SCHOOLBANKVERHALEN
 

De volgende sfeerverhalen waren in eerste instantie bedoeld voor publicatie op www.schoolbank.nl.
Enkele ex-schoolgenoten hebben daar enthousiast op gereageerd: hoewel hun persoonlijke ervaringen uiteraard heel verschillend waren, ervoeren ze het lezen van mijn herinneringen als een aha-erlebnis, met name de beschrijvingen van docenten.
Helaas werden de teksten op de schoolbanksite, met uitzondering van de eerste regels, al gauw slechts toegankelijk voor de kleine groep bezoekers die bereid is daarvoor te betalen. Ook worden langere verhalen er verminkt door ze na een aantal lettertekens ineens af te kappen. Daarom heb ik mijn schoolbankverhalen nu aan mijn eigen website toegevoegd: te lezen voor iedereen die hier via via, googelend of bij toeval is beland. Geniet en huiver!

 
Lees verder of klik snel door naar een van de volgende scholen:
 
De Duinkrekels, IJmuiden (1962-1964)
Prof. J.H. Gunningschool, IJmuiden (1964-1970)
Gymnasium Felisenum, Velsen Zuid (1970-1978)
Universiteit van Amsterdam, Sociale Geografie en Planologie (1978-1988)
Foto Academie, Amsterdam (1993-1996)
 
Enkele citaten uit ontvangen e-mails
 

"Ik vond jouw verhaal op Schoolbank erg herkenbaar. De moeite die kinderen hebben met schoolsystemen, ouders, koddebeiers, potentaten, liefdes, keuzes en volwassen worden. De drang om de wereld te verkennen en de passie voor het fietsen zat er al vroeg in.
Bij jou in de klas zitten was wel bijzonder. Je verzette je behoorlijk en was luid en duidelijk aanwezig. Jij haalde altijd een 10 en bij het om de beurt oplezen van onze cijfers kon jij zo heerlijk luid en triomfantelijk TIEN!!! scanderen. Als we onverhoopt vrij hadden, omdat de juf ziek was, juichte je het hardst. Bij het overlopie spelen was je een ongrijpbare factor door je loopvermogen."


"Met heel veel plezier heb ik je uitvoerige beschrijving van jouw ervaringen op alle "scholen" die je hebt doorlopen gelezen. Met plezier omdat je goed kan schrijven en omdat ik - wat betreft de school waar we allebei op hebben gezeten - veel herken. Jouw beschrijvingen van Groenhart, Kofman, Snippe, Boomgaard, Poortman, Mulder en Tromp zijn vaak heel treffend. Zeven jaar lang heb ik ook met deze heren te maken gehad, dus ik weet waar het over gaat!"

"Na een kwartier of zo viel mijn mond open van verbazing; zelden een zo treffende beschrijving van het schoolklimaat 1970-1978 gelezen als dit. En zo mooi verwoord. Weliswaar heb ik een iets andere perceptie en mag ik het misschien niet op alle punten met je eens zijn - ik kon het namelijk wel erg goed vinden met John Mulder *grin* al had ik ook een pesthekel aan zijn vooringenomenheid soms - maar je beschrijving van sommige leraren is meer dan treffend."

"Zeer maar dan ook zeer boeiend. Ik herken niet alles omdat ik niet in elke klas met jou heb gezeten, maar het komt me zeer realistisch over. Ik vond het jammer dat er een einde aan kwam!"

"Bedankt voor je mooie verhalen. Inderdaad is daar heel veel in te herkennen, en je weet het erg goed te beschrijven. Ik heb slechts kort bij jou in de klas gezeten, daar ik absoluut geen aanleg voor exacte vakken heb. Die periode kon ik echter geen hoogte van je krijgen en nu begrijp ik ook wel waarom."

"Bij toeval kwam ik jouw site tegen op het internet. Wat een schok om die gymnasium Felisenum verhalen te lezen! Tja Kees, er ging een schok van herkenning door me heen toen ik jouw artikel las. Ik voelde me doodongelukkig daar op school. Vele jaren later werd ik in onaangename dromen nog steeds geconfronteerd met bijvoorbeeld Valter of Groenhart. Ik heb er een levenslange aversie tegen alles wat met onderwijs te maken heeft opgelopen! Zo zie je maar, het Felisenum was geen plek voor creatieve mensen met een eigen wil! Maar knap wat je nu presteert! Hopelijk blijft de kwajongen in je zegevieren!"

"Ik lees nu voor de 2de keer je mooie verhaal over het Felisenum. Je hebt heel wat veranderd volgens mij. Het is er alleen maar kleurrijker van geworden. Het idee dat ik deel uitgemaakt heb van zoveel historie doet mij van binnen juichen. Wat was het leuk en wat heb ik aan de zijkant geleefd al die jaren. Observeren, dat is mij wel toevertrouwd, maar jou ook. Ik heb je natuurlijk uitgebreid gesproken bij het vorige lustrum en het mysterie Kees Swart is voor mij toen gedeeltelijk opgehelderd."

 
De Duinkrekels, IJmuiden (1962-1964)
 
vouwblaadjes
Ik herinner me nog de allereerste schooldag: zodra mijn moeder mij aan juf Jansen had toevertrouwd, sloeg ik luid blèrend met mijn vuistjes op de deur, waar de juf tegenaan moest leunen om mij binnen te houden. Ik kende er niemand. Vlak na mijn vierde verjaardag waren we van Anna Pauwlona naar IJmuiden verhuisd.
Al snel was ik voldoende gedresseerd om braaf naar school te gaan, maar echt naar mijn zin heb ik het er nooit gehad. Ik speelde graag met blokken. De juf vond het echter heel belangrijk dat we ook zestien vierkantjes leerden vouwen, zelfs toen we dat al tigmaal gedaan hadden. Als het eindelijk weer tijd voor de blokken was, werd ik door de vechtersbaasjes uit mijn klas opzij geduwd. Ze gingen pas weg wanneer de juf zei dat alle jongens weer met vouwblaadjes aan de slag moesten. Dan bleef ik dus lekker tussen de blokken zitten en was ik Oost-Indisch doof als de juf mij tot de orde riep. Juf Jansen liet echter niet met zich spotten. Ze moest veertig kleuters in het gareel houden en duldde geen dissidentjes. Steeds vaker moest ik in de hoek staan.
   
4 jaar? mwah... (1 januari 1962)
 


Schele Wimpie
Buiten liepen we soms met de orgelman mee. Of achter Schele Wimpie aan, een mongooltje uit de buurt. Altijd liep hij te roffelen op een grote trommel.
De wereld om me heen zat vol mysteries. Ik snapte niet hoe Sinterklaas met een paard over de daken kon lopen, vroeg me af wat 'communistisch China', dat op het radionieuws steeds weer plechtig werd aangekondigd, betekende, of hoe een boot zich over het water verplaatste zonder te zinken. Voor dat laatste had ik een oplossing bedacht: onder de schepen die ik tekende, zaten lange poten met wieltjes, zodat de vaartuigen over de zeebodem konden rijden en toch boven water bleven.
Op weg van school naar huis vertelde Frits me een keer heel stoer dat hij het sleuteltje van de gevangenis had. Ik begreep amper wat een gevangenis was, maar voelde me toch niet op mijn gemak. Wist ik veel dat Frits graag een beetje blufte…

 
Duinkrekels met o.a. Frits Rijperman, Cees Broek en Rob Naborn (1962-1963)
 
zingende Italianen
Juf Jansen kwam een keer op bezoek bij ons thuis. Sindsdien zei mijn moeder enkele keren: "Juf Jansen is gek met een touwtje om haar nek: trek, trek!" Wat voor raar spelletje dat nu toch was, wist ik niet. Jaren later begreep ik dat de juf was komen vertellen dat ik aanpassingsproblemen had. Mijn moeder wist zich daar blijkbaar niet goed raad mee en kon dan nogal theatraal uit de hoek komen. Naarmate ik ouder werd, zou ik steeds minder gaan voldoen aan het simpele ideaalbeeld dat ze voor ogen had. Ze kon sowieso beter opschieten met jonge kinderen, die met sprookjes en spelletjes nog te sussen waren, dan met tieners die confronterende vragen gingen stellen. Ook leek ze meer van meisjes dan van jongens te begrijpen; misschien kwam dat omdat ze wel drie oudere zussen, maar geen broers had.
Als kleuter kreeg ik ernstig last van mijn maag en darmen. Daarvoor gingen we naar een kinderarts in Beverwijk: helemaal door de Velsertunnel. Soms zat achter in de bus een groep zingende Italianen, op weg naar de hoogovens. Naar school hoefde ik voorlopig niet meer en ik genoot van de herwonnen vrijheid: volop spelen met mijn eigen blokken en lekker crossen op mijn step.
 
Prof. J.H. Gunningschool, IJmuiden (1964-1970)
 
verveling
Ik was trots toen ik eindelijk naar de Grote School mocht. De eerste jaren waren goed te doen, al sloeg de verveling snel toe en moest ik nablijven als ik niet bij de les was. Juf Braaksma kon niet weten dat ik het eerste leesboek tijdens de les al uitgelezen had, terwijl ze met de klas pas halverwege was.
Juf Parent was soms best een bitch, maar dat moest ze ook wel zijn om respect af te dwingen in een klas van veertig leerlingen. Bij haar leerde ik in ieder geval wat. Ik haalde hoge cijfers, behalve voor schrijven: mijn hanepoten leverden slechts vieren en vijven op. Toch was juf Parent heilig vergeleken bij wat nog komen zou.
 
Gunningschool, derde klas met juf Parent (1966-1967)
 
Dikke Wille
Vanaf het eind van het derde jaar kregen we Wille voor de klas: een echte kerel die niet gebukt ging onder enige intellectuele bagage en verzot was op voetballen en eten. Op deze school kwam hij daar goed mee weg.
Willes eetlust was niet te stillen. Elke dag liet hij tijdens de les iemand uit het raam klimmen om worst voor hem te halen. De slager om de hoek moet een gouden tijd hebben gehad. Ook Willes manier van lesgeven was opzienbarend: wekenlang liet hij ons alleen maar cijferen, waardoor ik voor het eerst echt de pest aan school kreeg.
Taal leerden we onszelf door tijdens de les elkaars stripboeken te lezen. Dikke Wille vond het prima, zolang zijn maag maar gevuld was. 'Erst kommt das Fressen, dann die Moral' moet zijn motto zijn geweest. Kreeg hij weer trek, dan verscheen er een valse blik in zijn ogen. Bijten deed hij niet, maar gooien des te meer. Meestal met krijt of met een balletje, maar als je pech had kreeg je een sleutelbos tegen je hersenpan. Zo leerde ik razendsnel duiken en opzij springen (een strategie die ik tijdens sportlessen op de middelbare school toe ben blijven passen om aansuizende ballen te ontwijken, tot wanhoop van de gymleraar).
 
strafregels
Dinsdagmiddag begon meestal met een uur zwemles. Daarna fietsten we terug naar school, waar Wille niet stond te popelen om nog een uur les te geven. Haast elke week bedacht hij wel een reden om de hele klas na het zwemmen honderd strafregels te laten schrijven. Na een stuk of wat van zulke middagen ging ik me afvragen waarom we dit nog pikten en iedereen toch steeds weer braaf die honderd regels neerpende. Helaas miste ik het charisma om mijn klasgenoten mee op de barricaden te krijgen. Wel verscheurde ik, toen we ons strafwerk thuis af moesten maken, verontwaardigd mijn reeds volgeschreven velletjes op het schoolplein.
Al snel werd ik mikpunt van Willes toorn. Steeds vaker werd ik de les uitgestuurd en moest ik op de gang bij het keukentje staan. Als ik dan merkte dat Lambeck, het licht ontvlambare schoolhoofd, er aan kwam, verborg ik me in het bezemhok onder de trap. Daar vond ik op een dag mijn fiets terug, die een week eerder uit de stalling was verdwenen en zogenaamd door niemand gevonden was!
Ik heb niet kunnen ontdekken of er achter in de bezemkast nog lijken lagen, want voortaan werd ik met tafel en stoel op de gang gezet, zodat Wille me vanuit de klas nog kon zien. Qua comfort was dit wel een vooruitgang.
 
etterbakjes
Dikke Wille was niet het enige onheil dat voortdurend op de loer lag. De straten van IJmuiden werden onveilig gemaakt door vechtlustige etterbakjes die ik liever niet tegen het lijf liep. Soms had ik ze op tijd in de gaten en wist ik met een omweg veilig thuis te komen. Ook met hard rennen kon ik ze aardig op afstand houden. Wanneer ze echter samen met mij uit school waren gekomen en riepen: "Jou moet ik nog hebben!", was ik hun prooi en kwam ik bont en blauw geslagen thuis.
Safer was het in het bos, waar ik veel met Frits speelde. Frits was ook een prima bodyguard tegen straattuig.
Soms fietsten we naar de spoorlijn voor de treintunnel; we legden dan een stukje grind boven op de rails, doken weg en bleven wachten tot er een trein voorbijkwam. Gelukkig reden de treinen altijd door.
Ook crosten we door de voortuin van onze klasgenootjes Shirley en Louise, of haalden met onze lieve smoeltjes oude kranten op om fikkie te gaan steken.
 

Frits (cool in zijn fietskledij) en ik ('strak in het pak', conform de mode-opvattingen van mijn moeder) (1967)

Een van mijn favoriete plekken was het hoge duin dat werd afgegraven om plaats te maken voor de voetbalvelden van Stormvogels. Hier kon je vele meters naar beneden springen en een zachte landing in het zand maken. Zolang je niet te dicht bij de dragline kwam, leek het hier niet gevaarlijk, totdat een blindganger uit de Tweede Wereldoorlog uit het zand werd opgevist: half IJmuiden werd geëvacueerd totdat de bom onschadelijk was gemaakt.
We kropen hier onder het prikkeldraad door naar de verboden duinen waar Zeewijk gebouwd werd. Al gauw werden we betrapt door een boswachter. Hij had een boek met alle namen en adressen in IJmuiden bij zich en heeft, nadat we keurig onze namen hadden genoemd, een brief naar onze ouders laten sturen. Er mocht niet gespeeld worden in deze kwetsbare duinen, die echter gedoemd waren plaats te maken voor torenflats, wegen en sportvelden.
Het afgraven van duinen en bouwen van steden ging ik zelf nabootsen in duinzand. Later ging ik hiervoor naar het strand, waar bij laag water ook stromend water voorhanden was voor mijn eigen versies van de deltawerken. Op de stillere stukken strand had ik gelukkig geen last had van straatschoffies en leeftijdgenoten die niets van mijn creaties begrepen en het maar kinderachtig vonden dat ik nog met zand speelde.
Geleidelijk werd mijn wereld groter dan de directe omgeving van IJmuiden. Op de fiets reed ik als elfjarige al stiekem naar Haarlem. Amsterdam bleef voorlopig nog buiten bereik, al drong er wel iets door van de nieuwe tijdgeest in sommige rijmpjes die op het schoolplein werden opgedreund: "Lange haren, witte jekken, laat de smerissen maar verrekken. Oef oef oef, tam tam tam, wij zijn lid van de Provo stam!"
 
driftbuien
Uiteindelijk verloste meneer Hessels ons van Dikke Wille. Er restte nog een paar jaar om ons in te laten halen wat bij Wille was blijven liggen. Nogal wat klasgenootjes konden alleen stripverhalen lezen en strafregels schrijven. Vaak moesten ze ook de tafels van drie tot en met negen nog leren.
Zelf had ik nogal wat averij tussen de oren opgelopen. Ik werd onrustig, neerslachtig en kreeg last van driftbuien en nerveuze tics, die voor mijn medescholieren niet onopgemerkt bleven. De kinderpsycholoog kon gissen naar de oorzaken en verwees me door naar een specialist. Een EEG (hersenscan), pillenkuur en vele bezoeken aan de neuroloog volgden tot rond mijn veertiende. De diagnose die destijds werd gesteld, is inmiddels achterhaald. Maar ook vandaag de dag zouden de symptomen vast en zeker van een mooie naam zijn voorzien.
Mijn onvrede met van alles en nog wat resulteerde soms in uitdagend quasistoer gedrag. Zoals op een middag, toen ik bij het verlaten van de school een onbekende moeder met een norse blik over het schoolplein zag lopen. Vermoedelijk had ze een afspraak met schoolhoofd Lambeck, waar ze zich helemaal niet op verheugde. Voor ik er over na had kunnen denken, riep ik luid "Vies wijf!" en liep vervolgens snel weg. De volgende dag moest ik bij Lambeck komen. Nog nooit had ik hem zo kwaad gezien. Ik verwachtte een donderpreek met strafwerk, maar in plaats daarvan vroeg hij mij naar het beroep van mijn vader. Hij wist drommels goed dat mijn vader leraar was en vond blijkbaar dat ik moest beseffen dat een leraarszoontje zich anders hoorde te gedragen dan een doorsnee IJmuidens straatschoffie. Ik antwoordde braaf 'ja meneer' en 'nee meneer' om de boel niet verder te laten escaleren. Eigenlijk had ik moeten zeggen: "Sorry meneer Lambeck, maar ik kreeg opeens een opwelling van het syndroom van Gilles de la Tourette. En als u vindt dat leraren een voorbeeldfunctie horen te hebben, waarom heeft u dan in hemelsnaam Henk Wille aangenomen en jarenlang zijn gang laten gaan?" Gelukkig voor Lambeck was ik niet zo assertief en had ik nog geen weet van interessante termen waarmee puberaal gedrag witgewassen kan worden; met zijn rood aangelopen hoofd en fragiele gezondheid had hij wel een acute hartstilstand kunnen krijgen...
Hessels maakte er met zijn kids het beste van, maar kon met mij niet veel meer beginnen. Op school bleef ik me stierlijk vervelen. Huiswerk maakte ik niet, strafwerk en nablijven was routine geworden. Op een dag schreef Hessels een boze brief die ik door mijn ouders moest laten tekenen. Daar had ik helemaal geen zin in; mijn ouders begonnen steeds meer een verlengstuk van de school te worden. Wekenlang verzon ik uitvluchten waarom ik de brief nog niet had laten tekenen, totdat mijn moeder hem uit de zak van mijn jas viste toen ze deze in de was wilde doen.
In het laatste jaar trok ik nog op met Hendrik (die mij een jaar eerder in het Gijzenveltplantsoen nog flink in elkaar had geslagen; blijkbaar was ik me goed bewust van het principe 'if you can't beat them, join them'). Na het afscheidsfeest zag ik helemaal niemand meer. De Cito-toets had mijn klasgenoten op andere scholen doen belanden. Alleen Ineke ging net als ik naar het gymnasium. Daar zou ik mijn draai wel vinden, dacht men.
 
