Dag 24, 15 september 2017. Van Verdun naar Varennes-en-Argonne, 63 km
 
 

In 2016 vond ik het tot half september te heet om veldwerk te verrichten. Een jaar later wacht ik in dezelfde maand tot het stopt met regenen. Dit lijkt de nieuwe realiteit te worden in Midden-Europa: van half juni tot half september is het vaak te heet om te fietsen wanneer hogedrukgebieden voor stabiel zomerweer zorgen, of er is juist hevige regenval wanneer de atmosfeer instabiel is en er frontale storingen voorbijtrekken (zie hier en hier). Zodra de weervooruitzichten voor Noord-Frankrijk beter worden, reis ik via Brussel en Luxemburg naar Metz. Daar mis ik door iets te lang te wachten voor een defecte lift een aansluitende trein naar Verdun. Er gaan later nog wel bussen die kant op, maar die nemen geen fietsen mee. Dus rij ik naar de stadscamping van Metz en boemel ik de volgende ochtend alsnog naar Verdun.

Het is voor de derde keer in een jaar dat ik in Verdun ben. Terwijl de trein over de Maasbrug naar zijn eindstation dendert, blik ik omlaag en zie ik dat hier aan het jaagpad wordt gewerkt. Eindelijk!
Waar in mei (zie dag 20) nog een smal jaagpad was, ligt nu een brede weg met hier en daar al een grindlaag.

 
Jaagpad langs Canal de l'Est
Verderop staat een hek, Daarachter is grond verwijderd en wordt de kanaaldijk opgeknapt. Ik ga naar beneden en fiets verder over een grindpad dat naast de dijk loopt.
 
Aan het jaagpad wordt gewerkt
Wanneer ik weer bij het jaagpad kan komen, blijkt er een grindbed met stoepranden te liggen dat door de vele regen in een kanaal is veranderd.
 
Ondergelopen voie verte in aanleg
Tussen Bras-sur-Meuse en Vacherauville was het jaagpad vorig jaar al geasfalteerd. Nu wordt er ook verder noordwaarts, tussen Vacherauville en Samogneux, aan gewerkt.
 
Fietspad in aanleg bij Champneuville
Voordat ik terugfiets naar Verdun, wil ik nog een traject hier in de beurt, het 'Rondje Argonne' fietsen, waar ik in het voorjaar geen tijd meer voor had. Bij Champneuville steek ik via een oude Baileybrug de Maas over.
 
Baileybrug bij Champneuville
Onderweg is goed te zien hoeveel regen hier de laatste weken is gevallen. Sommige velden staan helemaal blank.
 
Ondergelopen velden in de Argonne
En nog steeds valt er af en toe een bui, afgewisseld door felle opklaringen. Ik hou wel van dit levendige weer.
 
Regenboog bij Aubréville
Inmiddels heb ik traject 14, het rondje door de Argonne, bereikt. De route gaat mild op en neer over zacht glooiende heuvels, maar bij Lochères moet de steile heuvelwand worden beklommen die eeuwenlang een barrière vormde tussen Lotharingen en de Champagne. Eenmaal boven is het vlak en valt deze route enkele kilometers samen met de Romeinse weg van Reims naar Metz. Een gerestaureerde bunker uit 1915 markeert het begin van de Haute Chevauchée, de weg die het frontgebied kruist.
 
Abri de Courson

De bosrijke, diep ingesneden heuvels in de Argonne werden in Parijs eeuwenlang gezien als een natuurlijke bescherming tegen invasies uit het oosten. Misschien dat de Fransen daarom juist hier zo slecht waren uitgerust tegen de langdurige aanvallen van Duitse troepen. In 1914 hadden de Duitsers zich na de Slag aan de Marne teruggetrokken en ingegraven, maar in de Argonne bleven zij zich hardnekkig roeren om de frontlijn op te schuiven en strategisch gunstige posities in handen te krijgen. Kroonprins Wilhelm had de ambitieuze taak gekregen om van hieruit Verdun in te nemen, maar ook een aanval op Parijs zou vanuit de Argonne gestart kunnen worden.
Het dicht beboste terrein leende zich niet voor bombardementen door kanonnen en mitrailleurs, die elders langs het front een verwoestend effect hadden. Hier werd in loopgraven en tunnels een soort oerwoudguerilla uitgevochten, die uiteindelijk zou ontaarden in een mijnenoorlog. Beide partijen groeven tunnels onder elkaars stellingen en ieder hoopte de eerste te zijn die in staat was de ander op te blazen.

Er doemt een militaire begraafplaats op en in het bos zijn sporen van loopgraven en granaatinslagen zichtbaar. Een monument met een ossuarium markeert de frontlijn. Hiervandaan gaan verschillende wandelroutes het bos in, langs mijnkraters en loopgraven naar de Kaisertunnel. Hier lag een compleet stelsel van tunnels, die aansloten op de omringende loopgraven. Naar het noorden liep de Ortliebtunnel, die misschien wel vernoemd is naar een verre verwant van de bekende fietstassenfabrikant.

 
Abri de Courson
Wat verder van de frontlinie, langs de weg naar Varennes, wijst een bord naar de Abri du Kronprinz. Half overwoekerd door het oprukkende bos ligt hier een groepje vervallen bunkers, die destijds van alle gemakken waren voorzien om het verblijf aan het front voor de kroonprins zo comfortabel mogelijk te maken. Nu heb ik geen tijd meer om er te gaan kijken, omdat ik liever voor de schemering op de camping wil zijn. In 2010 lag de kroonprinselijke bunker er zo bij als op de foto hieronder.
 
Abri de Kronprinz

Kroonprins Wilhelm van Pruisen was een tragische figuur. Volgens Wikipedia had hij met zijn vader, de Duitse keizer Wilhelm II, een problematische relatie. Tijdens zijn verblijf in de Argonne liet hij de krijgsverrichtingen over aan zijn chefstaf en verschalkte ondertussen de ene Française na de andere.
Na de wapenstilstand vluchtte hij net als zijn vader, en tot diens ergernis, naar Nederland. Daar werd hij verbannen naar het eiland Wieringen (zie hier). Uit verveling ging hij in de leer bij een hoefsmid in Hippolytushoef. Hij woonde in de voormalige pastorie van Oosterland (lees hier zijn beschrijving van de boottocht naar en aankomst op Wieringen). Dat is 300 m van de plek waar mijn opa, een Wieringse visser, later een huis liet bouwen om dichtbij de nieuwe vissershaven van Den Oever te kunnen wonen, die gelijk met de Afsluitdijk werd aangelegd. Toen was prins Wilhelm allang vertrokken, maar mijn opa kende wel alle verhalen die over deze bijzondere asielzoeker op Wieringen verteld werden.
In 1923 mocht de kroonprins terugkeren naar Duitsland, dat wel een republiek bleef. Hij was opportunistisch genoeg om zich achter de nazi's te scharen toen Hitler hem beloofde dat hij de monarchie zou herstellen zodra hij aan de macht zou komen. Pas toen de kroonprins besefte dat die belofte een wassen neus was, keerde hij zich teleurgesteld van de nazi's af. In 1945 was hij een van de vele bewoners van Berlijn die moesten vluchten voor het Rode Leger.

