nog, overal in
Wageningen leek iedereen elkaar te kennen en in de gaten
te houden; toen ik op een avond met Monique was meegegaan
naar de kroeg, bleek daar weer Gijs, een van haar huisgenoten,
achter de bar te staan. Hij moet mij daar zwijgend naar
mijn glas hebben zien staren, terwijl ik in gedachten
koortsachtig op zoek was naar een golflengte waarop ik
Monique zou kunnen bereiken...
|
| |
vermoorde
onschuld
Mijn voortdurende onvermogen om door de firewall van Monique
heen te breken, stond niet op zichzelf en was ook een uitvloeisel
van de lange tenen die mensen van onze generatie hadden
ontwikkeld na het doorbreken van de taboes van onze ouders.
De sfeer van de hippe jaren zestig was na 1980 echt voorbij.
Peace, love en flowers hadden plaatsgemaakt voor een gebrek
aan vertrouwen in alles en iedereen. De verbeelding was
niet langer aan de macht, maar verdrongen door de verzuurde
sfeer van 'no future' aan de ene kant en het opportunistische
'pakken wat je pakken kunt' aan de andere.
Achter een façade van stoer activisme hielden onzekere jongeren
zich bezig met het kraken van huizen, eisen van rechten
en, als het vrouwen waren, afzeiken van heteroseksuele mannen.
Wat was begonnen als een offensief van geradicaliseerde
Dolle Mina's in paarse tuinbroeken, was uiteindelijk de
heersende ideologie geworden onder de vrouwelijke studenten
die ik tegenkwam: voor hen kon in elke man een verderfelijke
macho schuilen, die elke vrouw als loslopend wild
beschouwde en maar één ding wilde met zijn lustobjecten.
Het was de vertrouwde antiseksuele moraal waarmee ik was
opgegroeid, voorzien van een eigentijdse terminologie. Toch
vielen ook deze vrouwen vaak nog wel op mannen, die dan
wel aan allerlei eisen moesten voldoen.
Ik was er goed van doordrongen dat je als man feilloos moest
kunnen jongleren met je uitspraken en emoties, als je in
de smaak wilde vallen bij een aantrekkelijke, intelligente
en onconventionele dame die nog niet voor het lesbische
paradijs gekozen had. Ik wilde niet voor macho versleten
worden en was op mijn hoede. Hoopvolle verwachtingen en
opwindende fantasieën kon je maar beter voor je houden,
complimenten over uiterlijk waren per definitie seksistisch
en jaloerse mannen waren hopeloos ouderwets en bezitterig.
Dan maar net doen of je niks van iemand wilde? Ook dat werd
niet gewaardeerd. En de zelf ontworpen en eigenhandig gebreide
truien die ik droeg, leken hooguit een politiek correcte
vertedering op te wekken, maar geen lustgevoelens bij de
juiste vrouwen.
Observeren lag me beter dan acteren. Ik was geen kameleon
die razendsnel van kleur kon verschieten tussen Opzijslogans
en Vivastijl. Maar ik zag wel dat gladde versierders die
het spel goed beheersten en alle do's and don'ts van de
laatste feministische golf simpelweg aan hun laars lapten,
bij veel vrouwen succes hadden, al was het vaak kortstondig;
of ze hoefden zich sowieso nergens aan te houden omdat ze
als lekker exotisch ding werden beschouwd. Echte macho's
werden ook niet hopeloos verliefd en hadden altijd een plan
B achter de hand.
Af en toe leek Monique mij uit de tent te willen lokken,
andere keren negeerde ze me. Soms gedroeg ze zich als een
lichtgeraakte verleidster die iets van mij verwachtte, vaak
ook als een afstandelijke vriendin die even geen zin heeft
in een goed gesprek. Haar wisselende signalen brachten me
danig in verwarring en de communicatie tussen ons verstarde.
Tussen droom en daad lag een slagveld van gierende hormonen
en een gekmakende opeenstapeling van onuitgesproken irritaties.