Gymnasium Felisenum, Velsen Zuid (1970-1978)
 
Felisenum-blues
Acht heftige jaren heb ik hier doorgebracht met strebertjes, nerds in de dop, ontkiemende corpsballen en dolende pubers. Er heerste een cultuur van presteren, incasseren en vissen naar de gunsten van wispelturige leraren. Dit paste niet bij mij want erg ambitieus, stressbestendig of handig in de omgang was ik niet. Wel verlegen (hoezeer ik dat ook probeerde te overschreeuwen) en rusteloos als ik me niet op mijn gemak voelde; ook masochistisch genoeg om de Felisenum-blues tot het einde uit te zingen, al was ik na mijn ervaringen op de lagere school niet bereid om alles over mijn kant te laten gaan. Ook op deze school zat er voor mij al gauw niks anders op dan de confrontatie aan te gaan, al werd me na verloop van tijd wel duidelijk dat ik hier andere strategieën moest hanteren dan ik in IJmuiden had aangeleerd.
 
Brulpaap
Vanaf de eerste schooldag lag ik op ramkoers met gymleraar Mulder. In turnen was ik niet slecht, maar Mulder vulde zijn uren vooral met allerlei teamsporten waarvan niemand mij de regels had bijgebracht. Hockey, volleybal en softbal waren totaal onbekend voor mij; en wat er zo leuk aan was om elkaar op te jutten en af te snauwen om zoiets banaals als een voetbal, had ik ook al nooit begrepen. Tot overmaat van ramp was de communicatie tussen mijn onrustige hoofd en slungelige ledematen verre van optimaal voor dit soort sporten: niet voor niets ging ik de eerste jaren regelmatig naar een neuroloog. Bewegen in de buitenlucht deed ik overigens graag, maar dan wel op mijn eigen manier: niet op een fantasieloos sportveld en niet gebonden aan allerlei regeltjes en prestatie-eisen.
Mijn eerste goedbedoelde poging om een bal te werpen hoonde Mulder meteen weg als 'meidengooi'. Meer van dit soort kwalificaties volgden en al snel had ik het helemaal met hem gehad; ik raakte geen bal meer aan. In goed gezelschap van Willem Lust of Otto von Hertzberg bleef ik over wanneer er teams gekozen werden. Meestal stond ik achter in het veld weg te dromen. Een enkele keer klom ik in een boom naast het veld om neer te kunnen kijken op dat laag-bij-de-grondse gedoe met ballen. Mulder hield nooit op om commando's à la Louis van Gaal uit te delen en mij uit te foeteren: "Swart, let op de bal!", "Swart, klim uit die boom!"," Swart, sta niet uit je neus te vreten!"
De enige keer dat Mulder een wadlooptocht organiseerde, was ik aangenaam verrast. Wadlopen vond ik gaaf. In plaats van blij te zijn dat ik nu eens wèl enthousiast was voor een van zijn activiteiten, ontmoedigde Mulder mij om mee te gaan: hij wilde niet geloven dat ik de pittige tocht naar Schiermonnikoog vol zou houden. Ik ging toch, zonder problemen. Het was typisch John Mulder: onuitstaanbaar dominant, altijd paraat met commentaar en nul komma nul begrip voor leerlingen die niet in zijn kudde mee wilden lopen.
Met Frans Visser imiteerde ik zijn donderpreken, Peter Tjalsma noemde hem treffend 'Brulpaap'. Sjef Souwer zag ik zelfs een keer aanstalten maken om met Mulder op de vuist gaan. Maar bij velen was hij onbegrijpelijk populair. Inmiddels zullen heel wat van zijn toenmalige fans buikige vijftigers zijn geworden, die fysiek niet meer in staat zijn om op eigen kracht een tocht als deze (Franse Alpen), deze (IJsland) of deze (Engeland per ligfiets) te maken.
 
Felisenum, klas 1B met beeldend kunstenaar Henk Ames en Ma van den Berg, die de administratie deed (1970)
 
rijtjes en feitjes
Ook bij andere leraren was het spitsroeden lopen. Ik wilde best wel wat leren maar was ook een verwoede dagdromer: mijn gedachten waren zelden bij de les als het met een docent niet klikte. Wolkenluchten of wandplaten waren veel interessanter dan Latijnse stamtijden. Soms had ik ook al mijn aandacht nodig om de met speeksel doordrenkte propjes, die enkele klasgenoten mijn kant op schoten, te ontwijken.
Op de lagere school had ik nooit wat aan huiswerk gedaan, maar nu was er niet meer aan te ontkomen. Echt moeilijk was het allemaal niet. Superslim hoefde je op een gymnasium ook niet te zijn, je had meer aan een fotografisch geheugen. Na schooltijd kon ik me echter maar weinig herinneren van wat tijdens de lessen besproken was. Ook kostte het me veel moeite om aan het eind van de middag mijn puberende hoofd nog een paar uur aan het werk te zetten. Ik had weinig zitvlees en haatte het eindeloos instampen van rijtjes en feitjes.
Vragen over de les stelde ik nooit: de leraren zouden me toch maar een sukkel vinden of erachterkomen dat ik helemaal niet had opgelet. Als ik zelf een vraag moest beantwoorden, had ik vaak geen flauw idee waar het over ging en probeerde ik me er op een clowneske manier uit te redden.
De prestatiedruk leidde tot faalangst en ondermijnde mijn motivatie om naar school te gaan. 's Nachts droomde ik vaak dat ik achter in een bus zat die in tweeën brak: het voorste deel reed altijd gewoon door terwijl het achterste verongelukte. Na zo'n onrustige nacht brak meestal een stressvolle ochtend aan: keihard fietsen om net wel of net niet voor de tweede bel op school te zijn. En in het laatste geval ongezien voorbij het kantoortje van Ma van den Berg proberen te komen en stilletjes het leslokaal binnensluipen. Laat komen had overigens als voordeel dat het vieze rookgordijn in het halletje waar door scholieren gepaft mocht worden, dan al enigszins was opgetrokken.
 

verwachtingen
Thuis knapte ik af op de hooggespannen verwachtingen van mijn ouders. Voor hen was onderwijs iets heiligs: het enige dat leek te tellen, waren de schoolprestaties van hun kinderen. Ze wilden me klaarstomen voor een wereld waarin zij zelf de weg niet goed kenden en konden niet bevatten dat ik andere keuzes zou gaan maken dan zij voor ogen hadden. De taakopvatting van mijn ouders zou ongetwijfeld veel waardering hebben gehad van iemand als André Rouvoet (minister voor Jeugd en Gezin in het laatste kabinet Balkenende), maar in mijn ogen was hun manier van leven steeds meer een stressvolle en tobberige onderwerping aan de heilige drie-eenheid van carrière, huis en gezin. Voor mij geen aantrekkelijk voorbeeld om later te volgen: zelf zou ik er niet gelukkig van worden en de rest van de wereld, die steeds meer tekenen van uitputting en overbevolking ging vertonen, zat er ook niet op te wachten.
Ik zette steeds meer vraagtekens bij alles wat van mij verwacht werd, maar had nog geen overtuigend alternatief voorhanden. Mijn ouders konden stellig beweren dat ik helemaal vrij was om mijn eigen keuzes te maken (ze peperden me alvast in dat ik later niet moest gaan verkondigen dat ik van hen zo nodig had moeten studeren...), maar die keuzes moesten uiteindelijk wel hun goedkeuring krijgen. Het werd niet op prijs gesteld dat ik verder keek dan hun eigen blikveld toeliet. Ze kenden maar één recept voor een zinvolle manier van leven, waarvan ze de ingrediënten al keurig hadden uitgestald om te voorkomen dat ik, in hun eigen woorden, 'door scha en schande' wijs zou moeten worden. De overdosis aan dwangmatige goede bedoelingen had ik graag ingeruild voor een beetje meer ontspannen begrip. Dat laatste zou ik uiteindelijk nog het meest vinden bij een paar leraren.
Na het derde jaar kreeg ik een herexamen Grieks, wat betekende dat ik de hele zomervakantie moest gaan werken aan mijn meest gehate vak, waarvan niemand mij kon uitleggen wat de zin ervan was. Ik had toen beter naar een andere school kunnen gaan, maar mijn ouders gingen er stilzwijgend van uit dat ik mijn best zou doen om toch in het volgende jaar van het gymnasium te komen. Dat deed ik onder druk van een misplaatst schuldgevoel (mijn ouders vonden immers dat ik dankbaar moest zijn dat ik naar deze school mocht gaan), maar wel met de grootst mogelijke tegenzin en vastbesloten om niet nòg eens een zomer zo te laten verpesten. Dus voerde ik in de vierde klas niets meer uit na de paasvakantie, zodat ik zeker zou blijven zitten en tenminste weer een echte vakantie zonder schooltaken zou hebben. Vervolgens zou ik nog enkele jaren mijn tijd op deze school uitzitten zonder echt te geloven dat ik er ooit nog met een diploma van af zou komen. Vier jaar lang had ik in de oneven jaren een herexamen (Grieks of Latijn) en bleef ik in de even jaren zitten. De laatste twee jaar ging het weer goed, maar mijn afkeer van het gymnasium was toen al niet meer te keren.
Elke keer wanneer ik mijn rapport had laten zien, tierde mijn moeder dat ik mijn toekomst verknalde en bedolf ze mij met haar jeugdtrauma's en gemiste kansen. Overigens maakte ze op geen enkele manier aannemelijk dat ze het verder geschopt zou hebben als ze meer kansen had gekregen. Voor haar huwelijk was ze verpleegster geweest (in Friesland, waar rond 1950 meisjes met alleen huishoudschool nog toegelaten werden in een ziekenhuisopleiding). Later, toen ze de vijftig al gepasseerd was, is ze nog begonnen aan cursussen Duits en Engels, waar ze al heel snel de brui aan gaf. Als ze zo intelligent en ambitieus was geweest als ze zelf beweerde te zijn, had ze op z'n minst naar de moedermavo kunnen gaan. Het was echter absoluut taboe om hardop tegen mijn moeder te zeggen dat ze verwachtingen koesterde van haar kinderen waar ze zelf nooit aan zou hebben kunnen voldoen, maar dat ze wel hoopte een zeker aanzien te verwerven door onze prestaties. Ze had zich nooit ontworsteld aan de simpele en stichtelijke moraal van meisjesboeken en damesbladen uit de vroege jaren vijftig (bij het zien van een klassenfoto kon ze het een keer zelfs niet laten om een paar ideale schoondochters voor mij aan te wijzen) en stond stijf van de tegeltjesspreuken waarmee ze haar kinderen tot succesnummers dacht te kunnen drillen. Ik moest 'woekeren met mijn talenten' of anders maar een baantje gaan zoeken.
Hoewel mijn moeder van huis uit niet gebukt ging onder een streng geloof, vertoonde ze alle trekken van een bloedserieuze cultuurcalvinist. Het leven was voor haar geen feest. Een groot denker was ze niet, wel had ze over allerlei nieuwe verschijnselen die ze niet begreep, een ongezouten mening: ongehuwd samenwonen was 'hokken', vrouwen die demonstreerden voor het recht op abortus waren 'hoertjes', mannen met lange haren waren vies en onverzorgd, homo's en kinderloze echtparen waren sneu (net als ouders van kinderen die naar de LTS of huishoudschool gingen), mannen zonder fatsoenlijke baan of carrière waren 'kneusjes'. Als er op de TV gezoend werd, reageerde ze alsof er iets obsceens werd vertoond (tijdens de mooie naaktscènes van Pleuni Touw in de serie 'De Stille Kracht' was ze geschokt en siste ze vol afschuw dat dit 'een slechte vrouw' was). Ook over vrouwencafés of baaldagen kon ze tijdens het afwassen flink te keer gaan. Alles wat hip, ludiek of onconventioneel was, vond ze maar raar.
Het was vast niet de bedoeling van mijn moeder geweest om mij te stimuleren over al deze thema's eigen opvattingen te ontwikkelen die anders waren dan de hare, maar dit was wel het effect van het ongevraagd ventileren van haar mening over alles wat niet in haar vertrouwde wereldje paste. Wanneer ik openlijk commentaar gaf dat haar niet beviel, kreeg ik mijn kritiek als een boemerang retour. Ik moest niet denken dat ik iets te vertellen had zolang ik niet met goede rapportcijfers thuiskwam!
Meer dan eens voegde ze er aan toe - als verzachtende omstandigheid of om zichzelf vrij te pleiten? - dat ik de slechte eigenschappen van mijn beide opa's had meegekregen (in mijn herinnering twee bejaarde mopperkonten: de een was een dominante man die een leven als kleine zelfstandige visser op Wieringen geleid had en als negentiger nog lange monologen af kon steken over gruwelijke verkeersongelukken op de Afsluitdijk en ander wereldleed, de ander was een Westfriese arbeider met twaalf ambachten en dertien ongelukken, die een eenzame verbale strijd voerde tegen het kapitalisme).
Mijn moeder leek niet in staat om te beseffen dat haar gedrag nogal genant was en dat ik in veel opzichten best een makkelijke puber was. Ik rookte niet, dronk niet, maakte de straat niet onveilig en hield me niet bezig met sex, drugs en rock-'n-roll. Mijn ouders hadden pech dat ik een eigen wil had en niet het brave modelkind wilde zijn dat zij graag op de wereld hadden willen zetten; ik had pech dat ik niet in een warm nest van creatieve levensgenieters op kon groeien.