 
Dag 25, 16 september 2017. Van Varennes-en-Argonne naar Verdun, 59 km
 
 

Vanuit Varennes-en-Argonne maak ik het rondje door de Argonne af. Eerst fiets ik langs de klokkentoren, waar vroeger de slotkerk stond. Hier werd op 21 juni 1791 koning Lodewijk XVI door de plaatselijke republikeinse garde tegengehouden, terwijl hij met zijn familie naar de Oostenrijkse Nederlanden probeerde te vluchten. Zoals ik op dag 11 al schreef, liep het hierdoor met deze Franse koning en zijn vrouw, Marie-Antoinette, veel slechter af dan met de latere Duitse keizer Wilhelm II en zijn zoon.

Een paar honderd meter verder staat het groots opgezette Pensylvania State Memorial, dat bovenop Duitse bunkers gebouwd is. Dit monument herinnert aan het Maas-Argonne offensief dat de Amerikanen in september 1918 lanceerden. De Amerikanen kwamen nog net op tijd om alle fouten van hun Franse en Britse collega’s te herhalen, terwijl de Duitsers nog terugsloegen. Overmoed, onwetendheid en eigenwijsheid zorgden voor grote verliezen onder de doughboys, tot de uitgeputte Duitsers het geloof in hùn onoverwinnelijkheid inruilden voor het inzicht dat gebrek aan voedsel, grondstoffen en vers kanonnenvlees deze oorlog uitzichtloos maakte. Zoekend naar een exitstrategie gingen zij zich terugtrekken achter de Maas. De Amerikanen wisten echter van geen ophouden: ze bleven schieten en sneuvelen tot op de dag van de wapenstilstand.

 
Pensylvania State Memorial in Varennes-en-Argonne
Een mooie geleidelijke klim voert naar Vauquois. Hiervandaan gaat een voetpad naar de top van de heuvel, waar vroeger het dorp lag, dat in 1914 werd ingenomen door de Duitsers. De Fransen ondernamen vele pogingen om de heuvel terug te winnen, maar wisten in 1915 alleen de zuidkant in te nemen, terwijl de noordzijde in Duitse handen bleef. De frontlinie liep nu dwars over deze Butte de Vauquois en de oorlog ging ondergronds verder.
Van het dorp bleef niets over en de heuveltop veranderde in een pokdalig kraterlandschap met brokken steen, hopen schroot en Spaanse ruiters (gekruiste palen met prikkeldraad erover). In de laatste oorlogsjaren werd het hier wat rustiger. Het verhaal gaat dat soldaten elkaar dan waarschuwden als er weer een stuk heuvel opgeblazen zou worden: ‘Pssst, heute Abend … Bumm!
 
Spaanse ruiters op de Butte de Vauquois
Tussen Vauquois en Avocourt bereik ik de plek waar ik gisteren aan het rondje door de Argonne begon. Aan de route van dit alternatieve traject hoef ik niets te veranderen. Wel ziet deze pagina uit de gids nu weer blauw van de aantekeningen. De navigatietekst stamt nog uit 2010. Zeven jaar later en een paar fietsgidsen verder noteer ik sommige dingen nu net even anders. Ook heb ik nu een betere gps met barometrische hoogtemeting en een fietscomputer die tijdens het fietsen veel nauwkeuriger dan destijds de hellingpercentages weergeeft. Zodra de fietscomputer een steilte van 5% aangeeft, ook al is het maar kort, zet ik een hellingpijltje op de kaart. Een enkele keer doe ik dat ook als de 5% net niet bereikt wordt, maar een klim wel behoorlijk lang duurt. Tussen de oren van de fietser is zo'n klim zwaarder dan de steilte doet vermoeden en dan ziet die fietser dat gevoel graag bevestigd door een klimtekentje op de kaart.
 
 
Via een iets andere route dan gisteren fiets ik terug naar Verdun. Onderweg kom ik door dorpen die in 1918 volledig waren verwoest en daarna werden herbouwd. Met stevige huizen, die nu nog overeind staan, maar vaak niet meer worden bewoond. Zoals in Avocourt, waar de luiken van de boulangerie niet meer open gaan. Het verval van het Franse platteland lijkt niet te stuiten, maar gaat wel een stuk geruislozer dan het verval van de banlieues, de buitenwijken die in de jaren 60 en 70 rond de Franse steden werden gebouwd. Vlak voor de Franse presidentsverkiezingen in 2017 stond in de Volkskrant een reportage over 'Verval in het diepe Frankrijk'. Hoezo diep? Zelfs op de fiets is dit niet ver weg.
 
De boulangerie in Avocourt gaat niet meer open
Bij Regnéville steek ik de Maas weer over.
 
Maas bij Regnéville
Bij Samogneux begint de nieuwe véloroute naar Verdun, al heb je voor het grind dat er nu ligt, nog wel een mountainbike of fatbike nodig...
 
Eerst een laag grind...
...maar een stukje verder staat een wals geparkeerd op de eerste asfaltlaag. Hier langs de Maas heeft het 'diepe Frankrijk' de fietser ontdekt.
 
...en dan volgt asfalt
Tussen Champneuville en Vacherauville is al goed te fietsen. De oude route via de grindweg over de heuvel bij Champneuville bood wel een mooi uitzicht, maar elders op de route blijven genoeg klimmetjes over. Voortaan laat ik de Frontlijnroute 19 km meeliften met dit nieuwe stukje Maasroute.
 
Op naar Vacherauville...
In Verdun is het fietspad al bijna klaar.
 
...en Verdun

Op de camping van Verdun ontmoet ik twee jonge vakantiefietsers uit München, die een week geleden uit Parijs zijn vertrokken. De eerste dagen hebben ze onafgebroken in de stromende regen gefietst, maar nu beginnen ze er weer zin in te krijgen. Ik kan aanschuiven bij de maaltijd die ze aan het maken zijn in pannen die groot genoeg zijn om voldoende pasta voor vier à vijf uitgehongerde fietsers te bereiden.
Ze vragen of ik weet hoe ze morgen het beste naar Metz kunnen fietsen.
'Gewoon de witte weggetjes op de Michelinkaart kiezen. En waar die ontbreken, neem je een gele weg. Vermijd in ieder geval de rode wegen', adviseer ik.
'Is er dan geen fietsroute van Verdun naar Metz?' vraagt een van hen verbaasd.
'Nee', zeg ik. 'Er komen hier steeds meer fietsroutes, maar Frankrijk loopt nog wel 30 jaar achter op Duitsland'.

 
Dag 26, 17 september 2017. Van Verdun naar Nonsard-Lamarche, 69 km
 
 

Dankzij het nieuwe fietspad langs het Canal de l'Est en de Maas fiets je nu zonder problemen Verdun binnen. Wil je in het Maasdal blijven, dan kun je dat pad blijven volgen tot je de stad weer uit bent. De Frontlijnroute moet hier echter oostwaarts de heuvels in, langs de forten die daar liggen. Tot nu toe liep deze route in Verdun eerst een kilometer over het jaagpad langs de Maas, wat nu het nieuwe fietspad is, maar dan in de tegenovergestelde richting. Vervolgens een kilometer door een buitenwijk en dan nog een paar kilometer over een stil maar niet erg mooi grindpad. Destijds vond ik dat een goede manier om autoluw Verdun uit te komen, maar nu vind ik dit een houtje-touwtje-oplossing en een afknapper na het mooie fietspad.
Ik ga op zoek naar een betere optie en vind uiteindelijk een niet te ingewikkelde en niet te drukke manier om Verdun uit te fietsen.
De stadsplattegrond van Verdun, die uit twee delen bestond, moet helemaal omgegooid worden voor de nieuwe situatie. Dat is veel werk, maar het resultaat is een duidelijke kaart die niet meer in tweeën gesplitst is, waar zelfs de stadscamping nog net in past.