Hoewel het taboe was om jaloers te zijn, ontkwam ik niet
aan het gevoel dat half Wageningen op Monique viel. Het
vriendje waarmee ze op vakantie was geweest, leek het inmiddels
verbruid te hebben en kwam niet meer bij haar over de vloer;
de arme drommel moet bij Monique flink onder de plak hebben
gezeten zolang hij haar bed had mogen delen. Andere vrienden,
die zij als haar 'maatjes' aanprees, liepen nog
steeds de deur plat of schreven haar lange brieven vanuit
de exotische oorden waar ze stage liepen. Met zwoele blikken
en verleidelijk gebabbel probeerden ze bij haar in de smaak
te vallen. Monique deed er soms nog een schepje bovenop,
maar speelde ook de vermoorde onschuld. Ze kon haar aanbidders
schijnbaar oprecht o zo lief aankijken om ze daarna genadeloos
te fileren. Ze was niet te beroerd om de gevoelens die ze
opriep, aan te wakkeren en zal vast hebben genoten van de
aandacht en macht die ze daarmee verkreeg. Het bleek een
spel te zijn waarvan zij de regels bepaalde. Als je dit
spel niet begreep en stilletjes bleef hopen dat Monique
je meer gunde dan een erotische tantaluskwelling, kreeg
je van haar op non-verbale wijze te verstaan dat je een
enorme sukkel was.
Op een herfstige avond, toen mijn hoofd weer eens vol zat
met vragen en gevoelens die niet rechtstreeks gesteld of
getoond hoorden te worden, maakte een korzelige Monique
niet de indruk dat ze mijn aanwezigheid erg op prijs stelde.
Ze speelde een cassette met Indiase muziek af, stak een
staafje wierook aan en verraste mij opeens met een quasi-nonchalant
ontbloten van haar prachtige lijf. Ademloos keek ik toe.
Plotseling ging de telefoon op de gang en rende ze met slechts
een slipje aan haar kamer uit, naakt en verleidelijk als
een gereïncarneerde Mata Hari, om een gesprek met een voor
mij onbekende beller te voeren. Het leek allemaal koket,
maar werd vilein toen ze mij na het telefoongesprek met
een ijzige blik de grond inboorde en reddeloos in het drijfzand
van mijn verliefdheid weg liet zinken. De prikkelende scene
die Monique had opgevoerd, was bizar en moeilijk te rijmen
met de slechte sfeer die tussen ons was ontstaan. Wellicht
bedoeld als seksuele valkuil; als ik erin was getrapt, had
ze mij voorgoed de deur kunnen wijzen, met als verwijt dat
ik haar grenzen overschreden had.
Enkele weken later was ze helemaal weg van iemand die ze
had leren kennen bij een meditatieclubje: hij stelde zichzelf
voor als Fons, maar voor Monique bleek hij later Parviz
te heten. Volgens haar was het liefde op het eerste gezicht.
Uiteindelijk vertrok Monique voor een stage naar India,
waar ze haar goeroes snel had gevonden. Terug in Nederland
dook ze onder in een yogaklooster om op zoek te gaan naar
haar spirituele drijfveren. De non had haar nozems gedumpt.
Jaren later was de sfeer in 'Are you experienced?'
van William Sutcliffe voor mij een feest van herkenning.
Rond de eeuwwisseling verscheen ze nog eenmaal totaal onverwacht
voor mijn ogen in een buurthuis in Amsterdam, waar ik voor
een tijdschrift foto's kwam maken van een bandje dat Balkanmuziek
kwam spelen. De eerste zwoele tonen klonken al, toen tot
mijn niet geringe verbazing een perfecte kopie van Monique
als een vleesgeworden schim uit het verleden het podium
besteeg. Aan het publiek werd ze voorgesteld als een tanpuraspeelster
uit Bulgarije.
Ze was geen steek veranderd, na vijftien jaar leek ze zelfs
niet ouder geworden. De femme fatale uit mijn herinnering
was nog altijd een goed ogende vrouw die nu een plek gevonden
leek te hebben waar ze haar ei kwijt kon en nog altijd de
aandacht van vele ogen op zich wist te vestigen. Ik wist
dat ze iedereen weer in de maling nam, al kon ze qua uiterlijk
prima voor een Bulgaarse doorgaan en bespeelde ze de tanpura
goed genoeg om een plekje in de band te rechtvaardigen.
Ik had niet zo'n zin om het haar zelf ter plekke te vragen,
maar nieuwsgierig was ik wel: een beetje googlen bevestigde
voor mij dat deze dame echt niet uit de Balkan kwam en nog
altijd Monique heette. Verder bleek ze muziekinstrumenten
te importeren uit India; de link met de tanpura was nu snel
gelegd. Uiteindelijk was ze - uit liefde op het laatste
gezicht? - getrouwd met ex-huisgenoot Gijs en conform de
'burgerlijke' traditie - of om elke twijfel de kop in te
drukken?? - ook zijn achternaam gaan gebruiken. Gijs bleek
net als zijn vrouw goed te zijn geïntegreerd in het
wereldje van navelstaarders en mantrazangers. Als het hem
echt is gelukt om een evenwichtige relatie met Monique op
te bouwen, is dat een niet geringe prestatie. |
| |
Madras
Ik likte mijn wonden en vertrok zelf naar India. Samen
met Jacques, een oude studiegenoot van mij die ik in de
Amsterdamse metro was tegengekomen en mij verteld had
dat hij naar Madras ging om zijn studieobject 'Low
cost housing for the poor' af te ronden.