 
stille sabotage
Met de buitenwereld had mijn moeder niet veel contact meer. In de volkse Saturnusstraat sprak ze al steeds minder met de buren; in de chiquere Savornin Lohmanlaan, waar we gingen wonen toen ik zestien was, voelden onze naaste buren, de families Koppe en Van Tongeren, zich dermate boven ons verheven, dat ook mijn vader er geen normaal gesprek mee kon voeren. De beide buurvrouwen waren domineesdochters, die natuurlijk direct doorhadden dat mijn moeder niet van hun stand was (wel had mijn moeder heel toevallig 25 jaar eerder de vaders van deze dames gekend). Buurman Koppe was een ferm voorstander van de Amsterdamse plannen om een grote voorhaven buiten de IJmuidense pieren aan te leggen, met aanvoerwegen door de duinen die nu gelukkig een Nationaal Park vormen, terwijl zijn vrouw collectes voor het Wereld Natuur Fonds organiseerde. Buurman Van Tongeren was een nukkige professor in de geochemie aan de Universiteit van Amsterdam. Een van zijn ex-studenten was een jonge collega van mijn vader, die hem omschreef als een schertsfiguur die de laatste jaren voor zijn emeritaat doorbracht in een glazen hokje, waar hij af en toe een Latijnse kreet slaakte.
Tussen mijn ouders
en deze buren ontstonden ruzies over keukenluchtjes, de hoogte van een heg en het gebruik van een gezamenlijk pad tussen twee garages. Tijdens zo'n conflict riep buurvrouw Van Tongeren tegen haar man dat hij niet moest praten met 'het mindere volk'. Bij gebrek aan een Rijdende Rechter riepen mijn ouders uiteindelijk de hulp in van een wijkagent, die de kloof tussen hun machteloze onhandigheid en de kakkineuze arrogantie van de buren onmogelijk kon overbruggen.
Mijn moeder raakte steeds meer de weg kwijt. Ze raakte ervan overtuigd dat planten die zij zelf in de tuin had gezet, door iemand anders werden weggehaald. Eerst vermoedde ze dat de buren bij nacht en ontij haar plantjes hadden verwijderd, later verdacht ze mijn vader hiervan. Uiteindelijk besloot ze tot een tuinscheiding. De een mocht van haar alleen in de voortuin werken, de ander alleen in de achtertuin. Het zou niet haar laatste paranoïde waan zijn. In plaats van zich in iemands achtergrond te verdiepen, vulde mijn moeder zelf met behulp van haar eigen normen en waarden in wat anderen in een bepaalde situatie zouden moeten doen of denken. Vervolgens ging ze ervan uit dat haar zienswijze overeenkwam met de realiteit. Ze ging er zelfs prat op dat ze mensen goed doorzag. Jarenlang heb ik gedacht ik dat de redeneertrant van mijn moeder uniek was, maar sinds ik enkele debatten met Rita Verdonk heb gezien, besef ik dat er misschien nog wel ergere vormen van bestaan.
Communiceren was hoe dan ook een niet geringe uitdaging. De simpelste manier om het thuis nog een beetje gezellig te houden, was ja knikken, zoveel mogelijk negeren wat er gezegd werd, vooral geen discussie aangaan en stilletjes je eigen gang gaan. Het ja knikken hield ik nooit lang vol. Jarenlang zou ik doormodderen tussen lusteloos conformisme, stille sabotage en openlijk verzet.
Terwijl mijn moeder haar best deed om mijn broer en zussen - die drie tot tien jaar jonger waren - zo lang mogelijk als jonge kinderen te behandelen en zoet te houden met spelletjes en verhaaltjes (wel Pinkeltje maar zeker geen Pippi Langkous: dat was een raar meisje dat geen goed voorbeeld gaf!), wist ze zich geen raad met mijn oppositie. Op de planeet waar zij vandaan kwam, liepen immers alleen dankbare, ijverige en welopgevoede tieners rond, die geen kritiek hadden op hun hardwerkende ouders.
Mijn vader was subtieler en kon soms reageren met een licht onderkoelde humor, maar hij was ook een conformist die confrontaties het liefst uit de weg ging. Hij verborg zijn emoties zoveel mogelijk achter een façade van vormelijkheid. Voor zijn werk en studie kon hij zich urenlang afzonderen achter zijn bureau. De huiselijke beslommeringen en de opvoeding van zijn kinderen liet hij grotendeels over aan zijn vrouw. Als ik ruzie had met mijn moeder, koos mijn vader automatisch haar kant; anders zou ook hij op zijn donder krijgen. Eén van de lijfspreuken van mijn moeder was dan ook: "Man en vrouw zijn één in het huwelijk" (en mocht dat principe onverhoopt worden geschonden, dan gold nog altijd: "Scheiden is blijven zitten in de eerste klas van het leven").
Na jaren avondstudie was mijn vader leraar geworden (godzijdank niet op het Felisenum, al voelde ik me daar wel verplicht om af en toe te laten zien dat ik geen braaf leraarszoontje was). Ook hij was gevormd in de jaren veertig en vijftig en verkeerde in de waan dat zijn eigen kinderen geen enkele reden hadden om lastige pubers te worden. Hij had er moeite mee zijn leraarspet af te zetten als hij thuis was en vond dat ik leefde als 'een luis op een zeer hoofd'. In het eerste jaar kwam hij mijn huiswerk nog wel eens overhoren, maar dat gaf hij al snel op met de verzuchting: "Als jij ooit een diploma haalt, kunnen ze het beste mijn naam erop zetten." Keer op keer vertelde hij dat hij zelf in 1940 met negens en tienen van de mulo gekomen was. Op ouderavonden wilde hij àl mijn leraren spreken. Dan waren de rapen gaar. Alleen Roos Haverkamp, die Nederlands gaf, was positief geweest. Ze had tegen mijn vader gezegd dat ze me een leuke jongen vond en dat het met mij uiteindelijk wel goed zou komen. Toffe vrouw, die Roos.
 
eigentijds
Roos Haverkamp (die later als Roos Lubbers naam zou maken op het Barlaeus gymnasium in Amsterdam) deed haar intree in mijn derde jaar. Hoewel ze tot dezelfde generatie behoorde als haar voorgangster Oskamp (die wellicht ook, zoals vele babyboomsters, later weer onder haar eigen naam Beintema door het leven is gegaan), was er een opvallend verschil in stijl tussen deze dames. Een stevige tante uit een dorp in Noord-Holland, die niet aarzelde om een leerling voor rund of koe uit te maken en de orde handhaafde door keihard met het houten handvat van een bordenwisser op tafel te slaan, werd opgevolgd door een tengere, goed geklede en welriekende vrouw uit Amsterdam, die ons op een elegante maar vastberaden wijze kennis liet maken met haar eigentijdse opvattingen.
Ik heb veel aan haar lessen gehad. In plaats van te verzuchten dat ik beter op zou moeten letten, stimuleerde ze me juist om mijn eigen gang te gaan en zelf te ontdekken waar ik goed in was. Rond mijn zestiende werd ze erg enthousiast over de opstellen die ik inleverde, waardoor ik steeds meer plezier in schrijven kreeg. Ook heeft ze mij, precies toen ik daar hard aan toe was, geholpen met het ontwikkelen van andere normen en waarden dan ik van huis uit had meegekregen. Zo haalde ze tijdens een discussie over legalisering van abortus de simpele wijsheden van mijn moeder onderuit door te verkondigen dat ieder meisje in mijn klas zwanger kon worden. Tot dan toe was mij altijd voorgehouden dat dit ondenkbaar was zonder huwelijk en had ik er verder maar niet over doorgevraagd. (Even leek zelfs 'draadloze' bevruchting tot de reële mogelijkheden te horen, tot bij mij het kwartje viel na het lezen van stiekem op school verspreide pornoblaadjes; hierin werd eindelijk het paringsproces zelf uitvoerig en prikkelend beschreven, terwijl tijdens de biologielessen elke nieuwsgierigheid hiernaar was gesmoord in eindeloze uitweidingen over eisprongen en celdelingen).
Niet iedereen was gecharmeerd van de lessen van Roos Haverkamp. Dat bleek toen een voor mij onbekend gebleven klasgenoot tijdens de pauze 'haverconcentratiekamp' op het schoolbord had geschreven. Waar andere leraren een klopjacht naar de dader zouden zijn begonnen, besloot Roos de uitdaging in eerste instantie te negeren en gewoon les te geven. Een paar dagen later begon ze zonder enige uitleg, maar stijlvol en doeltreffend, voor te lezen uit 'Ondergang' van Jacques Presser; eerst kalm en routineus, maar na een tijdje verschenen er tranen in haar ogen. Muisstil luisterden we toe. Zonder gebruik te maken van dreigementen, verklikkers en sancties werd ons duidelijk gemaakt dat er een grens was overschreden.
Helaas vond Roos na drie jaar een andere baan. Haar vakgenoten en opvolgers - de goedmoedige provinciaal Don, de dandy-achtige Lex ter Braak en het museumstuk Van Eck - konden haar niet echt vervangen.
 

rode deur
Vaak moest ik me melden achter de rode deur van de rectorskamer. Soms wist ik niet eens waarom, maar wat maakte het ook uit: leraren kon ik met mijn ongemakkelijke mix van schroom en boosheid toch niet behagen en bij gebrek aan beter leek de geuzenrol van zondebok zo gek nog niet. Af en toe een relletje was ook broodnodig voor onze sociale vorming: nogal wat docenten lieten zich dan rap ontmaskeren als naar spruitjes geurende keizers zonder kleren.
Rijk Kofman was overigens een sympathieke en integere rector. Als een eerbiedwaardige Albus Perkamentus paste hij de laatste jaren voor zijn pensionering op de school, nadat zijn voorganger Nederlof ziek geworden was. Hij had deze job niet geambieerd en leed niet aan de kapsones waar eerzuchtige leidinggevenden vaak last van hebben. Ook had hij zelf vroeger op de HBS gezeten, waardoor hij beter dan anderen besefte dat het gymnasium niet zaligmakend was.
Verder
wist hij met onzekere en beweeglijke jongetjes om te gaan. Ambtshalve sprak hij me ouderwets vermanend toe en soms dreigde hij me van school te sturen, maar hij liet me wel in mijn waarde. Achter de jampotglazen van zijn bril school een vriendelijke blik; ik kreeg nooit het gevoel dat hij een hekel aan me had. Zijn kalme terechtwijzingen werkten beter dan de harde maatregelen van anderen, die bij mij slechts verontwaardiging en verzet opriepen.
Voordat hij rector werd, was Kofman een inspirerende natuurkundeleraar. Nadat hij had uitgelegd hoe een pomp werkt, ging ik er thuis zelf een bouwen van stukjes buis, ijzerdraad en kurk. Ik was toen amper veertien, maar mijn vader kon het weer niet laten om mijn creativiteit met kurk te beschouwen als het embryonale stadium van een wetenschappelijke carrière en overviel me met een brochure over opleidingen aan de TU Delft.
Zelf dacht ik op dat moment meer aan een leven als vuurtorenwachter op Terschelling, maar mijn vader zag liever dat ik zijn eigen, ook al niet erg realistische dromen waarmaakte. Onbezorgd knutselen en pretentieloos fantaseren werd niet langer gewaardeerd. En bij de warhoofden Van Heijst en Jansen, die als onervaren twintigers de lessen van Kofman gingen overnemen, was mijn kalverliefde voor het vak natuurkunde voorgoed passé.

 
shock and awe
Als ik pech had, was Kofman er niet en zat conrector Groenhart achter de rode deur. Altijd met een gladgeschoren tronie, strak gekamd en gedast, popelend om zelf rector te worden, wat hem uiteindelijk in Alkmaar gelukt is.
Hij was oud-leerling van deze school en voelde zich geroepen om de gymnasiale mores uit zijn jeugd streng te bewaken, het liefst met 'shock and awe'-methodes. Cartoons in mijn schriften en erotische poëzie van klasgenoten in de schoolkrant moesten sneuvelen in zijn kruistocht tegen alles wat riekte naar subversie. Berucht waren zijn 'razzia's'. Groenhart observeerde dan vanuit de gang een les van een collega, gooide plotseling de deur open en riep driftig: "Jij, jij en jij daar, meekomen!"
Bij sommige lessen gebeurde dit zo vaak, dat we een alarmsignaal ontwikkelden. Zodra het hoofd van Groenhart voor een ruit verscheen, werd er "Razzia, razzia" door de klas gefluisterd, soms met de toevoeging "Grüne Polizei". Effectief was dit alarm echter niet. Groenharts gezag berustte op repressie, niets doen was voor hem geen optie: hij wist precies wie hij wilde pakken.
Op een dag viel ik, pisnijdig na anderhalf uur nablijven, onaangekondigd Groenharts kamer binnen om mijn strafwerk resoluut op zijn bureau te dumpen en vervolgens naar huis te gaan. Op dat moment had hij een ernstig gesprek met Max Verstappen (www.maxverstappen.nl), misschien wel een laatste poging om Max ervan te overtuigen dat kennis van morsdode talen veel belangrijker was dan poppentheater. Max vertelde me later dat Groenhart ziedend was over mijn actie. Tja, hij mocht zijn principes hebben, ik was de mijne aan het ontwikkelen en vond hem maar een sneue dienstklopper.
In een zeldzame vlaag van verlichtheid leek Groenhart zich wel eens te willen verdiepen in de zieleroerselen van zijn lastpakken. Hij vroeg mij een keer of de NJN niks voor me was, waar Marjolein Smit wervende stukjes over schreef. Misschien zou ik het bij deze natuurjongeren wel naar mijn zin hebben gehad, maar ik zat inmiddels te slecht in mijn vel om me bij wat voor groep dan ook aan te sluiten, laat staan op advies van Groenhart.
 
Felisenum, klas 2C met een nog niet zo oude heer Tromp (1972)
 

einzelgänger
Ik kreeg het gevoel dat niemand iets van mij begreep, werd steeds meer een einzelgänger en dook onder in mijn fantasie. Op school had ik wel contact met klasgenoten, daarbuiten was ik na het eerste jaar steeds vaker alleen.
Afzondering leek uiteindelijk de beste manier om mezelf te kunnen zijn; in ieder geval beter dan proberen me te conformeren aan de vaak tegenstrijdige normen van ouders, leraren of leeftijdgenoten. Zonder mensen om me heen voelde ik me soms wel wat eenzaam, maar ook een stuk rustiger en was ik tenminste vrij om te doen wat me boeide, zonder het ongemakkelijke gevoel te hebben dat ik allerlei stunts uit moest halen of interesses moest veinzen om ergens bij te horen.
Gelukkig hoefde je in die jaren nog niet mee te doen aan allerlei door de commercie opgelegde leefstijlen. De gsm bestond nog niet, van sms'en of chatten had nog niemand gehoord. Dwingende kledingvoorschriften waren er godzijdank ook niet, want geld om kleren te kopen kreeg ik niet. Tot mijn twintigste moest ik alles dragen wat mijn moeder op de markt of bij Zeeman gekocht had. 'Als je er raar uitziet, word ìk er op aangekeken', was haar onwrikbare standpunt, waar ik me bij neer had te leggen. Ik was niet blij toen ik een hele winter in een grijze potloodventersjas rond moest lopen, maar verder maakte ik me er niet druk om. Een eigen kleedstijl had ik toch nog niet.
Wat voor een doorsnee tiener belangrijk hoort te zijn, interesseerde me ook niet zo. Ik meed grote fuiven waar je hoorde te doen alsof je uit je dak ging en kon mezelf uitstekend vermaken met bezigheden waarmee je geen vrienden maakt, maar waarvoor je ze ook niet nodig hebt. Zo werd ik een 'Eenzaam Priemgetal' met 'Joe Speedboot-achtige illusies.
Urenlang kon ik wegdromen op het strand. Als het stormde met springtij, ging ik kijken hoe de buitenste duinenrij door de branding werd aangevreten. Soms wist ik nog net op tijd opzij te springen, terwijl ik het zand waar ik op stond al weg voelde zakken
. In weekends fietste ik vaak meer dan honderd kilometer op een dag om mijn overtollige energie kwijt te raken en me even vrij te kunnen voelen. Dit liet ik me door niemand afnemen; mijn ouders voelden aan dat ik niks meer van hen zou accepteren als ze mij zouden ontmoedigen om te gaan fietsen. Voor het onderhoud aan mijn fiets en de uiteindelijke vervanging ervan moest ik wel zelf opdraaien. Ik kreeg daarvoor enkele guldens per week - hetzelfde bedrag als mijn broer en zussen, die niet half zoveel fietsten als ik. Alleen hobbies waarvoor je lid van een club moest zijn of lessen moest volgen, werden door mijn ouders vergoed. Mijn eigen passies vielen daar buiten.
Op een landkaart markeerde ik alle wegen waar ik gefietst had en beschouwde dat gebied als mijn imperium. Verder hield ik bij wat voor weer het was geweest en legde dat in grafieken vast. Op mijn kamer tekende ik kaarten van gebieden die niet bestonden, die ik snel onder een stapeltje schoolboeken schoof als ik mijn moeder met een kop thee de trap op hoorde komen. Op mijn zestiende bracht ik zelfs uren door in de bibliotheek van de Topografische Dienst. Wanneer iets mij boeide, had ik geen moeite meer met urenlang stilzitten.
Later ging ik met steeds meer plezier lezen: meestal opiniebladen en reisverhalen, maar toen ik wat ouder werd was ik ook niet vies van romans. En jawel, last but not least fantaseerde ik over wilde avonturen met bloedmooie meiden, die ik in de verre toekomst nog wel mee zou gaan maken als ik geen scholier meer was en niet meer bij mijn ouders zou wonen. De werkelijkheid was te grauw, ik overleefde in mijn verbeelding.

 
fragmenten van zelf verzonnen landkaarten; de onderste kaart stond op een grote rol papier waarvan ik enkele meters volgetekend heb (1975-76)
 
Bint
Iets van die verbeelding herkende ik in de geschiedenislessen van Karst Bouman. Eindeloos kon hij uitweiden over de hofhouding van Lodewijk XIV. Dat was heel wat anders dan zijn eigen gezin met zeven kinderen in een niet zo ruim bemeten woning in Amsterdam... Wellicht droomde hij van glamour en maîtresses; of op z'n minst van een romance met een leerling, wat echter alleen was weggelegd voor de latere rector Lex ter Braak.
Bouman vertelde over zijn diensttijd in Indonesië en zijn fietstocht naar Parijs, die eindigde met een overdosis cider achter in een vrachtwagen. Hij las voor uit Max Havelaar over Saïdja en Adinda en zong de Marseillaise en de Internationale. Ook speelde hij Bint in een verfilming van Bordewijks gelijknamige roman, uitgezonden door de VPRO.
Jammer dat Bouman het nodig vond om in het laatste trimester van de vierde klas, net toen ik het aardige van zijn lessen ging beseffen, les in saaie staatsinrichting te geven, waardoor hij niet meer aan de geschiedenis van de twintigste eeuw is toegekomen. Wie voor een bètapakket koos, moest geschiedenis in het vijfde jaar laten vallen en had op deze school bitter weinig over de achtergronden van de beide wereldoorlogen opgestoken! Alleen de alfa's konden eindexamen in geschiedenis afleggen, met verplicht Latijn én Grieks erbij: mij niet gezien.
 