Hieronder is eerst de oude pagina met stadsplattegrond van Verdun plus navigatietekst te zien en daarna de nieuwe versie.

 
 
 
Direct buiten de stad begint een 4 km lange klim naar de kam van de Côtes de Meuse. Helemaal boven kun je linksaf naar de grote begraafplaats en het ossuarium van Douaumont, waar ik op dag 21 al over geschreven heb.
Halverwege de klim zie ik een grindpad van de grote weg aftakken. Volgens de OpenFietsMap komt dat pad na 2 km uit op een asfaltweg. Daar kun je linksaf naar Douaumont en naar het vervolg van de route; of rechtsaf naar Moulainville, waar je uiteindelijk ook weer op de Frontlijnroute uitkomt. Omdat ik hier in mei de route al gefietst heb zoals die in de gids staat, heb ik nu wel zin om wat nieuws te onderzoeken.
Ik volg het grindpad door het bos. Al gauw zie ik tussen de bomen een ingang van het Fort de Souville opdoemen.
 
Achterdeur van Fort de Souville
Dit goed berijdbare bospad vind ik leuker dan de officiële route van Verdun naar Douaumont, waar ook de touringcars met toeristen langskomen. Wel blijf ik die touringcarroute in de gids vermelden als asfaltalternatief. Het verschil tussen de oude en de nieuwe Frontlijnroute rond Verdun is hieronder te zien.
 
 
 

Enkele kilometers voor Moulainville krijg ik een lekke achterband. Dat is al de tweede keer dit jaar. In mei werd een Big Apple door een scherp steentje lekgeprikt; nu zit er een gat in het loopvlak van de Marathon XR, waarmee ik de afgelopen zomer nog in IJsland heb gefietst. Die had ik pas in de winter willen vervangen, tegelijk met de ketting en de olie in de Rohloffnaaf. Deze vouwband is al 9 jaar oud, maar heeft vaker in een donkere en droge schuur gelegen dan dat ermee gefietst is. Afhankelijk van de fietsen waar deze band voor gebruikt is, kan er tussen de 4800 en 8300 km mee zijn afgelegd. Ik had altijd gedacht dat deze band het wel 10.000 km uit zou houden, omdat ik veel meer kilometers op asfalt dan onverhard afleg.
Door het gat in het loopvlak moet de binnenband lek zijn geraakt. De rest van het loopvlak ziet er nog goed uit. Helaas heb ik nu geen reserve buitenband meegenomen, omdat ik nog nooit een kapotte Marathon XR had gehad. Ik vertrouwde op deze band zoals het Franse leger op zijn forten vertrouwde.
Er zit niets anders op dan de band nu provisorisch te repareren en in Nancy een nieuwe te kopen. Eerder ga ik hier geen fietsenzaak vinden. Teruggaan naar Verdun heeft geen zin, want het is zondag. Veel fietsenmakers zijn ook op maandag dicht. Ik plak een stuk zelfklevend velglint tegen de binnenzijde van het gat. Daar plak ik nog een laag ducttape overheen. Dat blijft wel enkele dagen zitten.

Na Moulainville volg ik bijna 20 km lang de weg langs de voet van de Côtes de Meuse, waar ik in mei - op dag 21 - ook heb gefietst. Hier zijn veel boomgaarden. In mei was ik te laat voor de fruitbloesems, maar nu zie ik wel dat de bomen volzitten met appels en kleine gele mirabellen. In Châtillon-sous-les-Côtes heb ik wel eens in een boomgaard gekampeerd waar ik appels met een doffe dreun naast mijn tent hoorde vallen.

 
Boomgaard bij Ronvaux
Ook rij ik weer eens langs Café des Voyageurs in Les Éparges. In 2010 was het niet open. In mei 2017 was het nog altijd gesloten en nu ook weer. Toch is er iets bijzonders gebeurd: het huis ernaast is verkocht! En die gele brievenbus, zou die nog wel eens geleegd worden?
 
Café des Voyageurs is al jaren dicht

Op dag 21 ben ik de hoofdroute blijven volgen, die over de Côtes de Meuse klimt en met de frontlijn meebuigt naar Saint-Mihiel in het dal van de Maas, om daarna opnieuw, maar wel geleidelijk, over de Côtes de Meuse te klimmen. Ditmaal volg ik een alternatieve route via Hattonchâtel, die 23 km korter is en 200 m klimmen bespaart.
Hattonchâtel is een pittoresk dorp met een middeleeuws kasteel, gebouwd op een steile uitstulping van de Côtes de Meuse. In 1918 was er weinig meer van over, maar met de hulp van een rijke Amerikaanse zakenvrouw kon het stadje met het kasteel in de jaren twintig herbouwd worden. Herman Coster noemde het al in zijn gids 'Fietsen van Maastricht naar de Méditerranée', al volgde zijn route de toen nog heerlijk rustige doorgaande weg onder het stadje langs. Hij schreef: 'Terwille van de afwisseling bevelen we echter sterk aan de 107 m hoge klim naar Hattonchâtel te maken. Onze vorige vergelijkbare klim naar de citadel van Montmédy is alweer zo lang geleden, na 77 km vlakte zijn we wel weer aan zoiets toe'.

 
Kasteel bij Hattonchâtel
Op de camping van Heudicourt-sous-les-Côtes aan het Lac de Madine is geen levende ziel te vinden. Ik loop naar het washok om te kijken of je hier zonder muntjes warm kunt douchen. Ik schat dat het sanitair net zo oud is als het nabijgelegen Lac de Madine, dat rond 1970 is aangelegd. Door aan een metalen ketting te trekken, komt er na een tijdje lauw water uit de douchekop. Het roept bij mij herinneringen op aan een paasvakantie rond 1970, toen ik met mijn ouders, broer en zussen in een eenvoudig vakantiehuisje bivakkeerde. Daar maakten we gebruik van een campingdouche, waar je voor een kwartje enkele minuten warm water kon krijgen. Volgens mijn moeder was dat lang genoeg om vier kinderen snel achter elkaar te laten douchen, want 'het geld groeide niet op haar rug'.
Ik fiets nog een stukje verder naar de jachthaven. Daar tref ik een moderne douche aan met lekker heet water. Verderop staan wat campers, maar ik zie verder niemand die mij zou kunnen belemmeren om hier te overnachten. In de schemering zet ik mjn tent op een mooi grasveld achter het douchehok, uit het zicht van de weg langs de jachthaven. Dan neem ik een douche en eet nog een half stokbrood. Wildkamperen is soms luxer dan aanmodderen op een camping.
 