"Ik ga met je mee", zei ik direct. Ik moest gewoon
even weg om uit een gigantische dip te krabbelen. In Wageningen
had ik nog vijf maanden in een studentenflat doorgebracht
om met flinke tegenzin mijn studieproject af te ronden.
De liefde was een mijnenveld gebleken, met mijn projectgenoten
(die geen flauw benul hadden waarom ik naar Wageningen
was gekomen) kon ik niet erg goed overweg en aan mijn
studie had ik een grondiger hekel gekregen dan ooit tevoren.
Bovendien had Monique zo vaak vol trots verteld over de
exotische reizen die zijzelf, haar broer en haar 'betere'
vrienden hadden gemaakt, dat ik het gevoel had gekregen
dat je toch wel een hopeloze provinciaal was als je niet
minstens een paar maanden in een crisisland buiten Europa
had doorgebracht.
Ik raapte al mijn spaargeld bij elkaar en liftte naar
Istanbul. Daar trof ik Jacques, met wie ik in twee weken
per trein, bus of liftend via Turkije, Iran en Pakistan
naar het Zuid-Indiase Madras reisde. Zoals we van tevoren
hadden afgesproken, bleef ik Jacques daar een maand vergezellen.
Ik voorzag hem graag van commentaar op de ontmoetingen
en gesprekken die hij had met lokale wetenschappers en
andere hotemetoten. Ontnuchterend was het om te constateren
dat Jacques met sommigen van hen overhoop lag sinds zijn
vorige verblijf in Madras, anderhalf jaar eerder. Ook
bij zijn scriptiebegeleider in Amsterdam, Hans Schenk,
leek hij het verbruid te hebben. Aan het eind van de maand
wenste ik Jacques veel sterkte en ging ik nog een maand
op eigen houtje door India trekken.
Terug in
Nederland volgde een naargeestige periode van intensief zoeken
naar zo'n beetje alles waar ik toen behoefte aan had, zoals
een inkomen, woonruimte, een zinvolle bezigheid en een levensdoel.
De eerste maanden vulde ik met deprimerende uitzendbaantjes
in IJmuiden en Amsterdam. Ik vond ik een flat in de Bijlmermeer
die ik moest delen met een paar asielzoekers uit Ghana en
Togo. (Helaas had ik er alleen mannelijke huisgenoten. Een
Bijlmeravontuur zoals beschreven in 'Alleen maar nette
mensen' van Robert Vuijsje zat er voor mij niet in. Toen
mijn ouders een keer langskwamen, keek mijn moeder angstig
om zich heen en vroeg: "Waar is die neger?").
Na een half jaar verruilde ik de Bijlmerflat voor een slooppand
in de Amsterdamse Transvaalbuurt, waar ik weer opleefde.
Daar pakte ik de draad van mijn studie op, aangezien ik nog
maar drie tentamens en een scriptie was verwijderd van een
diploma. In Mari Wingens vond ik een goede scriptiebegeleider.
Wel vroeg ik me steeds weer af hoe mensen als hij gelukkig
konden zijn - als ze dat tenminste waren - terwijl ze dag
in dag uit zaten opgesloten in een betonnen werkkamer en veroordeeld
waren tot het steeds moeten bijhouden van gortdroge vakliteratuur,
het geven van colleges aan ongemotiveerde studenten en het
volhouden van de publicatiewedloop met vakgenoten...
|
| |
lullige
stropdas
Enkele jaren bleef ik nog bevriend met Jacques. Hij deed zich
graag voor als een eigenzinnige en onorthodoxe man van de wereld,
maar helaas ontwikkelde hij zich in mijn ogen steeds meer tot
een oubollige 'male chauvinist pig'. Luisteren was
niet zijn sterkste punt en het was onbegonnen werk om tegen
zijn razendsnelle maar oppervlakkige woordenstroom op te boksen.
Hij was twaalf jaar ouder dan ik en vond zijn grotere levenservaring
een goede reden om mij te vermoeien met de meest banale uitspraken
en vooroordelen. Vooral over vrouwen had hij onwrikbare opvattingen.
Eindeloos konden we bekvechten over de vraag of een kinderwens
tot stand komt door dwingende hormonen (Jacques) of door de
eigen, al dan niet door geloof, traditie en sociale omgeving
beïnvloede wil (ik). Steeds beter ging ik begrijpen waarom
hij met allerlei mensen ruzie had.