cultfiguur
Grieks kregen we van Poortman, het vleesgeworden grammaticaboek. Maar liefst zes uur per week mocht hij doorzagen over de aoristus. Met zijn ernst en eruditie wist hij maar weinig pubers te boeien, al zullen sommigen van hen veertig jaar na dato hùn kinderen wel weer wijsmaken hoe fascinerend zij de taal van Homerus altijd gevonden hebben. Bij mij was al in de derde klas elke mogelijke interesse in dit toch al niet zo zinvol lijkende vak voorgoed verdwenen tijdens de chaotische lessen van Brakke des Bouvrie: daar werd al mijn aandacht in beslag genomen door experimenten met kneedgum en de zinderende mondharpimprovisaties van Toon Broekman, die ook zo prachtig diep vanuit zijn keel, zoals Tibetaanse monniken dat doen, "Tired!" door de klas kon roepen.
Al in de allereerste week dat we les in Grieks kregen, had ik besloten om na het vierde jaar deze dode taal niet in mijn vakkenpakket op te nemen. Ik vond het krankjorem dat iedereen op deze school werd geacht om minstens twee jaar lang veel tijd en energie te steken in het vertalen van hooguit enkele tientallen bladzijden Oudgriekse literatuur: in de praktijk een vorm van zelfkastijding die je moest ondergaan als een ontgroeningsritueel om later bij een elite te mogen horen die zich door een klassieke opleiding denkt te kunnen onderscheiden van het klootjesvolk.
Zolang ik niet van dit vak af kon komen, probeerde ik zoveel mogelijk af te kijken bij Paul Keemink, een pientere en behulpzame klasgenoot die naast me zat en wat ambitieuzer was ingesteld, om voor mijn ouders toch nog enigszins acceptabele rapportcijfers bij elkaar te harken.
Poortman vroeg zich hardop af of ik niet beter naar de bakkersschool had kunnen gaan. Zes uur per week broden en taarten bakken in plaats van Homerus lezen zou voor mij zeker geen slechte ruil zijn geweest, al denk ik wel dat ik na een paar weken kneden en bakken aan een nieuwe uitdaging toe zou zijn geweest. Ik had sowieso beter naar een school kunnen gaan waar het ontdekken en ontwikkelen van je eigen talenten belangrijker werd gevonden dan het vertalen van Homerus en Vergilius.
Overigens heerste onder Poortman een mild regime, waardoor ik me tijdens zijn lesuren wel wist te vermaken. Als ik onder de les niet druk bezig was om met behulp van een neusdruppelaar en een stukje ventielslang lege inktpatronen te vullen met ecoline, doodde ik de tijd door het miskende genie doctorandus E.L.J. Poortman tot in de finesses te observeren en uit te tekenen. Soms vertoonde Poortman een lichte zelfspot en hij was hoe dan ook een meesterlijk vertolker van de Ondraaglijke Saaiheid van het Bestaan. Ook Rob Naborn zag wel een cultfiguur in hem en bracht een serie 'E.L.J. Superstar' stickers in omloop. Jiskefet avant la lettre.
 
ablativus absolutus
Arie Boomgaard zette zijn leerlingen graag in de zeik, maar als je een grap met hèm uithaalde had hij een kort lontje. Ik kreeg met hem te maken door in de pauze een brok ijs uit het vijvertje in de schooltuin speels neer te leggen op de stoel van Willem Prins, een nogal gestreste nieuwe leraar die wel wat afkoeling kon gebruiken. Prins is niet gaan zitten. Een uur later nam Boomgaard het lokaal over en vond een plasje ijswater met wat kroos op zijn stoel. Ondertussen was ik met mijn klasgenoten al naar een ander lokaal vertrokken, maar Boomgaards leerlingen moeten op dat moment van een alleraardigst tafereeltje hebben kunnen genieten.
Aanvankelijk leken mijn klasgenoten de grap met het ijs wel te waarderen. Zodra echter bleek dat Boomgaard alles in het werk zette om er achter te komen wie verantwoordelijk voor deze actie was, bleek de steun vanuit de klas boterzacht te zijn. Iedereen moest nablijven totdat de dader bekend had. Al snel bleek de een na de ander bereid te zijn om mij te verklikken. 'Kees geef je aan', zeiden sommigen hardop.
Nog dezelfde winter werd ik overgeheveld van klas 2c naar 2b, waardoor ik voortaan Latijn van Boomgaard zou krijgen: vele jaren lang vijf uur per week huiveringwekkende kanonnades over de ablativus absolutus bij deze humeurige houwdegen en theatrale salonrevolutionair. Shit happens…
Boomgaard was een vat vol tegenstrijdigheden en gedroeg zich als een ex-gereformeerde die op zoek was naar een nieuw geloof. Hij was gek op theater, flirtte met het antiautoritaire gedachtegoed van de jaren zestig en zeventig en noemde zichzelf zonder verdere toelichting een feminist. Tegelijkertijd voerde hij tijdens de les een schrikbewind.
Op een dag liet hij de maatschappijkritische toneelgroep Proloog langskomen; de acteurs kwamen geen voorstelling geven, maar stelden in een kringgesprek het traditionele schoolsysteem met cijfers en rapporten ter discussie. Wie echter de illusie had dat Boomgaard zijn manier van lesgeven nu radicaal om zou gooien, kwam bedrogen uit. Als een bezetene bleef hij zien en controleren wat er tijdens zijn lessen gebeurde - of je wel de juiste aantekeningen maakte, wat voor kleding je aanhad, dat je op je nagels beet of snel even in je neus peuterde - en voorzag alles wat je deed van een kleinerend commentaar.
Boomgaard wist hoe hij zijn 'karbonaadjes' moest braden. Een meisje met pukkels werd door hem genadeloos voor 'krentenmik' uitgemaakt. Nooit heeft hij les in Romeinse geschiedenis gegeven of meer dan oppervlakkig iets verteld over de Romeinse cultuur (daarvan heb ik later tijdens vakanties in Italië en Frankrijk meer opgestoken dan gedurende acht jaar gymnasium, waar alle aandacht eenzijdig gericht was op het leren vertalen van Latijnse teksten), wel moesten we in het examenjaar opeens twee A4'tjes met namen van Romeinse keizers, hun oorlogen en de daarbij horende jaartallen in ons hoofd stampen. Alsof we niks beters te doen hadden! Ik weigerde het pertinent; al zou ik het hebben geprobeerd, ik was simpelweg te kwaad om ook maar één jaartal te kunnen onthouden (dat mijn klasgenoten deze nutteloze treiterlijsten wel zonder een spoor van verzet uit hun hoofd leerden, zegt iets over de kadaverdiscipline die op deze school werd nagestreefd). Beseffend dat het me nooit zou lukken om Boomgaard over te halen van zijn voornemen af te zien, besloot ik tot een persoonlijke boycot. Tijdens het schoolonderzoek liet ik alle vragen over de lijst met jaartallen simpelweg onbeantwoord. Dat ik hierdoor een vette onvoldoende kreeg, kon me weinig schelen; het gaf mij wel een goed gevoel dat ik niet was gaan zwoegen voor deze tiran. Boomgaard was des duivels en dreigde mij dezelfde lijst bij een volgend schoolonderzoek nòg eens voor te schotelen, maar ik wist net zo goed als hij dat dit wettelijk verboden was. En hoe groter zijn irritatie, des te zoeter mijn wraak.
Gelukkig kon hij bij het landelijk eindexamen, waar alleen een tamelijk simpele tekst van Caesar vertaald moest worden, geen roet meer in het eten gooien. Wel kwam dit lekkere dier mij na de diploma-uitreiking doodleuk vertellen dat hij me er toch maar mooi doorheen gesleept had!
Jaren daarvoor had hij ons al willen dwingen om het schoollied te leren. Ik had me verzet en was voorgoed in ongenade gevallen bij Boomgaard. Het bombastische 'Gymnasii tandem' was geschreven door oud-rector Brommer (die na onze verhuizing uit IJmuiden een dementerende overbuurman bleek te zijn) en diende bij bijzondere gelegenheden gezongen te worden. Ik heb het nooit over mijn lippen gekregen.
 
Felisenum, klas 4B met invalster Derks, die de zwangere Roos Haverkamp verving (1974)
 
sjoemelen
Surrealistisch waren de lessen van Frans Snippe. Nog hoor ik zijn krijtjes vinnig op het schoolbord tikken terwijl hij razendsnel eindeloze koolwaterstofstructuren uitschrijft en, happend naar adem, namen van verbindingen uit zijn keel laat ontsnappen die mijn ene oor in en het andere weer uitgaan. Leek de chemie uit de boeken nog op een lastig, maar wel te bevatten systeem van natuurwetten en hypotheses met oneindig veel uitzonderingen op de regels, na Snippes onstuimige uitleg bleef niks anders over dan de totale entropie van de oerknal.
Van het practicum heb ik vooral opgestoken hoe de Wet van Murphy werkt. Rieuwert van Bodegraven onderging zijn vuurdoop al bij de eerste scheikundeles, toen hij van Snippe een reageerbuisje vast moest houden waaruit even later een fikse steekvlam omhoogschoot.
Snippes proefwerken waren alleen goed te maken als je van tevoren de vragen kende. Deze werden meestal gestencild. Soms konden we de moedervellen tijdig uit een prullenbak vissen. Cees Broek had het lef om de vragen uit een la in het scheikundelokaal te trekken, maar werd betrapt.
"Maffiapraktijken!" concludeerde Snippe. Wie zijn lessen niet bij kon benen, moest maar naar een andere school gaan. Snippe had mij al helemaal opgegeven: op een ouderavond had hij gesuggereerd dat de mavo misschien een beter schooltype voor mij zou zijn. Zelf denk ik dat ik ook op de mavo bij een leraar als Snippe weinig van Scheikunde zou hebben gebakken.
Cees zal het zwaar hebben moeten bezuren, maar bij leraren die van hun toch al niet erg boeiende vak een ondoorgrondelijk mysterie maakten, moest je nu eenmaal sjoemelen. Het was vaak de enige manier om in een hoger jaar te komen en de relatie met pa en ma niet nòg meer onder druk te zetten, tot je de rottigste vakken kon laten vallen. Het doel heiligde de middelen.
 
peukenhoopje
En dan had je aan het eind van de gang nog de heren Tromp en Valter. Vermoeide mannen ver voorbij hun midlifecrisis, overduidelijk gevangen in een uitzichtloze carrière of een vastgelopen huwelijk.
Tromps lessen waren in dichte walmen gehuld. De man was niet meer te redden van zijn rookverslaving. 's  Winters sleepte hij zich zuchtend en kuchend naar de wastafel om zijn peuken te blussen, 's zomers kwam hij niet meer van zijn stoel; dan vlogen de sigarettenstompjes door het open raam naar buiten en belandden boven op het immer smeulende peukenhoopje op de stoep voor lokaal 2.
Tromps sarcasme was subliem en zijn commentaren waren erg ad rem. "Ik word al moe als ik je zie", bromde zijn nasale stem tegen mij. "Zie buurman", schreef hij bij de sommen die ik ingeleverd had. "Als je beter op zou letten, zou je achten halen." Een vernietigende blik over de op zijn neuspunt geparkeerde brillenglazen wist elk protest in de kiem te smoren.
Ook in zijn strak omlijnde taalgebruik was Tromp niet te verslaan. Uitspraken als "Een gat is niets met iets er omheen" en "Bepalen is ergens paaltjes omheen zetten", zullen me altijd bijblijven.
Even leek er een heuse Trompdynastie te ontstaan, toen ook Tromp junior wiskunde kwam geven. Pas na enkele maanden bleek dat de jonge Tromp nooit was afgestudeerd en zich als een Charles Schwietert in zijn baan had gebluft. De nieuwe rector Van Benten zag zich genoodzaakt hem op staande voet te ontslaan. Misschien is dit wel zijn redding geweest en is hij toch nog aan het lot van zijn vader ontsnapt.
   
wiskundeleraar Tromp, getekend door Bart Wolters; de Griekse letter thèta is hier gebruikt om Tromps manier van spreken na te bootsen
 
eindejaarsbonus
Valter smachtte naar de VUT en de dag dat hij naar zijn villa in Zuid Frankrijk kon vertrekken. Heel wat tijd heeft hij gevuld met foeteren op het kabinet Den Uyl en klagen over de belastingdruk.
Hij heeft me gematst in het laatste jaar dat ik Frans had. Laconiek deelde hij mee dat iedereen voor de laatste toets van dat schooljaar een acht gehaald had. Niemand kreeg zijn eigen werk meer te zien. Had Valter geen zin meer gehad om alles na te kijken of was het een wanhoopspoging om nog een paar zieltjes voor zijn vak te winnen?
Hij kon het slecht verkroppen dat Duits veel vaker als examenvak werd gekozen dan Frans, ondanks de geringe populariteit van zijn collega Hof. Met name degenen die in de tweede of derde klas een jaartje hadden kunnen donderjagen tijdens de Franse lessen van Scholten, haakten af. Misschien was Valter oprecht bezorgd over de teloorgang van zijn vak, maar met zijn jaarlijks slechter wordende humeur werden zijn lessen echt niet aantrekkelijker; helemaal niet toen hij een microfoon voor de klas ging gebruiken, waardoor niet alleen zijn "Venez ici", maar ook zijn solo fluitconcerten, driftige vingergeknip en mopperbuien flink werden versterkt.
In ieder geval kon ik dankzij de eindejaarsbonus van Valter op het nippertje van mijn tweede vierde jaar naar mijn eerste vijfde jaar, maar ben ik misschien ook een paar relaxte jaren op de Vissering (een kilometer verderop, waar je terecht kon voor havo/atheneum in een ontspannen schoolcultuur) misgelopen…
 
Übungsmeister
De lessen van Hof waren geen theatrale hoogstandjes, al had hij - beteuterd sabbelend aan zijn pijp tijdens al die vruchteloze invuloefeningen uit 'der Übungsmeister' - ontegenzeggelijk een heel eigen sleurvariant op de kaart gezet. Toch konden Hofs lessen me ook boeien. Best veel tijd besteedde hij aan de recente Duitse geschiedenis, zoals de opkomst van het Derde Rijk (waar Bouman niet meer aan toegekomen was!) en de naoorlogse Ostpolitik. Ook liet hij af en toe een film zien, zoals 'Landschap na de Slag' van Andrzej Wajda. En uiteindelijk heb ik bij hem redelijk goed Duits geleerd, waar ik later in persoonlijke contacten met Duitse vrienden veel aan heb gehad (en ook op deze fietsreis achter het IJzeren Gordijn).
Toch was Hof bij velen verschrikkelijk impopulair. In de ogen van een aantal dominante klasgenoten, die er nogal van overtuigd waren de waarheid in pacht te hebben, kon hij niks goed doen. Hij miste weliswaar flair en was sociaal niet zo handig, maar Hof was heilig vergeleken bij een aantal docenten, die hun geniepigheid wisten te omhullen met een laagje charisma en de populaire types in de klas voor hun karretje wisten te spannen.
Onstuimiger waren de lessen van Guido Robbens, die in de tweede klas Duits had gegeven. Met zijn Vlaamse accent en steile driftcurve liet hij makkelijk de draak met zich steken, maar hij koesterde geen wrok tegen zijn plaaggeesten. Ontwapenend kon hij vertellen over zijn eigen schooltijd in Gent, waar orde, tucht en respect voor docenten nog met lijfstraffen werden afgedwongen.
Erg geslaagd vond ik de schrijfsessies die Robbens aan het eind van elk trimester organiseerde. Hij gaf ons dan een lijst met woorden die we binnen een half uur in een zelfgemaakte tekst moesten zien te verwerken. De snelle gedichten van Paul Lameijer en mijn eigen absurditeiten werden steevast voorgelezen.
Uiteindelijk kozen velen Duits als examenvak, zodat we in de laatste jaren bij Hof met z'n dertigen in een lokaal zaten. Zelf had ik dit vak gekozen omdat ik besefte dat ik bij Valter en Snippe nooit een voldoende eindcijfer zou halen en toch zeven vakken bij elkaar moest sprokkelen. Aan het eind van de vijfde was ik dan ook niet ontevreden met de zes die Hof mij gegeven had. Tot zijn verbazing zou ik een jaar later op het schriftelijk eindexamen als eerste klaar zijn met de Duitse tekstverklaring en maar twee vragen anders hebben beantwoord dan Hof zelf: uiteindelijk bleken we van de vijftig vragen er allebei één fout te hebben.

bessenjenever
Hoogtepunten waren de schoolreizen naar Texel, Londen en Parijs. Het waren de enige weken zonder voortdurende spanningen of dreigende conflicten, waarin ik ontdekte dat op stap gaan met de school erg leuk kon zijn.
Op Texel dronk ik mijn allereerste biertje (dat ik zo vies vond dat ik er pas jaren later weer eentje zou bestellen), terwijl Mulder en Groenhart jacht maakten op flessen bessenjenever, die her en der verstopt zouden zijn. 's Avonds verborg ik me schuchter onder de dekens toen Els Kluft, Ineke Vendel en Gerdy ten Bruggencate nog even langskwamen om alle jongens een nachtzoen te geven (sorry Els, Ineke en Gerdy…), maar daarna luisterde ik met rode oortjes naar Cees Broek, die enthousiast bloedgeile verhalen voorlas (klasse, Cees!). Daar hadden mijn preutse seksuele voorlichters nog veel van op kunnen steken.
 