Dag 27, 18 september 2017. Van Nonsard-Lamarche naar Liverdun, 71 km (en per trein naar Nancy)
 
 

In mei (op dag 22) was ik al eens van het Lac de Madine richting Nancy gefietst en tot de conclusie gekomen dat die route voor verbetering vatbaar was.
Thuis heb ik enkele alternatieve routes bedacht, die op het kaartje hieronder zijn te zien. Na Liverdun waren er geen problemen, zodat ik me heb beperkt tot routes tussen het Lac de Madine en Liverdun. Dit traject moet sowieso via Liverdun blijven gaan, omdat daar een goede camping is, die een prima alternatief is voor de moeilijk bereikbare camping van Nancy (daar moet je over drukke wegen de stad uit en ook nog eens 130 m klimmen).

grijs = het bestaande alternatief dat ik in mei heb gefietst
roze = een lang alternatief via Toul en het Moezeldal
groen = een korter en autoluw alternatief door het Forêt de la Reine en een klein stukje Moezeldal
rood = een asfaltalternatief dat het Forêt de la Reine omzeilt

 
 

De roze route is afwisselend, met de vestingstad Toul als culturele krent in de pap, maar is wel een grote omweg om in Nancy te komen. De groene route is erg rustig, maar gaat over boswegen waarvan de kwaliteit ongewis is. De rode asfaltvariant ziet er in de streetview van Google Earth prima uit.
In de zomer hoor ik dat Kitty en Bas, twee vakantiefietsers die ik al jaren ken, de Frontlijnroute willen gaan fietsen tot Nancy (en daarvandaan via een andere fietsroute weer terug naar huis). Ze zijn ook bereid om als proeffietsers het groene alternatief door het Forêt de la Reine te rijden.

Begin augustus ontvang ik een mailtje met hun bevindingen: 'Vandaag vanuit St. Mihiel de tocht naar Nancy gemaakt. Het was om 00:30 uur gaan onweren en rond 4:30uur opnieuw en sinds middernacht had het onafgebroken geregend. Toen het even droog was hebben we de tassen en de tent gepakt en zijn we op pad gegaan. Al snel fietsten we toch met pet op en pak aan omdat we anders van de nattigheid zouden verkleumen. Vanaf Montsec de route naar Liverdun genomen. Na een hele tijd geconcentreerd op het drassige, gladde, pokdalige bospad en enkele slagbomen te hebben omzeild, reden we op een gesloten hek waar we niet omheen konden. In een reflex hebben we je voornaam enkele keren als krachtterm gebruikt, waarna we monter als altijd de tocht in omgekeerde richting hebben vervolgd om na ettelijke kilometers de D904 te bereiken die we bij Royameix weer hebben verlaten voor jouw route.
Ik zou deze route die zo diep door het bos voert zeker voor de mensen zonder GPS niet opnemen. Too risky. Sowieso vergt ie nogal wat stuurmanskunst en ervaring.
Overigens lof over de route. Haast autoloos en daardoor ontspannen te rijden, hoewel we slecht kunnen inschatten of/hoe deze zonder GPS-tracks te fietsen is en of ie dan even ontspannend is.
'

Hulde aan Kitty en Bas! Ze hebben goed werk verricht waar de auto's van Google nooit komen. Het Forêt de la Reine is nu in ieder geval geen optie meer. Ik ga zelf kijken of het asfaltalternatief dat wel kan zijn.
Zeven weken later fiets ik Montsec binnen, waar het nieuwe alternatief af moet haken van de hoofdroute. Van de Butte de Montsec met het Amerikaanse capitool heb ik op dag 22 al een foto laten zien. Vandaag een impressie van het gerenoveerde washuis in Montsec.

 
Oude wasplaats in Montsec
Stille asfaltwegen, kale velden en een enkel wegkruis vormen het decor in dit verlaten deel van de Woëvre.
 
Wegkruis bij Seicheprey
Ook fiets ik af en toe langs eindeloze rijen uitgebloeide zonnebloemen. Dat is weer eens wat anders dan de suikerbieten die ik een jaar terug overal zag liggen toen ik op weg was naar de Argonne.
 
Uitgebloeide zonnebloemen bij Royaumeix
De dorpen ogen ook hier verlaten en vervallen, maar in Royaumeix steelt een bushokje de show.
 
Bushokje in Royaumeix
Bij Francheville is van een volledig dichtgegroeide spoorweg een mooie voie verte gemaakt.
 
Voie verte bij Francheville

Bij Villey-Saint-Etienne bereik ik de Moezel. Hier is de eerste bakker op dit traject. Ook zijn er eet- en drinkgelegenheden. Helaas is het nu maandag en is alles gesloten. Gelukkig heb ik nog een oud stuk pain de seigle, een soort roggenbrood, dat met een geurig trappistenkaasje nog prima smaakt.

Er volgt een korte steile afdaling naar het Moezeldal, waar ik de fietsroute 'Les Boucles de Moselle' naar Liverdun kan volgen. Ik concludeer dat de route die ik vandaag heb gereden, een stuk vlotter is te fietsen dan de route die ik in mei, op dag 22, heb gevolgd. Het scheelt maar liefst 300 m klimmen. Bovendien is de nieuwe route iets korter en is er 12 km na Montsec een camping die wel eens leuker zou kunnen zijn dan die aan het Lac de Madine.

Het stuk tussen Liverdun en Nancy heb ik in mei al gefietst. Dat sla ik nu over door in Liverdun de trein te nemen, die mij binnen een kwartier naar Nancy brengt, waar ik gelijk op zoek ga naar een fietsenzaak. Die vind ik op weg naar de stadscamping, die helaas 130 m hoger ligt. Had ik geen nieuwe band nodig gehad, dan was ik naar de camping van Liverdun gegaan, die in het Moezeldal ligt.
In het schemerdonker zet ik mijn tent op. Daarna tracteer ik mijzelf op een pizza in de snackbar van de camping. De meeste tafels worden er bezet door Nederlandse stellen, die wat glazig voor zich uit staren en niet de indruk maken dat ze elkaar nog veel te vertellen hebben. Allemaal zestigplussers met een camper, die vast al vele avonden in dit soort eetgelegenheden hebben doorgebracht. Voor de sfeer hoef je hier niet te komen en de pizza is geen haute cuisine, maar het is wel een aangenaam warme en comfortabele plek om mijn aantekeningen nog even door te nemen.

 
Dag 28, 19 september 2017. Van Nancy naar Lunéville, 83 km
 
 
Ik verlaat de camping, suis de heuvel af en koop een buitenband bij de fietsenzaak die ik gisteren na sluitingstijd gespot had. Een Big Apple of Marathon Almotion hebben ze niet, wel een wat smallere (47 mm) Energizer Plus. Dat is geen vouwband, dus wikkel ik hem zolang maar om mijn tentzak. De oude opgelapte band houdt het nog wel een of twee dagen uit; nu wil ik fietsen!
Ik verlaat de binnenstad van Nancy via een jaagpad dat als een fietssnelweg de stad uitloopt. Vanaf Art-sur-Meurthe slingert de route over het golvende plateau van de Grand Couronné.
 
D91 bij Lenoncourt
Een stevige bries in de rug, dreigende buienluchten en felle opklaringen zorgen voor prima fiets- en fotoweer.
 
Tussen Serres en Valhey
Na een mooie afdaling komt het Marne-Rijnkanaal in zicht. Destijds liep daar een onverhard jaagpad langs, zodat ik de route hier langs de niet zo drukke D2 liet gaan. Nu is dat jaagpad geasfalteerd en kan ik de D2 inruilen voor acht vlakke en autovrije kilometers langs een mooi kanaal.
 