Tegelijkertijd leek hij een joviale vent, precies het type dat
Ischa Meijer ooit omschreef als 'mannen van over de veertig,
die een op niets maar dan ook niets gestoelde geestdrift als
een hopeloos vrolijke luchtballon permanent met zich meevoeren,
aan een uiterst iel draadje zelfvertrouwen'.
Jacques' scriptiebegeleider werd ziek en diens vervanger liet
Jacques afstuderen om van hem af te zijn. Sindsdien was het
gedaan met Jacques' onconventionele levenshouding en leed hij
aan een sneu en hardnekkig titelexhibitionisme. Iedereen moest
en zou weten dat hij nu een heuse doctorandus was; zelfs op
zijn bankafschriften moest per se het ietwat sneue drieletterige
statussymbooltje voor zijn naam staan. Ook vertoonde hij zich
van de ene op de andere dag alleen nog maar in een grijs pak
met een lullige stropdas.
"Anders kun je het wel vergeten met je carrière",
zei hij toen ik hoofdschuddend zijn nieuwe outfit aanschouwde.
"Hoezo carrière? Moet je daar niet eerst een
ècht vak voor leren? Met wat je nu aanhebt, kun je trouwens
beter tweedehands auto's gaan verkopen", was mijn
reactie. Jacques kon er niet om lachen en vond het nodig om
mij nog eens goed in te peperen hoe ik met vrouwen om zou moeten
gaan. Enig vermogen tot zelfreflectie hoefde ik van hem niet
te verwachten: als er iemand niks van vrouwen begreep, was het
Jacques wel. Voor mij werd het hoog tijd om andere vrienden
te gaan zoeken.
Later vernam ik via via nog wel eens wat van Jacques. In 2005
las ik dat hij was overleden en in Kenia zijn vriendin en dochter
berooid had achtergelaten (www.gim-international.com/issues/articles/id578-Jacques_Sipkes.html).
Ook in een cartografisch tijdschrift was te lezen dat 'Dr. Jacques
Sipkes' onverwacht was heengegaan (http://icaci.org/documents/newsletter/ica_news_45_2005_2.pdf).
Doctor? De redactie zal hem dit tikfoutje voor één
keer gegund hebben. |
| |
goed jaar
Net als Jacques was ook ik na tien jaar van mijn studie
verlost. Voor de tweede keer in mijn leven had ik met
veel tegenzin een opleiding afgemaakt. Ik was opgelucht
maar verkeerde niet in een feeststemming. Zonder familie
of vrienden uitgenodigd te hebben kwam ik naar de Lutherse
Kerk aan het Spui, waar ik samen met een record aantal
studiegenoten een diploma in ontvangst kon nemen, want
1988 was een goed jaar: in Amsterdam en Nijmegen samen
werden wel honderd kersverse planologen - zowel 'oude-'
als 'nieuwe stijl' - afgeleverd.
Ik vroeg me af wat ik nu echt geleerd had: veel bureaucratenjargon
met een academisch sausje, waar ik geen goed gevoel bij
had. Het netto resultaat van deze opleiding bestond vooral
uit voortschrijdend inzicht. Verder maakte ik me geen
illusies. De kansloze stoelendans om een handvol banen
voor dossiervreters en beleidsbabbelaars liet ik graag
over aan mijn voormalige studiegenoten. Die reageerden,
net als sommige docenten, wat lacherig toen ik vertelde
dat ik uiteindelijk fotograaf wilde worden. Wat nog eens
benadrukte hoe vervreemd het planologenwereldje en ik
van elkaar geraakt waren.
Dezelfde middag stond ik al weer pallets te stapelen in
het koelhuis, waar ik enkele maanden werkte om aan geld
te komen voor een nieuw avontuur: enkele duizenden kilometers
fietsen door vier landen in het zuiden van Afrika, afgewisseld
met vrijwilligerswerk in Lesotho, waar ik tot mijn verrassing
liefdevol zou worden onthaald door leuke black beauty’s
(zie ook www.keesswart.nl/fietsreportages/Lesotho.htm).
Het fietsen deed ik op eigen houtje, maar in Lesotho werkte
ik samen met jongeren uit de buurt en drie sympathieke
vrouwen uit Duitsland, Frankrijk en België; twee van hen
lieten zich verleiden en belazeren door Afrikaanse mannen,
dus aan gespreksstof was geen gebrek.