sweet seventeen, op schoolreis in Londen (1975, mooi vastgelegd door Martine van den Dool)
 
     
verbeelding en werkelijkheid
In een primitieve doka onder de trap drukte ik na schooltijd foto's af, op weg geholpen door Paul Hölscher en Tex Zwemmer. Ik kwam er nooit iemand anders tegen: dit soort creativiteit werd op deze school niet erg serieus genomen. Pas jaren later zou ik deze draad weer oppakken en van fotografie mijn vak maken.
In de schoolkrant met de keurige klassiek klinkende naam Olympus was de tijdgeest in de kolommen geslopen; de verbeelding lonkte er met maoïstische en anarchistische leuzen naar de macht. In werkelijkheid had je als leerling slechts recht op wat de docenten je gunden.
Mensen als Ernst Pans en Marcel Worms (die maar zeven jaar ouder was dan ik, zie www.marcelworms.com) waren sympathiek en wisten hun wiskunde- en biologielessen aardig op te fleuren. Bij Pans, die buitengewoon prettig en ontspannen les gaf, kreeg ik eindelijk schik in wiskunde (en luisterde ik geboeid toe wanneer hij vertelde over de reizen die hij met zijn gele volkswagenbusje naar Polen en Noorwegen had gemaakt), terwijl ik bij Tromp voornamelijk belangstelling op had kunnen brengen voor de eigenaardigheden van de persoon Tromp. Worms vond ik zo aardig dat ik zelfs de citroenzuurcyclus zonder morren van buiten leerde, al zou de hiervoor benodigde ruimte op mijn mentale harde schijf snel weer door stokpaardjes van andere leraren in beslag worden genomen (ik herinner me nu alleen nog de ezelsbrug CHONSP). Veel belangrijker dan die cirtroenzuurcyclus was overigens de nadruk die Marcel Worms legde op het onderscheid tussen wetenschap en geloof of pseudowetenschap, met als steeds terugkomend voorbeeld de natuurfilms van de EO, waarin elke verwijzing naar de evolutieleer was gewist of vervangen door een scheppingsverhaal. Toch vrees ik dat een deel van zijn leerlingen uiteindelijk is bezweken voor de lokroep van klankschaaltherapeuten en tumorfluisteraars op het internet.
Ook de uurtjes Engels bij Van der Klugt waren goed te pruimen, al begon ik deze taal pas een beetje onder de knie te krijgen nadat het taboe op vertalen in het Nederlands was opgeheven en ik een paar weken in mijn eentje door Engeland had gefietst. In het laatste jaar begon ik zelfs luistertoetsen te verstaan.
Anderen dwongen ons maar al te vaak tot liefdeloos instampen van deprimerende en zinloze leerstof, met als voornaamste doel je te laten beseffen wie de baas was. Leuke leraren vertrokken vaak al na een paar jaar, de oude knarren bleven en trokken stevig aan de touwtjes.
Kritiek was taboe, de school werd immers met fusering bedreigd. Oude talen alleen nog als keuzevakken voor een handvol liefhebbers? Classici gruwden van het idee en vreesden voor hun banen en status. Het superieure imago van het gymnasium moest gekoesterd worden. Aan mij leek het niet besteed, de veelgeroemde vormende waarde van het gymnasiale onderwijs ten spijt. (Mijn vriendin heeft op haar middelbare school enkele jaren lang een paar uur per week Latijn als keuzevak gehad. Dit werd gegeven door een docent die zijn best moest doen om leerlingen te motiveren zijn vak te kiezen. Wie een paar jaar Latijn had gedaan, mocht op schoolreis naar Rome, zonder examen in dit vak te hoeven doen. Zo kan het dus ook!)
Tegelijkertijd had het Felisenum, met niet veel meer dan driehonderd leerlingen, ook types als ik blijkbaar hard nodig om groot genoeg te blijven als zelfstandige school. Iedereen zal de dorpse sfeer een groot pluspunt van deze school hebben gevonden, maar voor mij zat er ook een nadeel aan: als er eenmaal over je geroddeld was in de lerarenkamer, hadden veel docenten een onwrikbare mening over je, ook degenen van wie je nooit les had gehad. Maar of een school nu klein of groot is, de kwaliteit van de lessen staat of valt met de inzet en de sociale vaardigheden van de leraren; en die waren hier niet noemenswaardig beter dan ergens anders.
 
bevrijding
Allerlei incidenten en trivialiteiten uit die tijd blijken nu beter te beklijven dan alles wat ik met tegenzin heb moeten leren. Van Grieks ken ik alleen nog de letters van het alfabet (en een paar prachtige namen en woorden zoals Διοτρεφης en ευπλοκαμος, in mijn herinnering nog altijd uitgesproken met het hoge stemmetje van Brakke des Bouvrie), van Latijn zal ik hooguit nog een stuk of honderd losse woorden kunnen reproduceren. Als ik de vele uren die ik hieraan heb moeten besteden had kunnen gebruiken om mijn Frans op hetzelfde niveau te tillen als Duits en Engels of een wereldtaal als Spaans onder de knie te krijgen, had ik daar tenminste wat aan gehad; nu heb ik er vooral een intense afkeer van het dwangmatig instampen van onbruikbare kennis aan overgehouden.
Uiteindelijk beviel het laatste jaar me nog het best. Ik wist nu ver van tevoren wanneer ik moest scoren, zonder vrees voor verrassingsoverhoringen en treiterbeurten. Bij de talen bleken lage rapportcijfers uit het verleden geen enkele belemmering te zijn voor een goed eindexamenresultaat. Ik zal ook wel iets harder hebben gewerkt, want ik wilde dolgraag van deze school af. Ik werd immers al twintig en de eindstreep was eindelijk in zicht. Ik boycotte de lessen van Mulder, gooide die van Snippe nog net op tijd uit mijn examenpakket, overleefde de schoolonderzoeken van Boomgaard, en ervoer de laatste examendag als de ultieme bevrijding.
 
Meer herinneringen aan het Felisenum (met name de heren Brommer en Nederlof) van oudleerling en classicus Siem Slings: www.xs4all.nl/~quirijn/siem/prive/columns/Het_Gymnasium__Afschaffen_.html
 
Felisenum, examenklas met rector Van Benten (1977)
 
Universiteit van Amsterdam, Sociale Geografie en Planologie (1978-1988)
 
wittebroodsweken
Studeren in Amsterdam was allereerst een verademing na de middelbare school: geen conflicten meer met docenten en op veilige afstand van de regeltucht van mijn ouders. Zolang zij maar dachten dat ik uiteindelijk wel leraar of - nog beter - professor zou worden, lieten ze me redelijk met rust, al vond mijn vader dat ik wel wat harder kon studeren en vroeg mijn moeder zich stilletjes, of in bedekte termen, af waarom ik niet een van de ideale schoondochters uitkoos, die ze overal zag rondlopen (haar favoriete types waren de omroepsters van de NCRV).
Van tevoren had ik weinig benul gehad van wat me als student te wachten stond; ik had geen oudere broer, zus, vriend of kennis die na de middelbare school fulltime gestudeerd had. Naïef en hoopvol sprong ik in het diepe. Wel wist ik dat ik niet bij de corpsballen wilde horen (ik zou er ook geen geld voor gehad hebben), al kende ik weinig meer van die studentencultuur dan te zien was in een film als 'Soldaat van Oranje'. Ik had in ieder geval genoeg van de kleinburgerlijke sfeer in het dorp waar ik vandaan kwam en voelde me aangetrokken tot het vrijgevochten imago van de Amsterdamse universiteit.
Ook groeide het besef dat ik, om niet net zo te worden als mijn ouders, mezelf anders moest ontwikkelen dan zij gedaan hadden. Niet gaan studeren was dan ook geen optie. Interessant werk voor een twintigjarige zonder connecties was er sowieso niet. Vakantiebanen als schoonmaker bij de hoogovens (het enige baantje dat ik in 1976 kon vinden: vier weken lang roet en gruis scheppen bij helse temperaturen) en inpakker bij een papierfabriek hadden me daar wel van overtuigd. Uit beroepskeuzetesten die ik had gedaan, kwam slechts de conclusie dat ik niet aan een keuze toe was en het advies om later nog eens terug te komen. Ook zou ik een bovengemiddelde aanleg voor exacte vakken moeten hebben, waar ik op de middelbare school overigens niks van had gemerkt (vermoedelijk was ik veel beter in het maken van intelligentietestjes dan in het volgen van energievretende lessen van warrige leraren).
Uiteindelijk had het kiezen van een studierichting me weinig moeite gekost: nadat ik alle opleidingen die me bij voorbaat niet haalbaar, veel te saai of te schools leken (na 8 jaar gymnasiumsleur was ik erg kritisch geworden) had geschrapt en vervolgens was uitgeloot voor fysische geografie, was alleen sociale geografie overgebleven. Gelukkig was dit een studie met veel vrijheid en weinig prestatiedruk, zonder de rapporten en inhaaltaken die mijn schooljaren vergald hadden. Na het eerste jaar kon ik zelf beslissen hoe lang ik over een studieonderdeel wilde doen. Ook inhoudelijk leek sociale geografie me wel wat; ik ging immers graag op reis, hield van landkaarten en was nieuwsgierig hoe de wereld eruitzag.
De eerste jaren haalde ik braaf mijn tentamens. In het derde jaar ging ik me afvragen wat ik met deze opleiding nu eigenlijk wilde. Het onderzoek in? Ambtenaar worden? Les geven? Ik zag me al elke dag van negen tot vijf wegkwijnen achter een bureau. Of tientallen jaren lang steeds weer hetzelfde verhaal afdraaien voor pubers die daar helemaal niet op zitten te wachten. En uiteindelijk helemaal voldoen aan het huisje-boompje-beestje-ideaal van mijn ouders. Maar waar maakte ik me druk om, dit soort banen werd toch wegbezuinigd?
De wittebroodsweken van mijn studietijd waren snel voorbij, maar deze rekbare en verder nogal vage studie aan de UvA bood me in ieder geval nog enkele jaren de tijd om er achter te komen wat ik met mijn leven wilde. Enige intellectuele uitdaging was welkom, maar na de stressvolle sleur in mijn tienerjaren snakte ik vooral naar een beetje rust en veel vrijheid.
 

droogkloten
Het Sociaal Geografisch Instituut bevond zich in het Maupoleum, gebouwd met het snelle geld van Maup Caransa en misschien wel het lelijkste gebouw van Amsterdam (klik hier): lange gangen, sfeerloze collegezalen en deprimerende kamertjes waarin het daglicht soms amper door kon dringen.
De meeste docenten waren licht autistische droogkloten die het vooral druk leken te hebben met het veiligstellen van hun eigen carrière. Ik kreeg niet de indruk dat ze met plezier hun werk deden.
Slaapverwekkend was het college 'methoden en technieken' van Paolo de Mas. Na een paar maanden kwamen de meeste studenten er niet meer opdagen.
De grootste zuurpruim was Turksma, van wie we sociologie kregen. Hij was al dik in de vijftig en werd overduidelijk verteerd door heimwee naar de tijd dat een wetenschapper nog heer en meester was over zijn studenten.
Nog zo'n fossiel was professor Chris van Paassen. Niemand begreep wat deze oude heer ons met zijn cryptische syllabusteksten over het 'oecologisch complex' aan het verstand wilde brengen.
Wel goed te volgen was Sjoerd de Vos, een jonge docent die enkele jaren eerder Maurice de Hond was opgevolgd. Hij had een imposante filosofenbaard (van het type dat je tegenwoordig alleen nog
bij orthodoxe joden en moslims ziet) en gaf bijzonder heldere colleges over statistiek.
Aandoenlijk was het chauvinisme van Mokumkenner Rob van Engelsdorp Gastelaars. In plat Amsterdams vertelde hij enthousiast over de geschiedenis van zijn stad. Op excursie in New York zou hij eens vol trots zijn Amerikaanse collega's hebben verteld dat Amsterdam óók een Word Trade Center heeft.
Petr Dostal trakteerde ons op eindeloze monologen in een ondoorgrondelijk Nedertsjechisch. Cartografie was het vak dat hij geacht werd te geven, maar wie dacht dat je bij hem te weten kwam hoe je in de praktijk een fatsoenlijke kaart op papier kunt zetten, kwam bedrogen uit. Jammer, want ik had altijd al een zwak gehad voor landkaarten en atlassen, waar ik graag wat meer over had willen weten. Veel te laat kwam ik er achter dat ik, als ik een verdienstelijk cartograaf had willen worden, in Utrecht had moeten gaan studeren.
Mijn favoriet was historisch geograaf Guus Borger. Voor het ontcijferen van handgeschreven teksten uit de zestiende eeuw had ik wel wat weinig zitvlees, maar zijn verhalen fascineerden me. Guus kon vertellen als Geert Mak: dan zag ik voor me hoe kerkelijke potentaten elkaar verketterden vanwege het hanteren van de Juliaanse of Gregoriaanse kalender, of hoorde ik het aanzwellende gestamp en geloei van de eindeloze kuddes vee die ooit vanuit Jutland naar het zuiden gedreven werden.

 

wereldbeeld
Studeren moest vooral thuis gebeuren, op een studentenflat in het sfeerloze Diemen. Het doorworstelen van duizenden bladzijden niet al te leesbaar proza dat voor vakliteratuur door moest gaan, ervoer ik als een eenzame, nogal treurigstemmende bezigheid. Hoofdstuk na hoofdstuk propte ik in mijn hoofd, maar na een tentamen was ik alles snel weer vergeten. Ik had niet het gevoel dat ik een vak aan het leren was. Gelukkig waren er na het eerste jaar geen deadlines voor tentamens meer en moest de tempobeurs nog uitgevonden worden (ik had sowieso geen recht op een studiebeurs: ik moest me zien te redden met de 500 gulden per maand die mijn vader van de belasting terug kon krijgen, met daarnaast af en toe een vakantiebaantje). Ik had dus tijd genoeg om op zoek te gaan naar mensen met interessant lijkende activiteiten, bij voorkeur behept met een mild anarchistisch wereldbeeld.
Echte studentenclubs trokken me niet: die zaten òf vol met oppervlakkige feestbeesten en brallerige barkrukklevers òf met diepgelovige marxisten en depressieve punkers uit de kraakbeweging. Op feesten waar geen fatsoenlijk gesprek viel te voeren, voelde ik me doodongelukkig; disco's meed ik zelfs als de pest, maar een kluizenaar wilde ik niet worden. Ik ging op zoek naar geestverwanten en snuffelde enkele jaren rond bij clubs die me wel aanspraken (en waar je welkom was zonder duur lidmaatschap), zoals Milieudefensie en Amnesty International.
 
de wilde jaren (1982)
 
Bij deze organisaties werd me langzaam maar zeker duidelijk dat ik nooit een goede regelneef of vergadertijger zou worden. Wel had ik er sociale contacten. Het vergrootte ook mijn mentale horizon en bracht me tot inzichten waar ik in grote lijnen nog altijd achter sta. Ik heb bijvoorbeeld nooit geprobeerd om een rijbewijs te halen omdat ik al op mijn twintigste besefte dat er veel te veel auto's rondreden. (Bovendien was een auto een van de traagste transportmiddelen, als je een beetje kon rekenen: bij de netto reistijd moest je immers het aantal uren optellen dat je moest werken om het geld te verdienen dat je nodig had voor aanschaf en onderhoud.)
Na een paar jaar wist ik dat ik niet moest proberen om een bevlogen activist te worden omdat anderen daar veel beter in waren. Ik bleef liever een creatieve denker en dromer. Buttons met strijdvaardige leuzen verdwenen een voor een weer van mijn jas. Ik bleef trouw aan mijn ideeën, maar wilde niet clownesk overkomen.
Wat ik tijdens mijn studiejaren miste, was een vriendengroep van gelijkgestemde denkers en dromers; geen feestgangers die zich door anderen laten voorschrijven wat je leuk hoort te vinden, maar een groepje avonturiers met enige diepgang waarmee ik fietsend en kamperend de wereld zou kunnen verkennen, zonder dat dit zou ontaarden in wielrennen of mountainbiken. Een club als de Wereldfietser bestond nog niet en het internet als contactmedium zou nog tientallen jaren op zich laten wachten. Vooralsnog zou mijn grootste passie door de overgrote meerderheid van mijn generatiegenoten als een redelijk zeldzame afwijking beschouwd worden.