Marne-Rijnkanaal
Bij Mouacourt eindigt het alternatief via Nancy en begint traject 9 van de hoofdroute. Dat ga ik overmorgen fietsen, want eerst moet ik traject 8 nog doen. Daarvoor wil ik met de trein een stuk terug, via Nancy naar Pont-à-Mousson, waar traject 8 de Moezel kruist. Om morgen vroeg in de trein te kunnen stappen, fiets ik nu zuidwaarts naar Lunéville, waar ik vanaf de camping in 5 minuten naar het station kan fietsen.
Onderweg vergaap ik me aan dramatische avondluchten....
 
Avondlucht in de Grand Couronne
...en een gave brievenbusfiets.
 
Brievenbusfiets in Sionviller
Dag 29, 20 september 2017. Van Pont-à-Mousson naar Vic-sur-Seille, 73 km (en eerst per trein van Lunéville naar Pont-à-Mousson)
 
 
Al vroeg boemel ik van Lunéville naar Pont-à-Mousson, waar de Moezel ligt te dampen in de ochtendzon.
 
Moezel bij Pont-à-Mousson

Ik denk dat het weer tijd wordt voor een kaartje, om te laten zien waarom ik nu met de trein een stuk de verkeerde kant op gegaan ben. De afgelopen dagen heb de volgende etappes gefietst:
- dag 24: van Verdun westwaarts naar traject 14 (het 'Rondje Argonne')
- dag 25: van traject 14 oostwaarts naar traject 7 bij Verdun
- dag 26: van Verdun via een inkorting van traject 7 (staat niet op het kaartje) naar het begin van traject 8
- dag 27: het eerste deel van traject 15 (het alternatief via Nancy)
- dag 28: het tweede deel van traject 15 en vervolgens naar Lunéville (staat niet op het kaartje)
- dag 29: eerst per trein naar Pont-à-Mousson, waar traject 8 de Moezel kruist

(Ik zie nu dat Michaël de route niet heel nauwkeurig ten opzichte van de Maas en de Moezel heeft getekend. In de gids valt dat amper op, omdat dit kaartje een sterk vergroot detail is van een overzichtskaartje van de complete Frontlijnroute. In de gids is dit fragment slechts 3 cm breed.)

Traject 8 begint bij het Lac de Madine, waar ik in mei al een stuk van heb gefietst. Daarna gaat dit traject 15 km over stille asfaltwegen, waar hoogstwaarschijnlijk niets is veranderd. Wat ik wel wil controleren, is een jaagpad tussen Vandières en Pont-à-Mousson, dat destijds onverhard was.

 
 
Dat jaagpad begint nu als een fonkelnieuw asfaltpad.
 
Jaagpad bij Vandières

Verderop houdt het asfalt op. De oude route bleef aan dezelfde kant van het kanaal het onverharde jaagpad volgen. Vanochtend had ik echter op weg naar Vandières al ontdekt dat aan de andere kant van het kanaal nu een nieuw asfaltpad naar Pont-à-Mousson loopt. Tussen het eerste en het laatste fietspad ligt nog een brede grindweg, die gebruikt wordt door vrachtwagens met grind van een nabijgelegen ontgronding langs de Moezel. Ik vermoed dat men daar nog even wacht met asfalteren tot de concessie voor het ontgronden verlopen is. Ik laat de route nu over de nieuwe fietspaden lopen en hoop dat die 1.6 km grindweg met af en toe een vrachtwagen ook nog eens verbeterd wordt.
Deze paden zijn onderdeel van de Véloroute Charles le Téméraire.

Op de oostoever ligt het oudste deel van de stad met de kathedraalachtige Eglise St-Martin. Na een heftige klim volgt een prachtig uitzicht vanaf de Butte de Mousson.

 
Uitzicht vanaf Butte de Mousson
Enkele kilometers noordelijker liggen de resten van loopgraven bij het Signal de Xon, waar het front de Moezel kruiste en verder naar het oosten liep.
 
Resten van loopgraven bij Signal de Xon

Bij slecht zicht of gebrek aan klimlust biedt de vlakkere, maar ook drukkere route via Atton een goed alternatief. Je komt dan ook langs een jachthaven en camperplek met douches, die van 8 tot 20 uur open zijn. Het grasveld achter de camperplaatsen zou een prima tentenveld kunnen zijn, maar helaas is het hier uitdrukkelijk verboden om te kamperen. In het verleden schijnen er problemen te zijn geweest met groepen (motor?)fietsers die hier kwamen kamperen, maar ik vermoed ook een gebrek aan interesse voor fietstoerisme bij de lokale autoriteiten. Dat is jammer, want nu is er tussen Heudicourt aan het Lac de Madine en Vic-sur-Seille, een afstand van bijna 90 km, geen camping langs dit traject. Deze jachthaven annex camperplek ligt er mooi tussenin: 35 km van de ene en 55 km van de andere camping. Bovendien zijn hier winkels. Het feit dat de douches na 20 uur gesloten zijn, doet vermoeden dat hier later op de avond geen beheerder is. Dus kan ik me goed voorstellen dat iemand hier een douche neemt, dan wat gaat eten in het restaurant ernaast en wat later in de schemering, buiten het zicht van de boten en de campers, discreet een tentje opzet.

De D120 tussen Pont-à-Mousson en Atton is een drukke weg met een fietsstrook. Na een kilometer wordt dit een autosnelweg en moeten fietsers deze weg oversteken om de oude weg door het dorp te volgen. Ik heb wel eens geprobeerd om die nare oversteek te vermijden, maar kwam toen terecht op een modderpad tussen de autowrakken van een woonwagenkamp. Dus bleef de D120 de minst slechte optie voor fietsers die de de Butte de Mousson willen omzeilen. In Atton zelf en daarna was de D120 niet druk meer. Dat is nu anders. Ook na het eind van de fietsstrook blijft de D120 erg druk, wat onacceptabel is voor een fietsroute.

 
Drukke D120 bij Atton
Ik rij terug en vind een alternatieve route langs de noordrand van Atton. Het is een kruip-door-sluip-door-oplossing met een halve kilometer grindpad, maar wel autovrij. Hierna volgen mooie stille binnenwegen.
 
Grindpad in Atton
In de vorige gidsen ging de hoofdroute via de vlakkere optie en was de steile Butte de Mousson een alternatief. Dat draai ik nu om. De weg via de Butte de Mousson is mooier en stiller; bovendien biedt deze de mogelijkheid om nog een ommetje naar het Signal de Xon te maken.
 
 
Het is al 2 uur en heb deze dag nog maar 23 km afgelegd wanneer ik Atton uitfiets. Hierna tref ik geen verrassingen meer aan. Het is nog 50 km naar de camping in Vic-sur-Seille, waar ik 's avonds tegen 8 uur arriveer. Voor een doorsnee vakantiefietser is dat redelijk sloom, maar wanneer ik veldwerk verricht, stop ik ook regelmatig op trajecten waar ik niets bijzonders hoef uit te zoeken, om een aantekening, een waypoint of een foto te maken. Op dit traject registreer ik bijvoorbeeld veel korte klimmetjes die nog net een hellingpercentage van 5% halen. Ook heb ik 's middags wel een uur nodig om te lunchen en tegelijkertijd de tent, die ik meestal kletsnat heb ingepakt, te laten drogen. Daar zijn picknickbanken en speeltuintjes prima plekken voor: de tent droogt snel wanneer deze ergens overheen kan hangen, zoals een tafel, schommel of klimrek.
 