Deze reis zou me veel beter gaan bevallen dan mijn eerdere
trektocht door het hete, smerige, drukke en ondoorgrondelijke
India. In India was ik vooral irritante mannen tegen het
lijf gelopen, terwijl ik in Afrika juist veel aardige
vrouwen ontmoette. Ik genoot van hun spontaniteit en gevoel
voor humor en vond het heerlijk om even niet meer te hoeven
voldoen aan allerlei verwachtingen en gedragscodes, inclusief
die van het alternatieve circuit. Het echte leven kon
eindelijk beginnen!
|
| |
| Fotoacademie,
Amsterdam (1993-1996) |
| |
Spaans benauwd
Na een boeiende tijd in Afrika hield ik me bezig met uitzendbanen
en vrijwilligerswerk. Een paar jaar later vertrok ik nogmaals
voor een half jaar naar het zwarte continent. Even speelde
ik met de gedachte om fulltime wereldfietser te worden, met
fysicus Frank van Rijn en bioloog Bart Aardema als goede voorbeelden.
Ik beschikte echter niet over de middelen en netwerken om
zoiets lang vol te kunnen houden. Ook wist ik dat alleen maar
wat rondfietsen me al na enkele weken zou gaan vervelen; daarvoor
waren er nog teveel andere dingen die me boeiden. Ik zou best
een vak willen uitoefenen, maar dat moest dan wel passen bij
mijn persoonlijkheid en interesses.
Wat ik niet wilde, was
in de fuik zwemmen van een vaste baan, een gezin en een
groot huis om dan geen tijd meer hebben voor alles wat
het leven voor mij de moeite waard maakt; het leek me
sowieso niet verstandig om kinderen op de wereld te zetten
die dezelfde problemen zouden kunnen ervaren als ik zelf
ondervonden had. Tegelijkertijd merkte ik dat steeds meer
mensen om mij heen die de dertig gepasseerd waren, dit
alles zonder een spoor van twijfel juist wel ambieerden.
Die dachten kennelijk dat ze daar wel gelukkig van zouden
worden en dat de wereld nog wel wat extra bevolkingsgroei
en massaconsumptie aankon; of ze dachten sowieso nergens
over na en deden gewoon wat iedereen leek te doen. Termen
als 'hypotheekslaaf', 'spitsuur van het leven' en 'vinexwijk'
waren nog niet in zwang, maar ik besefte wel zo'n beetje
wat ook mij zou staan te wachten als ik me alsnog zou
conformeren aan de heersende norm.
De uitzendbanen, die ik met moeite kon krijgen,
waren geen succes. Vaak vond men mij als dertiger al te
oud, te hoog opgeleid met een verkeerd cv, niet van het
juiste geslacht of sowieso 'niet passend bij de organisatie'.
Spaans benauwd kreeg ik het van allerlei simpele en geestdodende
werkzaamheden bij organisaties met een 'voskuiliaanse'
bedrijfscultuur, waar eigenzinnigheid en creativiteit
worden gesmoord in een dikke stroop van schoolse regels
en ambtelijke structuren.
Net als vroeger op school was ik daardoor met mijn gedachten
zelden bij het werk. Na een vergadering herinnerde ik
me meer van de schilderijen aan de wand dan van de besproken
agendapunten. Verder verloor ik elk respect voor glibberige
en horkerige chefs (helemaal als het van die zelfgenoegzame
maatpak-en-stropdastypes waren, die strooien met termen
als 'aanpakken', 'de handjes laten wapperen' of 'BV Nederland'
en ondertussen zoveel mogelijk hun eigen zakken vullen).
Ook kon ik moeilijk communiceren met collega's die het
buskruit niet hadden uitgevonden en werd ik moe en depressief
als ik tijdens het werk werd gedwongen om het getetter
van Radio 538 aan te horen dat alle Sjonnies en Anita's
juist nodig leken te hebben om hun werk draaglijk te maken.
Slechts bij één baas (een bourgondiër die niet op zijn
strepen stond en zijn medewerkers allereerst als mensen
benaderde en niet tot productiefactoren reduceerde) hield
ik het als 'vaste uitzendkracht' in deeltijd enkele jaren
uit: bij hem kon ik ook redelijk zelfstandig werken en
van alles op mijn eigen manier doen.
Na meer dan dertig banen en baantjes had ik echter geen enkele
illusie meer over de zegeningen van de arbeidsmarkt. De laatste
restjes van het arbeidsethos dat me sinds mijn jeugd had achtervolgd,
maakten razendsnel plaats voor een intense afkeer van mensen
en mechanismen die mij wilden reduceren tot een loonslaaf
die altijd en overal beschikbaar moet zijn, ook in een vastgelopen
bureaucratie of voor een bedrijf dat zinloze producten levert.