Later deed ik veel vrijwilligerswerk bij SIW, een organisatie die jongeren uitzendt en ontvangt door middel van werkvakanties in alle uithoeken van de wereld. Vrijwilligerswerk in Ierland, Polen of Lesotho was voor mij een welkome onderbreking van wekenlange, soms toch wel eenzame fietstochten, en een manier om interessante mensen te ontmoeten waarmee ik soms nog jaren contact bleef houden. In internationale groepen kreeg ik ook het gevoel dat ik serieus genomen en gewaardeerd werd; anders dan in Nederland, waar in gezelschappen de sfeer meestal wordt bepaald door dominante en populaire types, met als resultaat een conformistische groepscultuur met veel borrelpraat.
 
smoorverliefd
Tussen de tentamens door ging ik regelmatig op pad. De tijd die door andere studenten vaak gevuld werd met feesten en zuipen, benutte ik om eropuit te gaan. Soms te voet maar meestal op de fiets met tent en slaapzak achterop. Meestal in mijn eentje, soms met gelijkgestemde zielen. Zo reed ik mee in de Great British Bike Ride, een demonstratieve fietstocht van en voor de Britse Friends of the Earth door Schotland, Engeland en Wales. Een jaar later was er een soortgelijke tocht van Zeebrugge naar Boekarest met Britse en Noorse vredesactivisten.
Onderweg werd ik smoorverliefd ik op Ann, een avontuurlijke vrouw uit het Engelse Leeds. Op de terugweg heb ik met haar en een andere fietser, Dave uit Brighton, nog honderden kilometers door de Balkan gefietst. We kampeerden wild en leefden van wat er in de lege winkels nog te koop was of langs de weg groeide: droog brood, zonnebloempitten, appels en pruimen. De liefde tussen Ann en mij was broos maar leek vooralsnog wederzijds. Helaas verdween zij na enkele maanden van mijn radarscherm.
Het zou niet meevallen om weer een vriendin te vinden die uit hetzelfde hout gesneden was. Ann was een paar jaar ouder dan ik en had al het een en ander meegemaakt. Ze was slim, energiek en zeker geen huisje-boompje-beestje-type; gewoon op een prettige manier anders dan de vrouwen die ik dichter bij huis meestal tegenkwam. En - last but not least - ze was niet vies van een stevig stuk fietsen.
Twintig jaar later vond ik Ann terug op het internet. Hoewel ze mannen soms best nog wel spannend vind, bleek ze beter uit de voeten te kunnen met de vrouwenliefde en al jarenlang samen te leven met haar vriendin.
 
op reis met Ann en Dave (1982)
 

brilsmurfen
Terwijl ik in gedachten nog tussen Leeds en Boekarest zweefde, werkte ik met steeds minder enthousiasme aan de laatste fase van mijn opleiding, inmiddels in de studierichting planologie, in de hoop dat ik daar meer mee zou kunnen dan met sociale geografie. Dat bleek een vergissing te zijn.
Ik kwam er snel achter dat plannen die op papier best aardig lijken, in werkelijkheid vaak gedrochten zijn. Het deed er niet toe of ik iets mooi of lelijk vond, want dat was emotioneel en had dus geen academische relevantie. Wat wel telde, was of iets aan de regels voldeed en volgens vastgestelde procedures verliep. Regels en procedures die op zichzelf al dubieus zijn en worden beklonken in een schimmig samenspel van goedgebekte vergadertijgers, politieke sjoemelaars en patjepeeërs uit de vastgoedwereld, waardoor er zelden nog iets moois uit de polderprut omhoog komt.
Geleidelijk ging ik beseffen dat mijn studiekeuze helemaal niet aansloot bij mijn interesses. Ik had een visuele belangstelling voor steden en landschappen, het liefst was ik de hele tijd bezig met het maken van foto's en het bestuderen of tekenen van landkaarten. Ook de historie van een gebied fascineerde me. Maar ambtelijk geneuzel kon me echt niet boeien.
Jarenlang had ik me wijs laten maken dat studeren nu eenmaal saai is, maar dat je met een universitair diploma wel interessant werk kunt kunt krijgen. Nu begon ik in te zien dat de banen die ik op papier zou kunnen krijgen, minstens zo saai zouden zijn als de studie zelf. Op papier of met zand creëerde ik vroeger mijn eigen fantasiesteden, maar als planoloog zou ik een minuscuul onderdeeltje zijn van een grote organisatie die nog meer sfeerloze stadsuitbreidingen, autosnelwegen en zielloze recreatieterreinen zou ontwikkelen dan er al waren. Buiten de historische binnensteden zou de treurigheid die je al kon waarnemen in plaatsen als Almere, Hoofddorp of Zoetermeer, steeds verder oprukken; smakeloze architectuur, fantasieloze stedenbouw en kleinburgerlijk woongenot, waarbij de voornaamste eis is dat er bij elk huis minstens twee auto's geparkeerd kunnen worden. (Hoe prettig het is om in zulke wijken te wonen, heeft Naima El Bezaz beschreven in Vinexvrouwen.)
Als ik niet bereid was om me als beginnend planoloogje te conformeren aan de heersende norm, dan zouden er voor mij honderd anderen inzetbaar zijn. Planologie leek uiteindelijk geen vak te zijn voor creatieve geesten maar voor strak afgerichte brilsmurfen. Bovendien moest je, om in dit vak nog ergens aan de bak te komen, vlot kunnen babbelen en anderen voor je karretje weten te spannen. (Uitgerekend Geert Wilders zou zulke types een kwart eeuw later treffend omschrijven als ‘gladpratende bestuurskundedoctorandussen met designerbrillen’.) Ik zag voor mezelf in dit vak alleen nog een rol weggelegd als klokkenluider of als een mol die ambtelijke rapporten voortijdig doorsluist naar milieu-organisaties, maar besefte tegelijkertijd dat ik vermoedelijk al tijdens een sollicitatiegesprek uit zou stralen dat ik niet van plan was om in de pas te blijven lopen.
Veel van mijn schijnbaar rebelse studiegenoten, die ik ervan verdenk dat ze eigenlijk niets liever wilden dan een keurige baan met een leasebak voor de deur, konden hun frustraties over het gebrek aan carrièreperspectieven nauwelijks verbloemen. Iets teveel van hen waren suffe mutsen die deden alsof ze erg blij met zichzelf waren. Ze waren vooral goed in het napraten van elkaar.
Sommige docenten moesten het ontgelden, zoals Anneke Hakkenberg, die volgens het roddelcircuit nauwelijks wat gepubliceerd had. Niet dat haar critici zelf ooit iets opzienbarends op papier gezet hadden, maar het was nu eenmaal erg makkelijk om een docent af te kraken die geen assertieve indruk maakte.
Groot was het ongenoegen in het papegaaienkoor toen de kamergeleerde van het instituut, Andreas Faludi, voorstelde om twee weken op excursie naar Wenen te gaan, waar hijzelf vandaan kwam. Wenen was maar suf en burgerlijk: Boedapest was veel hipper, daar wilden ze heen! Faludi deed alsof hij niets gehoord had en enkele maanden later gingen we keurig met z'n allen naar Wenen. De excursies naar allerlei delen van de stad waren interessant, maar tijdens de bijeenkomsten waar we werden bijgepraat over 'Stadtverwaltung' en 'Flächennützungspläne' slaagde ik er niet in om mijn ogen tot het einde toe open te houden; soms viel ik tijdens zo'n praatje simpelweg in slaap, tot hilariteit of ergernis van mijn studiegenoten. Het lag niet aan mijn Duits of aan een tekort aan nachtrust. Mondelinge presentaties of vergaderingen over dingen die me niet echt boeien, heb ik altijd een crime gevonden. Door het minste of geringste word ik dan afgeleid; of ik droom gewoon weg, zelfs als ik echt mijn best doe om alert te blijven.

 
'In gelul kun je niet wonen'
Het werkcollege van Gert Middelkoop over stadsvernieuwing werd het drukst bezocht. Niet dat je bij hem nu zoveel opstak: het was vooral zijn arrogante en provocerende houding die respect afdwong. Om studiepunten bij hem te krijgen, moest je een speech schrijven die door Gerrit Brokx, de staatssecretaris van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, gehouden had kunnen zijn. Afgezien van het feit dat ik me niet kon voorstellen dat ik ooit als een spindoctor (zoals Kaspar Juul in de Deense serie Borgen!) teksten zou kunnen produceren voor partijbonzen van allerlei pluimage, bleef het tijdens deze colleges een groot vraagteken waar je de informatie vandaan moest halen die je nodig had om zo'n speech enigszins geloofwaardig op papier te zetten. Het was typerend voor de hele opleiding planologie: veel pretenties maar weinig inhoud. Niet voor niets had Jan Schaefer, een voorganger van Brokx, als motto: "In gelul kun je niet wonen". Met beleidstaal, oftewel gelul op papier, moest je echter affiniteit hebben om met deze studie iets te kunnen bereiken.
"Anders ben je het niet waard om een ton per jaar te verdienen", was de leus waarmee Middelkoop elke tegenwerping pareerde. Ik zat echter helemaal niet te wachten op een vet betaalde baan die ik alleen met heel veel moeite en mazzel zou kunnen krijgen, die ik vervolgens met alle macht zou moeten zien te behouden en waar ik uiteindelijk helemaal niet gelukkig van zou worden. De retoriek van Middelkoop kon mij niet motiveren, integendeel. Het wekte juist weerzin in me op en sterkte mijn gevoel dat types als hij zelf niet waard zijn wat ze verdienen.
Het soort carrière dat we leken te moeten ambiëren, paste niet bij mij en was ook niet weggelegd voor het overgrote deel van de studenten die dit werkcollege volgden. Ik had geen hoop meer dat ik hier nog iets op zou gaan steken waar ik later wat aan zou hebben. Om toch nog iets van deze opleiding te maken, liet ik het gebral van Middelkoop voor wat het was en ging ik verder met een werkcollege van Mari Wingens over de ruimtelijke ordening van het platteland. Mari had een baard, liep op schippersklompen en fietste dagelijks van Muiden naar Amsterdam, zodat de trendy stadsvernieuwers hem als een veredelde tuinkabouter beschouwden. Het was in ieder geval niet zijn stijl om tegenover studenten van de verloren generatie te bluffen over de salarissen die zijn eigen leeftijdgenoten met een beetje babbelen, protesteren en netwerken binnengesleept hadden.
Studiepunten kon je bij hem halen door simpelweg een paper te schrijven of een excursie te organiseren. Ik deed het laatste. Voor de rest bleef planologie een oersaaie opleiding. Ik had spijt van mijn studiekeuze, maar zag nog geen haalbaar alternatief.
Bij veel van mijn studiegenoten die niet voor planologie hadden gekozen, maar na hun kandidaats door waren gegaan met sociale geografie, heerste een zekere minachting voor planologie, dat ze niet boven een HBO-opleiding uit vonden steken. Bovenaan de pikorde van geografen stonden overigens degenen die fysische geografie studeerden: zij zagen ook sociale geografie als een boterzacht leutervak dat je als 'wetenschap' niet serieus kon nemen. Later verdampten deze rivaliteiten weer: de dag na het afstuderen konden we ons immers allemaal melden bij de sociale dienst. Op het arbeidsbureau belandden de dossiers van planologen en de beide soorten geografen uiteindelijk in dezelfde la met het stempel 'onbemiddelbaar' erop. Het verbaasde me niet.
 

mooie Monica
Bij mijn bijvak milieukunde was het een stuk gezelliger. Een half jaar lang geen tentamens, maar meedraaien in een projectgroep met studenten van verschillende studierichtingen. In mijn groepje konden we het goed met elkaar vinden. Ik had het er naar mijn zin zonder het gevoel te hebben dat ik aan allerlei ongeschreven regels en normen moest voldoen. Vaak doken we de kroeg in, soms gingen we in het weekend met het hele groepje ergens wandelen.
Een van hen was Monica: een mooie biologiestudente uit Wageningen met een charmant Brabants accent, vrouwelijk zonder opsmuk en in bezit van racefiets (waarmee ze van de Pyreneeën naar huis was gereden!) en bergschoenen. Voor mij een fatale combinatie van uiterlijk en bezigheden: Monica was precies het soort vrouw waar ik graag over fantaseerde, maar waarvoor ik ook ontzag had. Maandenlang zat ik drie dagen per week tegenover haar in mijn werkgroepje en genoot ik stilletjes van haar aanwezigheid, maar had ik met haar niet meer contact dan met de rest van de groep. Toen het project was afgerond en ik Monica niet meer zag, besefte ik pas goed hoe gek ik op haar was geworden. Andere meiden, die wel probeerden mijn aandacht te vangen, zag ik amper nog staan of vond ik wel leuk, maar te duidelijk voorbestemd voor een traditionele manier van leven. Ook was ik beducht voor vrouwen die teveel op mijn moeder leken.
In ieder geval deed ik mijn best om Monica af en toe nog te kunnen zien. In de zomer zocht ik haar weer eens op. Ik werd hartelijk ontvangen en 's avonds laat maakten we met z'n tweeën bij volle maan een lange wandeling door de uiterwaarden van de Rijn. We praatten nog wat na op haar kamer. Toen ik al in mijn slaapzak was gekropen, zat Monica op haar bed nog uitgebreid haar voeten te verzorgen en met mij over koetjes en kalfjes te kletsen, waarbij ze me opvallend lang de gelegenheid bood om haar mooie naakte borsten te bewonderen voordat ze met een glimlach onder de lakens kroop. Een betere manier om mijn smeulende passie op te doen laaien had ze niet kunnen bedenken; bij Ann was het twee jaar eerder met een soortgelijke flirt begonnen. Helaas kon ik over verdere intimiteiten voorlopig alleen maar dromen.
De volgende dag fietste ik namelijk verder richting Tsjechoslowakije en Polen (een heel bijzondere tocht met onvergetelijke ontmoetingen en gesprekken, onder andere met een Tsjechische dissident die door mijn Amnestygroepje 'geadopteerd' was. In 2011 vond ik hiervan een uitgebreid reisverslag met foto's terug, dat te zien is op www.keesswart.nl/fietsreportages/1984.htm), terwijl Monica nog enkele weken in Schotland ging wandelen met een studiegenoot waarmee ze een onduidelijke relatie had (of beter: iemand van wie Monica niet met zoveel woorden wilde zeggen en ik niet wilde horen dat hij op dat moment haar vriendje was).
Toch was ze nu niet meer uit mijn hoofd te branden, integendeel. Zolang ik haar niet zag, kon ze in mijn gedachten de persoon blijven die ik graag in haar wilde zien: een warme, bereisde en enigszins mysterieuze vrouw die hopelijk wat anders van het leven verwachtte dan een doorzonwoning met krijsende kinderen.
Na de zomer zag ik haar nog een keer op een wandelweekend, samen met de anderen van de milieukundegroep. Vele vragen en een knagende onzekerheid over wat ik nu van Monica kon verwachten, hadden zich enkele maanden lang tussen mijn oren opgehoopt, met een verlammend effect op mijn spontaniteit en daadkracht: in plaats van te informeren hoe haar reis naar Schotland was geweest en te peilen of ze nog iets met mij wilde afspreken, hield ik me op de vlakte. Ook op hints van haar kant reageerde ik niet zoals ik zou willen; ik was totaal verkrampt. Toen Monica weer was vertrokken, vervloekte ik mijn onhandigheid.
Als laatste redmiddel om het contact met haar in stand te houden, schreef ik me in voor een project aan wat toen nog de Landbouwhogeschool heette, waarin ik voor mijn eigen studie enkele maanden mee kon draaien. Ik maakte mezelf wijs dat ik wel eens wat anders wilde dan een stage of project dichtbij huis, maar in werkelijkheid was ik bang dat ik anders nooit meer wat van Monica zou vernemen.
Tot mijn vreugde bood Monica mij spontaan aan om op de dagen dat ik in Wageningen moest zijn, bij haar te komen logeren. Daar bleek ze echter veel gecompliceerder te zijn dan ik in Amsterdam had willen beseffen. Ze kon erg nukkig zijn en zat niet lekker in haar vel, wat ze maskeerde met een schijn van zelfgenoegzaamheid.
De sfeer van die zomerse avond voor mijn vertrek naar Polen kwam niet meer terug. Het huis dat Monica deelde met enkele studiegenoten die alles van elkaar leken te willen weten, bleek niet zo'n geschikte plek voor het doen van intieme ontboezemingen. Sterker nog, overal in Wageningen leek iedereen elkaar te kennen en in de gaten te houden. Toen ik op een avond met Monica was meegegaan naar de kroeg, bleek daar weer Gijs, een van haar huisgenoten, achter de bar te staan. Hij moet mij zwijgend naar mijn glas hebben zien staren, terwijl ik in gedachten koortsachtig op zoek was naar een golflengte waarop ik Monica zou kunnen bereiken...