Tent drogen in Rouves

Van Aulnois-sur-Seille tot en met Vic-sur-Seille loopt de route door het deel van Lotharingen dat vanaf 1871 deel uitmaakte van het Duitse Keizerrijk. De taalgrens lag hier zo’n 20 km naar het noordoosten, waardoor een Franstalige grensstreek binnen Duitsland was ontstaan. In augustus 1914 trokken Franse troepen hier de grens over, met de bedoeling heel Lotharingen en de Elzas op de Duitsers te heroveren. Dit plan faalde. Een Duits leger dreef de Fransen terug en wilde gelijk doorstomen naar Nancy, maar werd tot staan gebracht op de heuvelrug tussen Pont-à-Mousson en Lunéville.

Tussen Pettoncourt en Chambrey kom ik weer langs de plek waar ik tien jaar geleden de coverfoto van de frontlijngids gemaakt heb, 2 jaar voordat ik op het idee kwam om die gids te maken. Toen reed ik een stuk van de Groene Weg naar de Middellandse Zee, die de Frontlijnroute hier kruist.
Dit is misschien wel de meest 'gejatte' foto van mijn website. In 2010 kwam ik er al bij toeval achter dat deze klaproos bij een kroeg in Ieper als terrasversiering werd gebruikt. Er waren ook nog een paar vliegtuigen in geplakt (zie hier). Die kroegbaas uit Ieper is zeker niet de enige stiekeme gebruiker van mijn foto. Ook iemand die zich 'politicoloog-auteur-opiniemaker-performer-journalist' noemt, heeft mijn klaproos zonder mijn toestemming op zijn/haar (vroeger heette ze Monique, tegenwoordig Mounir) website gezet (zie hier). Overigens staat er op verschillende plekken van zijn/haar site een ©-symbool, dus van auteursrecht heeft deze persoon wel degelijk benul.
Michael Wannet maakte me destijds attent op deze webpagina. Een collegafotograaf raadde me aan om een jurist in te schakelen, maar dat is er tot nu toe niet van gekomen. Deze mensen boffen dat ik van dat soort dingen geen energie krijg en dat ik mijn tijd liever vul met fietsen, schrijven en fotograferen. Ik ben allang blij dat ik niet in een Ieperse kroeg hoef te werken, niet als aspirant BN'er om aandacht hoef te leuren bij Jeroen Pauw en niet hoef te creperen op een slagveld. Ook voel ik allang niet meer de behoefte om te voldoen aan het commerciële ideaalbeeld van de fotoacademie.

 
Klaproos in graanveld

Na zo’n 40 km fietsen langs golvend graan zijn de wijnhellingen vlak voor Vic-sur-Seille een welkome afwisseling. Ook het stadje zelf is een aangename verrassing na alle ingedutte en ontvolkte dorpjes in dit deel van Lotharingen.

Op de camping van Vic-sur-Seille is de receptie gesloten. Wel zie in een man in een soort jagersjack lopen. Dat zou weleens de campingbeheerder kunnen zijn. Ik loop naar hem toe.
'Vous êtes le gardien?', vraag ik.
'Non, je viens de Hollande', antwoordt de man.
'Laten we dan maar Nederlands praten.'
Later op de avond spreek ik de man weer terwijl ik mijn tent aan het opzetten ben. Op een aangrenzend veldje bivakkeert hij met zijn vrouw in een gehuurde camper. Hij biedt me een tuinstoel en een biertje aan. Daarna nog een kop koffie om op te warmen: we doen namelijk wel of het zomer is, maar volgens mijn fietscomputer is het nog maar 6 graden.
'Heb je de hele dag gefietst? Sportief hoor.'
'Dat valt wel mee. Het was weinig meer dan 70 km.'
'Dat is heel veel! Ik heb wel eens 30 km op een dag gefietst en dat vond ik al erg ver.'

Ik vertel maar niet dat ik 30 jaar terug af en toe meer dan 180 km op een dag fietste.
'Thuis in Rotterdam neem ik meestal de scooter', vervolgt hij.
'Zo'n electrische?', vraag ik naïef maar hoopvol.
' Nee, gewoon een Vespa.
Mede dankzij Willem Holleeder zijn die stinkscooters razend populair. Dat denk ik, maar zeg ik natuurlijk niet. Ik laat de man rustig doorpraten.
'Nu heb ik een week vrijgenomen. De telefoon heb ik doorverbonden naar mijn waarnemer, anders heb ik ook hier geen moment rust.'
'Wat doet u voor werk?'
'Ik ben aannemer. Dat betekent de hele dag telefoneren en dingen regelen. Af en toe moet ik een weekje onderduiken, anders hou ik het niet vol.'

Ik heb met hem te doen. Een telefoon is een concentratiekiller en dwingt je tot reageren zonder dat je goed na kunt denken. Het ergst zijn verbaal sterke bellers, telefonische verkopers, enqueteurs en kakelende moeders. Een telefoon heeft ook geen spambox. Zelf liet ik al jaren terug de telefoon steeds vaker gaan zonder op te nemen. Inmiddels ben ik een telefonische kluizenaar geworden; de komst van e-mail was een bevrijding.

 
Dag 30, 21 september 2017. Van Vic-sur-Seille naar Blâmont, 60 km
 
 
's Ochtends is het koud en mistig, dus ga ik nog even Vic-sur-Seille in voor een opwarmontbijt met koffie en verse croissants. Het stadje is een aangename verrassing tussen alle ingedutte en ontvolkte dorpjes in dit deel van Lotharingen. Eeuwenoude huizen en een gerestaureerde kasteelpoort bepalen het stadsbeeld. Op het gemeentehuis naast de Eglise des Carmes herinnert een flets opschrift ‘Stadthaus’ aan de Duitse periode.
 

Muur van voormalig 'stadthaus' in Vic-sur-Seille

Poort in Vic-sur-Seille
Oud huis in Vic-sur-Seille
Na een geleidelijke klim en een mooie afdaling bereik ik het Marne-Rijnkanaal, waar ik eergisteren al ontdekte dat het jaagpad nu een mooi fietspad geworden is. De ochtendmist heeft plaatsgemaakt voor een strakblauwe lucht. Een grasveld met een bankje bij een dorpskerk is vandaag de plek waar ik ga lunchen en de tent laat drogen. Ook wordt het tijd om de nieuwe buitenband die ik al een paar dagen meezeul, te monteren, want de opgelapte scheur in de oude band begint nu een bobbel te worden.
Ik haal de oude band van de velg en verwijder de ducttape en het stukje velglint van de beschadigde plek.
 
Binnenkant van opgelapte buitenband
De band is een oude Marathon XR vouwband. Het gat lijkt precies op de plek van de vouw te zijn ontstaan.
 
Scheur in buitenband
Ik steek een pen door het gat, zodat ik goed kan zien op welke plek het loopvlak beschadigd is.
 
Pen door gat in buitenband
Van deze band neem ik afscheid bij de plaatselijke afvalbak.
 