Het lukte me simpelweg niet om kritiekloos volgens de voorgeschreven
werkwijzen te handelen; voor het invoeren van bestanden of
het sorteren van post had ik mijn eigen methodes bedacht,
maar het moest per se geschieden op de knullige manier die
ooit door een stel minkukels was verzonnen. Het kostte me
steeds meer moeite om me langdurig te concentreren op werk
dat me in feite niks, maar dan ook helemaal niks interesseerde.
Ik dreigde in een ernstige depressie te raken als ik hiermee
door zou gaan.
Ik ging steeds meer calculeren en turfde, als iemand die
een straf uitzit, af hoeveel dagen en uren ik het nog
ergens moest zien uit te houden om mijn sociale rechten
veilig te stellen. Het ergst waren de banen die zo weinig
om het lijf hadden, dat ik quasi comateus naar de wijzers
van een klok zat te staren tot ik naar huis kon gaan en
tegelijkertijd de schijn moest zien op te houden dat ik
iets aan het doen was. En altijd was het de vraag of ik
het moment dat ik op wilde stappen zelf kon bepalen voordat
ik ontslagen zou worden.
Ik besefte dat ik zelf niet gelukkig zou worden en ook
niemand anders een lol zou doen als ik de rest van mijn
leven voor postbode, datatypist of hulpsecretaresse zou
blijven spelen. Ook gruwde ik van het idee dat ik mijn
oude 'vak' weer op zou kunnen pakken door - zoals sommige
van mijn ex-studiegenoten deden - een net pak aan te trekken
en gebakken lucht te gaan verkopen in de vorm van zogenaamde
beleidsadviezen. Geld verdienen was voor mij geen grote
drijfveer, status al helemaal niet. Wel wilde ik iets
doen waar ik goed in was en waar ik ook nog een beetje
lol in zou hebben, niet te simpel, niet te saai, in mijn
eigen tempo en heel graag zonder allerlei procedures en
gedoe met mensen, dus bij voorkeur iets wat ik op eigen
houtje af zou kunnen.
|
| |
het
roer om
Het was hoog tijd om het roer om te gooien. Al sinds het
einde van mijn studie liep ik rond met het idee om een uit
de hand gelopen hobby - fotografie - te professionaliseren.
Voor mijn tweede reis naar Afrika had ik al een jaar lang
de schriftelijke opleiding reportagefotografie aan de Fotovakschool
gevolgd. Dat bleek aan het begin van de jaren negentig echter
een oubollige en schoolse stoomcursus voor publieksfotografen
te zijn. Ik zag mezelf geen handelaar in pasfoto's en trouwreportages
worden; daarvoor moet je vlot kunnen omgaan met mensen die
je niet kent, een zakelijke instelling hebben en geen hekel
hebben aan oppervlakkigheid. Op zoek naar een avondopleiding
met meer diepgang en aandacht voor mijn eigen interesses
kwam ik uiteindelijk terecht bij de Amsterdamse Fotoacademie.
Deze ongesubsidieerde opleiding was toen nog niet zo commercieel
als tegenwoordig, al waren de studiekosten wel een rib uit
mijn lijf. Toch had ik het er voor over, al kon ik daardoor
niet meer maandenlang gaan fietsen. Han Sieveking, het opperhoofd
van de academie, joeg de kosten soms nog meer op door persoonlijk
te controleren of je bepaalde spullen wel had aangeschaft,
zoals een onhandige losse belichtingsmeter die ik nooit
heb gebruikt. Gezien de hoeveelheid folders, advertenties
en gesponsorde links waarmee de Fotoacademie tegenwoordig
aan de weg timmert, én het groeiende aantal vestigingsplaatsen,
is Sieveking nog altijd een slimme zakenman die handig inspeelt
op de onvrede die veel mensen met hun carrière hebben. Een
onvrede die vaak gepaard gaat met een verlangen naar interessanter
en creatiever werk. Tegelijkertijd hebben opleidingen als
de Fotoacademie ervoor gezorgd dat er nu zoveel fotografen
rondlopen, dat je een straatvechtersmentaliteit moet hebben
of een rat moet zijn om in dit vak nog aan de bak te komen.
Overigens heb ik op de Fotoacademie harder en met veel meer
plezier gewerkt dan tijdens al mijn voorafgaande school-
en studiejaren. Vooral de lessen van de toen nog piepjonge
en onbekende Joost van den Broek waren erg inspirerend.