 
vermoorde onschuld
Mijn voortdurende onvermogen om door de firewall van Monica heen te breken, stond niet op zichzelf en was ook een uitvloeisel van de lange tenen die mensen van onze generatie hadden ontwikkeld na het doorbreken van de taboes van onze ouders. De sfeer van de hippe jaren zestig was na 1980 echt voorbij. Peace, love en flowers hadden plaatsgemaakt voor een gebrek aan vertrouwen in alles en iedereen. De verbeelding was niet langer aan de macht, maar verdrongen door de verzuurde sfeer van 'no future' aan de ene kant en het opportunistische 'pakken wat je pakken kunt' aan de andere.
Achter een façade van stoer activisme hielden onzekere jongeren zich bezig met het kraken van huizen, eisen van rechten en, als het vrouwen waren, afzeiken van heteroseksuele mannen. Wat was begonnen als een offensief van geradicaliseerde Dolle Mina's in paarse tuinbroeken, was uiteindelijk de heersende ideologie geworden onder de onconventionele vrouwelijke studenten die ik tegenkwam: voor hen kon in elke man een verderfelijke macho schuilen, die elke vrouw als loslopend wild beschouwde en maar één ding wilde met zijn lustobjecten. Het was de vertrouwde antiseksuele moraal waarmee ik was opgegroeid, voorzien van een eigentijdse terminologie. Toch vielen ook deze vrouwen vaak nog wel op mannen, die dan wel aan allerlei eisen moesten voldoen.
Ik was er goed van doordrongen dat je als man feilloos moest kunnen jongleren met je uitspraken en emoties, als je in de smaak wilde vallen bij een aantrekkelijke, intelligente en onconventionele dame die nog niet voor het lesbische paradijs gekozen had. Ik wilde niet voor macho versleten worden en was op mijn hoede. Hoopvolle verwachtingen en opwindende fantasieën kon je maar beter voor je houden, complimenten over uiterlijk waren per definitie seksistisch en jaloerse mannen waren hopeloos ouderwets en bezitterig. Dan maar net doen of je niks van iemand wilde? Ook dat werd niet gewaardeerd. En de zelf ontworpen en eigenhandig gebreide truien die ik droeg, leken hooguit een politiek correcte vertedering op te wekken, maar geen lustgevoelens bij de juiste vrouwen.
Observeren lag me beter dan acteren. Ik was geen kameleon die razendsnel van kleur kon verschieten tussen Opzijslogans en Vivastijl. Maar ik zag wel dat gladde versierders die het spel goed beheersten en alle do's and don'ts van de laatste feministische golf simpelweg aan hun laars lapten, bij veel vrouwen succes hadden, al was het vaak kortstondig; of ze hoefden zich sowieso nergens aan te houden omdat ze als 'lekker exotisch ding' werden beschouwd. Echte macho's werden ook niet hopeloos verliefd en hadden altijd een plan B achter de hand.
Af en toe leek Monica mij uit de tent te willen lokken, andere keren negeerde ze me. Soms gedroeg ze zich als een lichtgeraakte en behaagzieke verleidster die iets van mij verwachtte, vaak ook als een afstandelijke en humorloze vriendin die even geen zin heeft in een goed gesprek. Haar wisselende signalen brachten me danig in verwarring en de communicatie tussen ons verstarde. Tussen droom en daad lag een slagveld van gierende hormonen en een gekmakende opeenstapeling van onuitgesproken irritaties.
Hoewel het taboe was om jaloers te zijn, ontkwam ik niet aan het gevoel dat half Wageningen op Monica viel. Het vriendje waarmee ze op vakantie was geweest, leek het inmiddels verbruid te hebben en kwam niet meer bij haar over de vloer; de arme drommel moet bij Monica flink onder de plak hebben gezeten. Andere vrienden, die zij als haar 'maatjes' aanprees, liepen nog steeds de deur plat of schreven haar lange brieven vanuit de exotische oorden waar ze stage liepen. Met zwoele blikken en verleidelijk gebabbel probeerden ze bij haar in de smaak te vallen. Monica deed er soms nog een schepje bovenop, maar speelde ook de vermoorde onschuld. Ze kon haar maatjes schijnbaar oprecht o zo lief aankijken om ze daarna genadeloos te fileren. Ze was niet te beroerd om de gevoelens die ze opriep, aan te wakkeren en zal vast hebben genoten van de aandacht en macht die ze daarmee verkreeg. Het bleek een spel te zijn waarvan zij de regels bepaalde. Als je dit spel niet begreep en stilletjes bleef hopen dat Monica je meer gunde dan een erotische tantaluskwelling, kreeg je van haar op non-verbale wijze te verstaan dat je een enorme sukkel was.
Op een herfstige avond, toen mijn hoofd weer eens vol zat met vragen en gevoelens die niet rechtstreeks gesteld of getoond hoorden te worden, maakte een korzelige Monica niet de indruk dat ze mijn aanwezigheid erg op prijs stelde. Ze speelde een cassette met Indiase muziek af, stak een staafje wierook aan en verraste mij opeens met een quasi-nonchalant ontbloten van haar prachtige lijf. Ademloos keek ik toe.
Plotseling ging de telefoon op de gang en rende ze met slechts een slipje aan haar kamer uit, naakt en verleidelijk als een gereïncarneerde Mata Hari, om een gesprek met een voor mij onbekende beller te voeren. Het leek allemaal koket, maar werd vilein toen ze mij direct na het telefoongesprek met een ijzige blik de grond inboorde en reddeloos in het drijfzand van mijn verliefdheid weg liet zinken.
De prikkelende scene die Monica had opgevoerd, was moeilijk te rijmen met de slechte sfeer die tussen ons was ontstaan. Wellicht bedoeld als seksuele valkuil; als ik erin was getrapt, had ze mij voorgoed de deur kunnen wijzen, met als verwijt dat ik haar gastvrijheid misbruikt had. We hadden prima kunnen figureren in een van de romans die Michel Houellebecq later zou schrijven: Monica als begeerde en kieskeurige vrouw en ik als kansloze nerd, die alleen even op mag komen draven om haar seksuele marktwaarde te bevestigen.
Enkele weken later was zij helemaal weg van iemand die ze had leren kennen bij een meditatieclubje: hij stelde zichzelf aan mij voor als Fons, maar voor Monica bleek hij Parviz te heten. Van haar kreeg ik later ook te horen dat het tussen hen liefde op het eerste gezicht was geweest. Uiteindelijk vertrok Monica voor een stage naar India, waar ze haar goeroes snel had gevonden. Terug in Nederland dook ze onder in een yogaklooster om op zoek te gaan naar haar spirituele drijfveren. De non had haar nozems gedumpt. Jaren later was de sfeer in 'Are you experienced?' van William Sutcliffe voor mij een feest van herkenning.
Rond de eeuwwisseling verscheen ze nog eenmaal totaal onverwacht voor mijn ogen in een buurthuis in Amsterdam, waar ik voor een tijdschrift foto's kwam maken van een bandje dat Balkanmuziek kwam spelen. De eerste zwoele tonen klonken al, toen tot mijn niet geringe verbazing een perfecte kopie van Monica als een vleesgeworden schim uit het verleden het podium besteeg. Aan het publiek werd ze voorgesteld als een tanpuraspeelster uit Bulgarije.
Ze was geen steek veranderd. Na vijftien jaar leek ze zelfs niet ouder geworden. De femme fatale uit mijn herinnering was nog altijd een goed ogende vrouw die nu een plek gevonden leek te hebben waar ze haar ei kwijt kon en nog altijd de aandacht van vele ogen op zich wist te vestigen. Ik wist dat ze iedereen weer in de maling nam, al kon ze qua uiterlijk prima voor een Bulgaarse doorgaan en bespeelde ze de tanpura goed genoeg om een plekje in de band te rechtvaardigen.
Ik had niet zo'n zin om het haar zelf ter plekke te vragen, maar nieuwsgierig was ik wel: een beetje googelen bevestigde voor mij dat deze dame echt niet uit de Balkan kwam en nog altijd Monica heette. Ook zag ik dat ze muziekinstrumenten uit India importeerde; de link met de tanpura was nu snel gelegd. Uiteindelijk was ze - uit liefde op het laatste gezicht? - getrouwd met ex-huisgenoot Gijs en conform de 'burgerlijke' traditie - of om elke twijfel de kop in te drukken?? - ook zijn achternaam gaan gebruiken. Gijs bleek net als zijn vrouw stevig wortel te hebben geschoten in het wereldje van navelstaarders en mantrazangers. Als het hem echt is gelukt om een evenwichtige relatie met Monica op te bouwen, is dat een niet geringe prestatie.
 

Madras
Ik likte mijn wonden en vertrok zelf naar India. Samen met Jacques, een oude studiegenoot van mij die ik in de Amsterdamse metro was tegengekomen en mij verteld had dat hij naar Madras ging om zijn studieobject 'Low cost housing for the poor' af te ronden.
"Ik ga met je mee", zei ik direct. Ik moest gewoon even weg om uit een gigantische dip te krabbelen. In Wageningen had ik nog vijf maanden in een studentenflat doorgebracht om met reusachtige tegenzin mijn studieproject af te ronden. De liefde was een mijnenveld gebleken, met mijn projectgenoten (die geen flauw benul hadden waarom ik naar Wageningen was gekomen) kon ik niet erg goed overweg en aan mijn studie had ik een grondiger hekel gekregen dan ooit tevoren. Bovendien had Monica zo vaak vol trots verteld over de exotische reizen die zijzelf, haar broer en haar 'betere' vrienden hadden gemaakt, dat ik het gevoel had gekregen dat je een hopeloze provinciaal was als je niet minstens een paar maanden in een crisisland buiten Europa had doorgebracht.
Ik raapte al mijn spaargeld bij elkaar en liftte naar Istanbul. Daar trof ik Jacques, met wie ik in twee weken per trein, bus of liftend via Turkije, Iran en Pakistan naar het Zuid-Indiase Madras reisde. Zoals we van tevoren hadden afgesproken, bleef ik Jacques daar een maand vergezellen. Ik voorzag hem graag van commentaar op de ontmoetingen en gesprekken die hij had met lokale wetenschappers en andere hotemetoten. Ontnuchterend was het om te constateren dat Jacques met sommigen van hen overhoop lag sinds zijn vorige verblijf in Madras, anderhalf jaar eerder. Ook bij zijn scriptiebegeleider in Amsterdam, Hans Schenk, leek hij het verbruid te hebben. Aan het eind van de maand wenste ik Jacques veel sterkte en ging ik nog een maand op eigen houtje door India trekken.
Terug
in Nederland volgde een naargeestige periode van intensief zoeken naar zo'n beetje alles waar ik toen behoefte aan had, zoals een inkomen, woonruimte, een zinvolle bezigheid en een levensdoel. De eerste maanden vulde ik met deprimerende uitzendbaantjes in IJmuiden en Amsterdam. Ik vond ik een flat in de Bijlmermeer die ik moest delen met een paar asielzoekers uit Ghana en Togo. (Helaas had ik er alleen mannelijke huisgenoten. Een Bijlmeravontuur zoals beschreven in 'Alleen maar nette mensen' van Robert Vuijsje zat er voor mij niet in. Toen mijn ouders een keer langskwamen, keek mijn moeder angstig om zich heen en vroeg: "Waar is die neger?"). Na een half jaar verruilde ik de Bijlmerflat voor een slooppand in de Amsterdamse Transvaalbuurt, waar ik weer opleefde.
Daar pakte ik de draad van mijn studie op, aangezien ik nog maar drie tentamens en een scriptie was verwijderd van een diploma. Bovendien werd eind 1986 voor alle studenten de basisbeurs ingevoerd; met af en toe een bijbaantje kon ik daarvan rondkomen. In Mari Wingens vond ik een goede scriptiebegeleider. Wel vroeg ik me steeds weer af hoe mensen als hij gelukkig konden zijn - als ze dat tenminste waren - terwijl ze dag in dag uit zaten opgesloten in een betonnen werkkamer en veroordeeld waren tot het steeds moeten bijhouden van gortdroge vakliteratuur, het geven van colleges aan ongemotiveerde studenten en het volhouden van de publicatiewedloop met vakgenoten...

 

lullige stropdas
Enkele jaren bleef ik nog bevriend met Jacques. Hij deed zich graag voor als een eigenzinnige en onorthodoxe man van de wereld, maar helaas ontwikkelde hij zich in mijn ogen steeds meer tot een oubollige 'male chauvinist pig'. Luisteren was niet zijn sterkste punt en het was onbegonnen werk om tegen zijn razendsnelle maar oppervlakkige woordenstroom op te boksen. Hij was twaalf jaar ouder dan ik en vond zijn grotere levenservaring een goede reden om mij te vermoeien met de meest banale uitspraken en vooroordelen. Vooral over vrouwen had hij onwrikbare opvattingen. Eindeloos konden we bekvechten over de vraag of een kinderwens tot stand komt door dwingende hormonen (Jacques) of door de eigen, al dan niet door geloof, traditie en sociale omgeving beïnvloede wil (ik). Steeds beter ging ik begrijpen waarom hij met allerlei mensen ruzie had.
Tegelijkertijd leek hij een joviale vent, precies het type dat Ischa Meijer ooit omschreef als 'mannen van over de veertig, die een op niets maar dan ook niets gestoelde geestdrift als een hopeloos vrolijke luchtballon permanent met zich meevoeren, aan een uiterst iel draadje zelfvertrouwen'.
Jacques
was, op z'n zachtst gezegd, apart. Als veertiger woonde hij nog op een studentenflat. Hoewel hij zich in Madras had voortbewogen op een wrakkige huurfiets, heeft hij in Nederland nooit een fiets gehad. Hij vond het hier te koud en te nat om te fietsen. Koken kon hij niet. Als ik bij hem kwam eten, werd er een kant-en-klare pizza uit de supermarkt opgewarmd. Ook frieten at hij graag. Hij dronk alleen melk, wijn en bier, alle drie in meer dan respectabele hoeveelheden. Zijn vetlagen groeiden dan ook als jaarringen van een formidabele beuk. Toen ik voor het eerst presentator Bas van Werven op de buis zag, wist ik niet wat ik zag. Dezelfde blik, hetzelfde kapsel, hetzelfde postuur: een bijna perfecte kopie van Jacques!
Jacques' scriptiebegeleider werd ziek en diens vervanger liet Jacques afstuderen om van hem af te zijn. Sindsdien was het gedaan met Jacques' onconventionele levenshouding. Een paar weken na zijn afstuderen was hij in Zwitserland om een geheime bankrekening te openen. Daar kreeg hij te horen dat buitenlandse spaarders alleen welkom waren met een inleg van minimaal tienduizend gulden. Blijkbaar zocht hij een veilige kluis voor zijn bijstandsuitkering, die hij op dat moment naast zijn nog niet gestopte studiebeurs ontving. Ook leed Jacques aan een sneu en hardnekkig titelexhibitionisme. Iedereen moest en zou weten dat hij nu een heuse doctorandus was; zelfs op zijn bankafschriften moest per se het ietwat sneue drieletterige statussymbooltje voor zijn naam staan. Ook vertoonde hij zich van de ene op de andere dag alleen nog maar in een grijs pak met een lullige stropdas.
"Anders kun je het wel vergeten met je carrière", zei hij toen ik hoofdschuddend zijn nieuwe outfit aanschouwde.
"Hoezo carrière? Moet je daar niet eerst een ècht vak voor leren? Met wat je nu aanhebt, kun je trouwens beter tweedehands auto's gaan verkopen", was mijn reactie. Jacques kon er niet om lachen en vond het nodig om mij nog eens goed in te peperen hoe ik met vrouwen om zou moeten gaan. Enig vermogen tot zelfreflectie hoefde ik van hem niet te verwachten: als er iemand niks van vrouwen begreep, was het Jacques wel. Voor mij werd het hoog tijd om andere vrienden te gaan zoeken.

Later vernam ik via via nog wel eens wat van Jacques. In 2005 las ik dat hij was overleden en zijn vriendin en dochter in Kenia berooid had achtergelaten (www.gim-international.com/issues/articles/id578-Jacques_Sipkes.html). Ook in een cartografisch tijdschrift was te lezen dat 'Dr. Jacques Sipkes' onverwacht was heengegaan (http://icaci.org/documents/newsletter/ica_news_45_2005_2.pdf). Doctor? De redactie zal hem dit tikfoutje voor één keer gegund hebben.

 

goed jaar
Net als Jacques was ook ik na tien jaar van mijn studie verlost. Voor de tweede keer in mijn leven had ik met veel tegenzin een opleiding afgemaakt. Ik was opgelucht maar verkeerde niet in een feeststemming. Zonder familie of vrienden uitgenodigd te hebben kwam ik naar de Lutherse Kerk aan het Spui, waar ik samen met een record aantal studiegenoten een diploma in ontvangst kon nemen, want 1988 was een goed jaar: in Amsterdam en Nijmegen samen werden wel honderd kersverse planologen - zowel 'oude-' als 'nieuwe stijl' - afgeleverd. Dit diploma heb ik opgeborgen in een briefordner en is daar altijd in blijven zitten; nooit heb ik het ergens hoeven laten zien.
Ik vroeg me af wat ik nu echt geleerd had: veel bureaucratenjargon met een academisch sausje, waar ik geen goed gevoel bij had. Het netto resultaat van deze opleiding bestond vooral uit voortschrijdend inzicht. Verder maakte ik me geen illusies. De kansloze stoelendans om een handvol banen voor dossiervreters en beleidsbabbelaars liet ik graag over aan mijn voormalige studiegenoten. Die reageerden, net als sommige docenten, wat lacherig toen ik vertelde dat ik uiteindelijk fotograaf wilde worden. Wat nog eens benadrukte hoe vervreemd het planologenwereldje en ik van elkaar geraakt waren. Vermoedelijk had ik me op een kunstacademie beter thuisgevoeld, al zou ik ook daar zijn afgeknapt op de conceptionele lulverhalen die je daar leert om je werk mee te verkopen.
Dezelfde middag stond ik al weer pallets te stapelen in het koelhuis, waar ik enkele maanden werkte om aan geld te komen voor een nieuw avontuur: enkele duizenden kilometers fietsen door vier landen in het zuiden van Afrika, afgewisseld met vrijwilligerswerk in Lesotho, waar ik tot mijn verrassing liefdevol zou worden onthaald door leuke black beauty’s (zie ook www.keesswart.nl/fietsreportages/Lesotho.htm). Het fietsen deed ik op eigen houtje, maar in Lesotho werkte ik samen met jongeren uit de buurt en drie sympathieke vrouwen uit Duitsland, Frankrijk en België; twee van hen lieten zich verleiden en belazeren door Afrikaanse mannen, dus aan gesprekstof was geen gebrek.
Deze reis zou me veel beter gaan bevallen dan mijn eerdere trektocht door het hete, smerige, drukke en ondoorgrondelijke India. In India was ik vooral irritante mannen tegen het lijf gelopen, terwijl ik in Afrika juist veel aardige vrouwen ontmoette. Ik genoot van hun spontaniteit en gevoel voor humor en vond het heerlijk om even niet meer te hoeven voldoen aan allerlei verwachtingen en vaak onuitgesproken gedragscodes, inclusief die van het alternatieve circuit. Het echte leven kon eindelijk beginnen!