Band in afvalbak

De nieuwe band is van een type dat ik nog niet ken: Schwalbe Energizer Plus. De fietsenmaker in Nancy had maar een beperkte keus. Deze is een fractie smaller dan de oude Marathon XR (47 mm i.p.v. 50 mm). Op Franse asfaltwegen moet dat geen probleem zijn.
In het vervolg laat ik me niets meer aanpraten door grammenjagers en neem ik weer een reservebuitenband mee! In 2005 (Lofoten), 2013 (Zuid-Engeland) en 2015 (Noord-Frankrijk en in Schotland nog een keer met de fiets van Corrie) heb ik ook onderweg buitenbanden moeten vervangen; soms had zo'n band er nog maar 3000 km opzitten (zie ook dit draadje). Op de Lofoten kwam ik er achter dat er een slecht velglint op mijn fiets zat (hier een stukje scrollen). Sindsdien heb ik altijd een rol zelfklevend dik Velox velglint in de juiste maat bij me, dat nu ook van pas kwam bij het oplappen van de oude buitenband. Dit lint is als een 'vierkante' trapas: het gaat tienduizenden kilometers mee, maar is helaas steeds lastiger te krijgen.

Nog enkele uren fiets ik verder langs huizen, bomen en beesten. Opeens zie ik op een steenworp afstand een groot hert voor me staan. Ik pak mijn camera, maar tegen de tijd dat ik een foto kan maken, heeft het hert het al op een lopen gezet. Wat ik wel kan laten zien, is een kudde overstekende koeien. Die schrikken tenminste niet van een fotograferende fietser.

 
Overstekende koeien bij Reillon
Dag 31, 22 september 2017. Van Blâmont naar Gemaingoutte, 67 km
 
 

Bij Montreux, 4 km voor Badonviller, verraden oude bunkers de plek waar deze fietsroute de Duitse linies verlaat en ‘overloopt’ naar de Franse zijde. Badonviller het zwaar te verduren: het werd driemaal ingenomen en geplunderd door Beierse troepen en behoort tot het selecte gezelschap van plaatsen die vanuit een zeppelin gebombardeerd zijn. Uiteindelijk kwam de frontlijn iets ten noorden van het stadje te liggen.
Hier wil ik koffie drinken. Het café waar ik dat in 2010 nog kon doen, is inmiddels ter ziele. Gelukkig is er nog een oud hotel waar ik op een stoeltje in de zon koffie kan drinken. Zou er in Badonviller over tien jaar nog koffie zijn te krijgen?
Na Badonviller gaat de hoofdroute over de eerste Vogezencol, de 484 m hoge Vierge Clarisse. Ik wil mijn krachten nog even sparen voor de cols die vanmiddag komen en kies voor een alternatieve route over de Col de Rouge Vêtu, die maar 408 m hoog en 5,5 km korter is.
Vanaf Saint-Blaise gaat een nieuwe voie verte - het enige nieuwe stukje van dit traject - naar Moyenmoutier, waar een groep bankjes in het park voor de Abdij van St. Hydulphe een prachtige plek is voor de lunch en het drogen van de tent.

 
Abdij van Moyenmoutier
Hierna klimt de route 275 m over een afstand van bijna 9 km, tot aan een naamloze col bij een heuvel na de mooie boerencamping van La Fontenelle en een dikke demarcatiesteen.
 
Demarcatiesteen bij La Fontenelle
Om deze heuvel, Côte 627, is fel gestreden. In juli 1915 maakten de Fransen zich definitief meester van de top, waar nu een militaire begraafplaats ligt. Hierna loopt dit traject weer langs de Duitse kant van het front. De weg gaat op en neer door een prachtig landschap en bereikt een voorlopig hoogtepunt op de 608 m hoge Col d’Hermanpaire.
 
Vogezen bij Gemainfaing
Vlak voor Bertrimoutier rijst een groot wegkruis op. Hier in de buurt kruist de route opnieuw de frontlijn, die hier zuidoostwaarts de bergen inliep.
 
Wegkruis bij Bertrimoutier
Op een begraafplaats worden Franse en Duitse graven door een muurtje van elkaar gescheiden.
 
Franse en Duitse graven bij Bertrimoutier

Sinds ik Moyenmoutier uitfietste, zie ik af en toe omleidingsborden, verbodsborden voor voetgangers, en dranghekken langs de weg liggen. Het zijn onheilspellende voortekenen van de jaarlijkse Rallye des Vosges die hier de komende dagen plaatsvindt. Het is me duidelijk dat ik hier geen dag later had moeten fietsen, want dan had ik een geblokkeerde Frontlijnroute aangetroffen.
Ik bekijk de officiële website waarop de route van deze rally voor de komende dagen wordt aangegeven, zodat ik een plan B kan maken. Ik zie dat ik niet op routes kom waar geracet wordt, zolang ik de hoofdtrajecten van de Frontlijnroute blijf volgen. Een minder zwaar alternatief traject door de Vogezen wordt echter onbefietsbaar. Morgen zal ik ook af en toe op een verbindingsroute tussen de verschillende rallyparcoursen moeten fietsen.

Op die website is ook een paragraaf gewijd aan 'Rallye et Environnement', met een foto ernaast van rokende fabrieken. Over die foto is natuurlijk nagedacht: die moet suggereren dat andere zaken veel meer milieu-impact hebben dan een autorally. Een foto van een weg met platgereden dieren zul je op deze site niet aantreffen. Ook over de tekst is nagedacht. Om te beginnen spreken de organisatoren van de rally hun bezorgdheid over het milieu uit. Vervolgens wordt een Zwitsers onderzoek uit de kast gehaald, waarvan de uitkomst was dat ongeveer eenderde van de CO2-emissie van een rally werd veroorzaakt door openbaar vervoer en de rest grotendeels door accommodatie, catering, transport van apparatuur en afval. Om te besluiten met de conclusie dat de CO2 die wordt uitgestoten door raceauto's, slechts 3% bedraagt van de totale uitstoot van het evenement.
Dan volgen enkele vergelijkingen: dat een WK Voetbal 1,4 maal zoveel emissie veroorzaakt als de rally naar Dakar (zie hier voor een overzicht van dodelijke slachtoffers van die race), dat de estafette met de Olympische vlam meer CO2 uitstoot dan een race om de Grand Prix en dat de Grand Prix van België minder uitstoot oplevert dan het opstijgen van een verkeersvliegtuig.
Het zal wel niet de bedoeling zijn dat ik daaruit concludeer dat er nog een hoop commerciële sportevenementen afgeschaft kunnen worden. Dit gegoochel met cijfertjes doet me denken aan de tabaksindustrie, die ook graag selectief uit onderzoeksresultaten citeert om ons te laten denken dat we 'niet zo moeten zeuren als mensen van een sigaartje willen genieten'.
De treurige realiteit is dat de aanleg van een fietspad over een opgeheven spoorlijn (zoals van Duinkerke naar Adinkerke) jarenlang kan worden tegengehouden door een milieueffectrapportage, terwijl in hetzelfde land wel binnenwegen in een groot gebied mogen worden afgezet voor een lawaaiig en vervuilend evenement, waarbij roekeloos rijgedrag tot sport verheven wordt.

Gelukkig merk ik op de camping municipal van Gemaingoutte nog helemaal niks van luidruchtige rallybezoekers. Dat is fijn, want na bijna 1000 m klimmen en een nog zwaardere dag voor de boeg, wil ik goed kunnen slapen. Vannacht ben ik hier de enige gast. De receptie blijft dicht en een beheerder laat zich vanavond niet zien, maar de douche is lekker warm.