Ook de andere docenten hadden nog niet het stadium bereikt
dat ze afgebrand en zonder illusies naar de eindstreep van
hun carrière strompelden. Wel had ik meer last dan lol van
de beheerder van het keldertje waar ik een banddiaserie
in elkaar gezet heb; hij wilde niet begrijpen dat ik met
een examenopdracht bezig was en dat zijn regeltjes en opvattingen
een optimaal eindresultaat alleen maar in de weg stonden.
Gelukkig behoorde hij niet tot degenen die het examenwerk
gingen beoordelen en maakte Han hem na een tijdje duidelijk
dat hij me niet langer lastig moest vallen. Ook aan de mentoren,
die deze fotoacademie extra duur maken, had ik weinig. Ik
hou er niet van om iemand in de wandelgangen aan te klampen
om vragen te stellen; het kost me veel energie om iemand
te benaderen en zover te krijgen dat hij of zij me serieus
neemt en op mijn vragen ingaat. Bovendien vroeg ik me af
of die mentoren nu echt zoveel verstand van zaken hadden.
Liever zocht ik de antwoorden op mijn vragen in de vakliteratuur.
Schriftelijke informatie, mits duidelijk geschreven, verwerk
ik sowieso veel beter dan mondelinge aanwijzingen, die te
vaak worden doorspekt met retoriek, lichaamstaal en warrigheid,
wat erg afleidt van de essentie. Wel had ik heel veel aan
de opdrachten, deadlines en het contact met studiegenoten
tijdens de opleiding.
Mijn medestudenten waren grotendeels dertigers met zeer uiteenlopende
achtergronden. De meesten waren afgehaakt voordat ik ze enigszins
had leren kennen, maar met enkelen beleefde ik een paar boeiende
jaren. Hoogtepunt was de excursie naar Antwerpen, waar we in
kleine groepjes een serie beelden rond een van tevoren gekozen
thema moesten schieten. Ik had Rob en Pieter overgehaald om
de broeierige chansons (o.a. 'Rode lampen en havenvampen')
van Guido Belcanto ( www.guidobelcanto.be)
als inspiratiebron te gebruiken. Rob wist als journalist enkele
tips van de artiest zelf te krijgen en Pieter kende als vertegenwoordiger
in toiletpapier opvallend goed de weg in de roze buurt bij het
Antwerpse havenkwartier.
Voor mij was dit de eerste 'school' waar ik, ondanks het late
tijdstip op de avond, van begin tot eind geboeid bij de les
bleef, zonder weg te dromen of afgeleid te worden. In plaats
van de chronische tegenzin die ik tijdens mijn eerdere school-
en studiejaren altijd gevoeld had, keek ik nu met een combinatie
van spanning en enthousiasme uit naar de wekelijkse lesavond.
Dit was een opleiding waar ik eindelijk mijn ei in kwijt kon.
In een voor mij ongebruikelijk hoog tempo voltooide ik de studierichting
journalistieke-, documentaire- en portretfotografie.
De andere vakopleiding, creatieve fotografie, sprak me minder
aan: voor mij te veel gefröbel en te veel nadruk op presentatie
en commercie. De échte wereld vind ik veel interessanter
dan de opgeklopte illusies en geliktheid van galeries, modeshows
en reclamespotjes. Ook bleek ik een bloedhekel te hebben aan
het in scène zetten van situaties of het manipuleren
van mensen om een gewenst beeld tot stand te brengen. Ik blijf
liever de introverte fotograaf die op het goede moment op de
juiste plek moet zijn en zelf het liefst onzichtbaar wil blijven.
Ook om een andere reden hield ik me liever bezig met de inhoud
dan met de verpakking van een beeld: het kaarsrecht op maat
snijden van passe-partouts was duidelijk teveel gevraagd van
mijn fijne motoriek. Liever stond ik af te drukken in de doka,
al was ik ook hier nooit helemaal tevreden met het eindresultaat:
in de praktijk was ik vaak te onhandig om aan mijn steeds perfectionistischer
wordende eisen te kunnen voldoen.
|
| |
| kinderziektes |
|
|
De
journalistiek documentaire opleiding, die vanaf
1993 werd aangeboden, had nog last van kinderziektes.
Er was te weinig tijd ingeruimd om technische trucs
onder de knie te krijgen. Wie iets niet meteen doorhad,
werd verleid om voor een paar honderd gulden extra
nog een cursus flitstechniek of studiofotografie
te volgen, zodat weer een paar docenten van de straat
gehouden konden worden.