 
Fotoacademie, Amsterdam (1993-1996)
 

Spaans benauwd
Na een boeiende tijd in Afrika hield ik me bezig met uitzendbanen en vrijwilligerswerk. Een paar jaar later vertrok ik nogmaals voor een half jaar naar het zwarte continent. Even speelde ik met de gedachte om fulltime wereldfietser te worden, met fysicus Frank van Rijn en bioloog Bart Aardema als goede voorbeelden. Ik beschikte echter niet over de middelen en netwerken om zoiets lang vol te kunnen houden. Ook wist ik dat alleen maar wat rondfietsen me al na enkele weken zou gaan vervelen; daarvoor waren er nog teveel andere dingen die me boeiden. Ik zou best een vak willen uitoefenen, maar dat moest dan wel passen bij mijn persoonlijkheid en interesses.
Wat ik niet wilde, was in de fuik zwemmen van een vaste baan, een gezin en een groot huis om dan geen tijd meer te hebben voor alles wat het leven voor mij de moeite waard maakt. Het leek me sowieso niet verstandig om kinderen op de wereld te zetten die vermorzeld zouden worden in de rauwe competitiemaatschappij die er steeds zichtbaarder aan leek te komen, waarin alleen nog ruimte zou zijn voor mensen die zichzelf goed kunnen verkopen. De herinneringen aan mijn eigen jeugd lieten ook geen ruimte voor romantische ideeën over het vaderschap.
Tegelijkertijd merkte ik dat steeds meer mensen om mij heen die de dertig gepasseerd waren, dit alles zonder een spoor van twijfel juist wel ambieerden. Die dachten kennelijk dat ze daar wel gelukkig van zouden worden en dat de wereld ook nog wel wat extra bevolkingsgroei en massaconsumptie aankon. Of ze dachten sowieso nergens over na en deden gewoon wat iedereen leek te doen, ook als ze altijd hadden beweerd dat ze nooit 'burgerlijk' zouden worden. Termen als 'hypotheekslaaf', 'spitsuur van het leven' en 'vinexwijk' waren nog niet in zwang, maar ik besefte wel zo'n beetje wat ook mij zou staan te wachten als ik me alsnog zou conformeren aan de heersende norm.
De uitzendbanen, die ik met moeite kon krijgen, waren geen succes. Vaak vond men mij als dertiger al te oud, te hoog opgeleid met een verkeerd cv, niet van het juiste geslacht of sowieso 'niet passend bij de organisatie'. Spaans benauwd kreeg ik het van allerlei simpele en geestdodende werkzaamheden bij organisaties met een 'voskuiliaanse' bedrijfscultuur, waar eigenzinnigheid en creativiteit worden gesmoord in een dikke stroop van schoolse regels en ambtelijke structuren.
Net als vroeger op school was ik daardoor met mijn gedachten zelden bij het werk. Na een vergadering herinnerde ik me meer van de schilderijen aan de wand dan van de besproken agendapunten. Verder verloor ik elk respect voor glibberige en horkerige chefs (helemaal als het van die zelfgenoegzame maatpak-en-stropdastypes waren, die strooien met termen als 'aanpakken', 'de handjes laten wapperen' of 'BV Nederland' en ondertussen zoveel mogelijk hun eigen zakken vullen). Ook kon ik moeilijk communiceren met collega's die het buskruit niet hadden uitgevonden en werd ik moe en depressief als ik tijdens het werk werd gedwongen om het getetter van Radio 538 aan te horen dat alle Sjonnies en Anita's juist nodig leken te hebben om hun werk draaglijk te maken. Slechts bij één baas (een sociale bourgondiër die niet op zijn strepen stond en zijn medewerkers allereerst als mensen benaderde en niet tot productiefactoren reduceerde) hield ik het als 'vaste uitzendkracht' in deeltijd enkele jaren uit: bij hem kon ik ook redelijk zelfstandig werken en van alles op mijn eigen manier doen.
In de omgang met andere bazen die zich wat autoritairder opstelden, viel ik min of meer automatisch terug op de strategie die ik vroeger bij mijn ouders hanteerde: ja knikken, zoveel mogelijk negeren wat er gezegd wordt, vooral geen discussie aangaan en verder stilletjes mijn eigen gang gaan. Hoewel openlijk verzet zinloos was zolang ik een baan nog even wilde houden, bleven lusteloos conformisme en stille sabotage bruikbare opties.
Na meer dan dertig banen en baantjes had ik echter geen enkele illusie meer over de zegeningen van de arbeidsmarkt. De laatste restjes van het arbeidsethos dat me sinds mijn jeugd had achtervolgd, maakten razendsnel plaats voor een intense afkeer van mensen en mechanismen die mij wilden reduceren tot een loonslaaf die altijd en overal beschikbaar moet zijn, ook in een vastgelopen bureaucratie of voor een bedrijf dat zinloze producten levert. Het lukte me simpelweg niet om kritiekloos volgens de voorgeschreven werkwijzen te handelen; voor het invoeren van bestanden of het sorteren van post had ik mijn eigen methodes bedacht, maar het moest per se geschieden op de knullige manier die ooit door een stel minkukels was verzonnen. Het kostte me steeds meer moeite om me langdurig te concentreren op werk dat me totaal niet interesseerde. Ik dreigde in een ernstige depressie te raken als ik hiermee door zou gaan.
Ik ging steeds meer calculeren en turfde, als iemand die een straf uitzit, af hoeveel dagen en uren ik het nog ergens moest zien uit te houden om mijn sociale rechten veilig te stellen. Het ergst waren de banen die zo weinig om het lijf hadden, dat ik quasi comateus naar de wijzers van een klok zat te staren tot ik naar huis kon gaan en tegelijkertijd de schijn moest zien op te houden dat ik iets aan het doen was. En altijd was het de vraag of ik het moment dat ik op wilde stappen zelf kon bepalen voordat ik ontslagen zou worden.
Ik besefte dat ik zelf niet gelukkig zou worden en ook niemand anders een lol zou doen als ik de rest van mijn leven voor postbode, datatypist of hulpsecretaresse zou blijven spelen. Ook gruwde ik van het idee dat ik mijn oude 'vak' weer op zou kunnen pakken door - zoals sommige van mijn ex-studiegenoten deden - een net pak aan te trekken en gebakken lucht te gaan verkopen in de vorm van zogenaamde beleidsadviezen. Geld verdienen was voor mij geen grote drijfveer, status al helemaal niet. Wel wilde ik iets doen waar ik goed in was en waar ik ook nog een beetje lol in zou hebben, niet te simpel, niet te saai, in mijn eigen tempo en heel graag zonder allerlei procedures en gedoe met mensen, dus bij voorkeur iets wat ik op eigen houtje af zou kunnen.

 
het roer om
Het was hoog tijd om het roer om te gooien. Al sinds het einde van mijn studie liep ik rond met het idee om een uit de hand gelopen hobby - fotografie - te professionaliseren. Voor mijn tweede reis naar Afrika had ik al een jaar lang de schriftelijke opleiding reportagefotografie aan de Fotovakschool gevolgd. Dat bleek aan het begin van de jaren negentig echter een oubollige en schoolse stoomcursus voor publieksfotografen te zijn. Ik zag mezelf geen handelaar in pasfoto's en trouwreportages worden; daarvoor moet je vlot kunnen omgaan met mensen die je niet kent, een commerciële instelling hebben en geen hekel hebben aan oppervlakkigheid. Op zoek naar een avondopleiding met meer diepgang en aandacht voor mijn eigen interesses kwam ik uiteindelijk terecht bij de Amsterdamse fotoacademie.
Deze ongesubsidieerde opleiding was toen nog niet zo commercieel als tegenwoordig, al waren de studiekosten wel een rib uit mijn lijf. Toch had ik het er voor over, al kon ik daardoor niet meer maandenlang gaan fietsen. Han Sieveking, het opperhoofd van de academie, joeg de kosten soms nog meer op door persoonlijk te controleren of je bepaalde spullen wel had aangeschaft, zoals een onhandige losse belichtingsmeter die ik nooit heb gebruikt. Gezien de hoeveelheid folders, advertenties en gesponsorde links waarmee de fotoacademie tegenwoordig aan de weg timmert, én het groeiende aantal vestigingsplaatsen, is Sieveking nog altijd een slimme zakenman die handig inspeelt op de onvrede die veel mensen met hun carrière hebben. Een onvrede die vaak gepaard gaat met een verlangen naar interessanter en creatiever werk. Tegelijkertijd hebben opleidingen als de fotoacademie ervoor gezorgd dat er nu zoveel fotografen rondlopen, dat je een straatvechtersmentaliteit moet hebben of een rat moet zijn om in dit vak nog aan de bak te komen.
Overigens heb ik op de fotoacademie harder en met veel meer plezier gewerkt dan tijdens al mijn voorafgaande school- en studiejaren. Vooral de lessen van de toen nog piepjonge en onbekende Joost van den Broek waren erg inspirerend. Ook de andere docenten hadden nog niet het stadium bereikt dat ze afgebrand en zonder illusies naar de eindstreep van hun carrière strompelden. Wel had ik meer last dan lol van de beheerder van het keldertje waar ik een banddiaserie in elkaar gezet heb; hij wilde niet begrijpen dat ik met een examenopdracht bezig was en dat zijn regeltjes en opvattingen een optimaal eindresultaat alleen maar in de weg stonden. Gelukkig behoorde hij niet tot degenen die het examenwerk gingen beoordelen en maakte Han hem na een tijdje duidelijk dat hij me niet langer lastig moest vallen. Ook aan de mentoren, die deze fotoacademie extra duur maken, had ik weinig. Ik hou er niet van om iemand in de wandelgangen aan te moeten klampen om vragen te stellen; het kost me ook veel energie om iemand te benaderen en zover te krijgen dat hij of zij me serieus neemt en op mijn vragen ingaat. Bovendien vroeg ik me af of die mentoren nu echt zoveel verstand van zaken hadden. Liever zocht ik de antwoorden op mijn vragen in de vakliteratuur.
Wel had ik heel veel aan de opdrachten, deadlines en het contact met studiegenoten tijdens de opleiding. Mijn medestudenten waren grotendeels dertigers met zeer uiteenlopende achtergronden. De meesten waren afgehaakt voordat ik ze enigszins had leren kennen, maar met enkelen beleefde ik een paar boeiende jaren. Hoogtepunt was de excursie naar Antwerpen, waar we in kleine groepjes een serie beelden rond een van tevoren gekozen thema moesten schieten. Ik had Rob Cobben en Pieter Goudsmits overgehaald om de broeierige chansons (o.a. 'Rode lampen en havenvampen') van Guido Belcanto (www.guidobelcanto.be) als inspiratiebron te gebruiken. Rob wist als journalist enkele tips van de artiest zelf te krijgen en Pieter kende als vertegenwoordiger in toiletpapier opvallend goed de weg in de roze buurt bij het Antwerpse havenkwartier.
Voor mij was dit de eerste 'school' waar ik, ondanks het late tijdstip op de avond, van begin tot eind geboeid bij de les bleef, zonder weg te dromen of afgeleid te worden. In plaats van de chronische tegenzin die ik tijdens mijn eerdere school- en studiejaren altijd gevoeld had, keek ik nu met een combinatie van spanning en enthousiasme uit naar de wekelijkse lesavond. Dit was een opleiding waar ik eindelijk mijn ei in kwijt kon. In een voor mij ongebruikelijk hoog tempo voltooide ik de studierichting journalistieke-, documentaire- en portretfotografie.
De andere vakopleiding, creatieve fotografie, sprak me minder aan: voor mij te veel gefröbel en te veel nadruk op presentatie en commercie. De échte wereld vind ik veel interessanter dan de opgeklopte illusies en geliktheid van galeries, modeshows en reclamespotjes. Ook bleek ik een bloedhekel te hebben aan het in scène zetten van situaties of het manipuleren van mensen om een gewenst beeld tot stand te brengen. Ik blijf liever de introverte fotograaf die op het goede moment op de juiste plek moet zijn en zelf het liefst onzichtbaar wil blijven.
Ook om een andere reden hield ik me liever bezig met de inhoud dan met de verpakking van een beeld: het kaarsrecht op maat snijden van passe-partouts was duidelijk teveel gevraagd van mijn fijne motoriek. Liever stond ik af te drukken in de doka, al was ik ook hier nooit helemaal tevreden met het eindresultaat: in de praktijk was ik vaak te onhandig om aan mijn steeds perfectionistischer wordende eisen te kunnen voldoen.
 
kinderziektes    
De journalistiek documentaire opleiding, die vanaf 1993 werd aangeboden, had nog last van kinderziektes. Er was te weinig tijd ingeruimd om technische trucs onder de knie te krijgen. Wie iets niet meteen doorhad, werd verleid om voor een paar honderd gulden extra nog een cursus flitstechniek of studiofotografie te volgen, zodat weer een paar docenten van de straat gehouden konden worden.
Volgens Han Sieveking had je, als je efficiënt werkte, zestien uur per week nodig om alle opdrachten van de opleiding af te maken. Efficiency en snelheid komen voor mij in de praktijk meestal neer op een stressvolle manier van werken waarbij geen ruimte is voor dagdromen en het uitwerken van creatieve impulsen. Gelukkig werd ik in het tweede studiejaar verlost van een kantoorbaan bij de Amsterdamse rioolwaterverwerking, waarna ik me fulltime en veel relaxter op het fotograferen kon storten. De kwaliteit van mijn foto's werd nu zichtbaar beter en Joost van den Broek ging me waarderen als laatbloeier.
Han en Joost beseften overigens wel dat het kleine groepje studenten dat nog niet was afgehaakt, veel dingen nog niet goed onder de knie had. Ze namen het wijze besluit om op kosten van de academie de opleiding met een half jaar te verlengen.
Helaas leerden we niet hoe je als fotograaf aan fatsoenlijk betaalde klussen moet komen. "Dat moet je gegund worden", was het onbevredigende antwoord van Han op de vraag hoe we na de academie aan de slag konden raken. Na de opleiding bleek de fotografenwereld vooral een jungle van scharrelaars te zijn, die min of meer gedwongen worden om te bluffen over hun eigen kunnen, elkaar amper het licht in de ogen gunnen en zich tegen elkaar uit laten spelen door grote uitgevers met beruchte wurgcontracten.
 

zelfportret als lesopdracht van de fotoacademie (1994)

 
   

onthaasting
Ook van de fotoacademie ontving ik een papiertje dat ik in een ordner kon stoppen en waar nooit iemand naar zou vragen (tijdens de opleiding werd het een 'diploma' genoemd, op de dag van de uitreiking bleek er 'certificaat' op te staan). Wel heb ik als freelance fotograaf veel gedaan met wat ik tijdens de opleiding had opgestoken. De eerste tien jaar heb ik gefotografeerd voor tijdschriften, boeken, kalenders of congressen. Ik werkte dan op locatie en probeerde de werkelijkheid te benaderen zonder die te manipuleren. Dus geen glamour- en studiofotografie en geen gezeul met koffers vol lampen en statieven, waardoor ik per fiets en trein kon blijven reizen.
Na de digitalisering van de fotografie namen redacties en uitgevers steeds vaker genoegen met amateurbeelden die vrijwel gratis beschikbaar werden gesteld. Dokavaardigheden waren niet meer nodig en beeldmateriaal kon nu eindeloos gekopieerd worden, legaal of illegaal. Schrijvende journalisten, die vroeger altijd samen met een fotograaf op pad gingen, namen steeds vaker een camera mee om zelf foto's te maken. In het analoge tijdperk kwam ik nog regelmatig mensen tegen die een fotograaf zochten, tegenwoordig zoekt men alleen nog naar beeldmateriaal.
Ook bij de fotoklussen die bleven, werd steeds minder aan het inzicht van de fotograaf overgelaten: steeds vaker moest je je conformeren aan de soms ridicule eisen van verwaande redacteuren en artdirectors. Zolang het erom ging dat je gewoon goed werk afleverde, zelf kon bepalen hoe je dat deed en de meeste opdrachtgevers integer waren, kon ik me in de fotografie thuisvoelen. Nu draait het ook in dit vak steeds meer om goed kunnen lullen en aandacht trekken, terwijl vooral anderen de vruchten van jouw werk plukken en van de vrijheid, die mij voor dit vak deed kiezen, weinig meer overblijft.
Sindsdien ben ik steeds meer gaan schrijven. Om niet net zo'n beunhaas te worden als veel fotograferende schrijvers, beperk ik me als schrijvend fotograaf tot zaken waar ik echt verstand van heb. Zo heb ik voor het buitensportmagazine Op Pad tientallen reportages gemaakt over fiets- en langlauftrektochten. Ook heb ik een 1100 kilometer lange fietsroute, van de Vlaamse kust tot aan de Zwitserse grens, langs de frontlijn van de Eerste Wereldoorlog uitgestippeld en daarvan een fietsreisgids gemaakt ('Fietsen langs de Frontlijn', zie www.frontlijnroute.nl).
Gouden bergen levert dit alles niet op omdat je daarvoor, ten koste van vakgenoten, een gehaaide rat racer moet kunnen en willen zijn. Dan komt het er uiteindelijk toch weer op neer dat je bedreven moet zijn in het onderhouden van netwerken en vlot moet kunnen babbelen op borrels, terwijl je ook nog eens altijd en overal telefonisch bereikbaar moet zijn; kortom, een werkwijze die bij meer introvert ingestelde personen, zoals ik, wel veel tijd en energie kost maar weinig oplevert. Voor mij is het veel belangrijker dat ik me bezig kan houden met de inhoud en niet met al het gedoe eromheen; en vooral ook op een onthaaste manier kan werken, alle stoere praatjes op de fotoacademie dat je het als fotograaf drukker dan druk zou moeten hebben, ten spijt.
Naast het schrijven en fotograferen vul ik ongeveer één op de vier dagen met fietsen en wandelen. En last but not least ben ik klusjesman in een eeuwenoud huis in de binnenstad van Leiden, waar ik in 2001 met mijn vriendin ben gaan wonen.

 
Maak voor het bekijken van de rest van deze website een keuze uit het menu hieronder.