Volgens Han Sieveking had je, als je efficiënt werkte,
zestien uur per week nodig om alle opdrachten van
de opleiding af te maken. Efficiency en snelheid
komen voor mij in de praktijk meestal neer op een
stressvolle manier van werken waarbij geen ruimte
is voor dagdromen en het uitwerken van creatieve
impulsen. Gelukkig werd ik in het tweede studiejaar
verlost van een kantoorbaan bij de Amsterdamse rioolwaterverwerking,
waarna ik me fulltime en veel relaxter op het fotograferen
kon storten. De kwaliteit van mijn foto's werd nu
zichtbaar beter en Joost van den Broek ging me waarderen
als laatbloeier.
Han en Joost beseften overigens wel dat het kleine
groepje studenten dat nog niet was afgehaakt, veel
dingen nog niet goed onder de knie had. Ze namen
het wijze besluit om op kosten van de academie de
opleiding met een half jaar te verlengen.
Helaas leerden we niet hoe je als fotograaf aan
fatsoenlijk betaalde klussen moet komen. "Dat
moet je gegund worden", was het onbevredigende
antwoord van Han op de vraag hoe we na de academie
aan de slag konden raken. Na de opleiding bleek
de fotografenwereld vooral een jungle van scharrelaars
te zijn, die min of meer gedwongen worden om te
bluffen over hun eigen kunnen, elkaar amper het
licht in de ogen gunnen en zich tegen elkaar uit
laten spelen door grote uitgevers met beruchte wurgcontracten.
|
|
|
zelfportret als lesopdracht
van de fotoacademie (1994)
|
| |
| |
|
|
onthaasting
Na de opleiding ben ik gaan werken als freelance fotograaf.
De eerste tien jaar heb ik veel voor tijdschriften en
uitgevers gedaan. Ik werkte dan meestal op locatie en
probeerde de werkelijkheid te benaderen zonder die te
manipuleren. Dus geen glamour- en studiofotografie en
geen gezeul met koffers vol lampen en statieven, met als
bijkomend voordeel dat ik altijd per fiets en trein ben
blijven reizen.
Na de digitalisering van de fotografie namen redacties
en uitgevers steeds vaker genoegen met amateurbeelden
die vrijwel gratis beschikbaar werden gesteld. Dokavaardigheden
waren niet meer nodig en beeldmateriaal kon nu eindeloos
gekopieerd worden, legaal of illegaal. Schrijvende journalisten,
die vroeger altijd samen met een fotograaf op pad gingen,
namen steeds vaker een camera mee om zelf foto's te maken.
Lezers die het verschil tussen een goede en een middelmatige
foto kunnen zien, zullen daar niet blij van geworden zijn.
Bij de fotoklussen die bleven, werd steeds minder aan
het inzicht van de fotograaf overgelaten: steeds vaker
moest je je conformeren aan de soms riducule eisen van
verwaande redacteuren en artdirectors. Zolang het erom
ging dat je gewoon goed werk afleverde, zelf kon bepalen
hoe je dat deed en de meeste opdrachtgevers integer waren,
kon ik me in de fotografie thuisvoelen. Nu draait het
ook in dit vak steeds meer om goed kunnen lullen en aandacht
trekken, terwijl vooral anderen de vruchten van jouw werk
plukken.
Sindsdien ben ik steeds meer gaan schrijven. Om niet net
zo'n beunhaas te worden als veel fotograferende schrijvers,
beperk ik me als schrijvend fotograaf tot zaken waar ik
echt verstand van heb. Zo heb ik voor het buitensportmagazine
Op Pad tientallen reportages gemaakt over fiets- en langlauftrektochten.
Ook heb ik een fietsroute van ruim duizend kilometer langs
de frontlijn van de Eerste Wereldoorlog uitgestippeld
en daarvan een fietsreisgids gemaakt ('Fietsen langs de
Frontlijn', zie www.frontlijnroute.nl).
Gouden bergen levert dit alles niet op omdat je daarvoor,
ten koste van vakgenoten, een gehaaide netwerker en rat
racer moet kunnen en willen zijn. Veel belangrijker is
voor mij dat ik nu mijn tijd en energie kan steken in
dingen die me boeien en waar ik goed in ben; en op een
onthaaste manier kan werken, alle stoere praatjes op de
Fotoacademie dat je het als fotograaf drukker dan druk
zou moeten hebben, ten spijt.
Daarnaast vul ik ongeveer één op de vier dagen met fietsen
en wandelen. En last but not least ben ik klusjesman in
een eeuwenoud huis in de binnenstad van Leiden, waar ik
in 2001 met mijn vriendin ben gaan wonen.
|
| |
Maak
voor het bekijken van de rest van deze website een keuze uit
het menu hieronder. |
| |
|