 
Dag 32, 23 september 2017. Van Gemaingoutte naar Turckheim, 69 km
 
 
Uit het dal van de Morthe begin ik aan de niet zo zware klim naar de 694 m hoge Col de Mandray. Al snel halen de eerste wielrenners mij in, zonder de rust op deze mooie ochtend in september te verstoren.
 

Op weg naar de Col de Mandray
Enkele minuten later is het gedaan met die rust. De ene na de andere racewagen scheurt voorbij. In de knalpotten wordt de herrie eerder versterkt dan gedempt. Dat zij zich buiten het parcours als gewone verkeersdeelnemers zouden moeten gedragen, lijkt niemand hier te beseffen, laat staan nodig te vinden.
 
Op weg naar de Col de Mandray
 
In Fraize haal ik koffie en een taartje. Vaak zit je dan tussen andere fietsers op een terras. Vandaag is de weg langs het terras helaas een halve racebaan, waar geen minuut voorbijgaat zonder dat een opgefokte coureur passeert.

Gelukkig ben ik er hierna van verlost. Op de weg langs Habeaurupt en Le Rudin is de rust weer terug. Dan verschijnt het Etang des Dames. Acht jaar terug maakte ik hier half oktober de foto hieronder. De picknickbank die hier toen stond, is verdwenen; dus die haal ik ook weg uit de navigatietekst.
 
 
Dan volgt de ruim 4 km lange klim naar de 280 m hoger gelegen Col de Louschbach. Het begin is het steilst, rond de 10%, maar na 2 km zakt het stijgingspercentage naar 6%. Een groot pluspunt van deze smalle, maar wel geasfalteerde bosweg is dat er vrijwel geen auto’s langskomen. Dit is een van de weinige autoluwe, maar wel geasfalteerde Vogezencols in de wijde omtrek.
 

Op weg naar de Col de Louschbach
Tijdens de klim klatert er water van de rotsen.
 
Watervalletjes

Vanaf de Col de Louschbach volgt nog een klim van bijna 170 m naar de Col du Calvaire, langs de Route des Crêtes. Deze weg over de kam van de Vogezen werd in 1915 door de Fransen aangelegd tussen de Col de Bonhomme in het noorden en de Hartmannswillerkopf in het zuiden. De tussenliggende cols en bergtoppen waren ingenomen door Franse troepen en de Route des Crêtes moest deze met elkaar verbinden.

Met een hoogte van 1144 m is de Col du Calvaire het hoogste punt van de Frontlijnroute. 's Winters kun je hier soms skieën, maar ik denk dat de stoeltjeslift vaker door mountainbikers wordt gebruikt. Voor frontlijnfietsers gaat deze lift echter de verkeerde kant op.

 
Stoeltjeslift bij Col du Calvaire

Vanaf de Col du Calvaire maakt de Frontlijnroute een bocht door de Elzas om na 70 km, bij de Col Amic, weer terug te komen op de Route des Crêtes. Wie de hoofdroute links laat liggen en de Route des Crêtes blijft volgen, bereikt al na 48 km de Col Amic. Dit is beslist een spectaculaire route, die ook nog eens 500 m klimmen uitspaart. Wel kan het op de Route des Crêtes erg druk zijn; deze graatweg is geliefd bij motorfietsers. Soms kunnen ook de weersomstandigheden op 1000 m hoogte het fietsen flink bemoeilijken. Zo heb ik hier in oktober 2009 gefietst met een snijdende noordoostenwind en een temperatuur rond het vriespunt. Met mist of regen is het hier ook geen feest.
De hoofdroute gaat nu meer dalend dan klimmend door een prachtig berglandschap en arriveert enkele kilometers na de Col du Wettstein bij de Collet du Linge of Lingekopf.

 
Uitzicht tussen Col du Wettstein en Collet du Linge

Op deze heuvel bevindt zich een loopgraafmuseum met een goed geconserveerd stuk van de Duitse linies, waarop Franse troepen zich in de zomer van 1915 massaal te pletter liepen. Een strategisch doel werd er niet mee gediend, wel sneuvelden er genoeg militairen om enkele grote begraafplaatsen in de omgeving mee te kunnen vullen.
Het is geen toeval dat juist van de Duitse linies nog zoveel resten te zien zijn. Voor de Duitsers was de frontlijn een verdedigingslinie voor onbepaalde tijd geworden, die zo sterk mogelijk gemaakt werd. De Franse legerleiders bleven hardnekkig vasthouden aan hun filosofie van ‘attaque à outrange’ (aanval tot het uiterste) en bleven ondanks alle mislukkingen hopen op een succesvolle doorbraak. Het versterken van de frontlijn was in strijd met deze offensieve strategie.

 
Loopgraven bij Lingekopf
Dit was de pittigste etappe van de Frontlijnroute, die vermeden kan worden door het minder zware alternatief door de Vogezen te nemen; al was dat vandaag niet mogelijk geweest door de Vogezenrally. Nu resteert nog een 16 km lange afdaling naar het bijna 700 m lager gelegen Niedermorschwir, waar de beslotenheid van dichte wouden abrupt plaatsmaakt voor een wein-weib-und-gesangsfeer.
 
Wijnvelden bij Niedermorschwir
De camping van Turckheim is van alle gemakken voorzien. Hoog tijd om kleren en binnenslaapzak in een wasmachine te proppen en naar een terras in het stadje te fietsen, waar ik flammekueche met een lokaal biertje bestel. Tot laat in de avond is het hier nog aangenaam zwoel. In de laaggelegen Elzas is het altijd een stuk warmer dan in de Vogezen: op een septemberavond lijkt het hier vaak nog zomer.
 
Gevels in Turckheim
Dag 33, 24 september 2017. Van Turckheim naar Cernay, 70 km
 
 
Wijnvelden en ansichtkaartstadjes met vakwerkhuizen blijven 30 km lang het beeld bepalen. Op de meertalige lunchkaarten staan gerechten waar je kilometers op kunt fietsen. Flammekueche of choucroute gedrenkt in heerlijk stinkende munsterkaas met wijn, bier of water uit de streek. Dit is het hart van de Elzas, waar men al eeuwenlang het beste van de Franse en Duitse cultuur weet te combineren.
 
Wijnvelden bij Wettolsheim
Gevels in Eguisheim
Choucroute in munsterkaas

In 1914 was de Elzas al bijna 45 jaar Duits grondgebied. Ouderen en intellectuelen waren vaak nog wel gevormd door de Franse cultuur, maar voor de jonge generatie was Frankrijk een vreemd land geworden. Toch vond de Duitse overheid het nodig om de vrijheid van pers en vergadering hier in te perken en duizenden francofielen te deporteren. Dienstplichtige Elzassers die waren opgeroepen voor het Duitse leger, werden zoveel mogelijk naar het oostfront gestuurd, zodat ze niet konden overlopen naar de Fransen. Vlak voor het uitbreken van de oorlog waren een paar duizend Elzassers nog naar Frankrijk vertrokken, waar ze als buitenlanders in het Vreemdelingenlegioen terechtkwamen. Leden uit één familie konden voor verschillende partijen strijden. Na de oorlog werd de Elzas weer een deel van Frankrijk. Net als elders in het land, werden ook hier oorlogsmonumenten opgericht. Afgesproken werd dat alle oorlogsdoden uit de Elzas hierop vermeld mochten worden, ook degenen die in Duitse dienst waren geweest.

Tussen Obermorschwir en Gueberschwir koos ik destijds voor autoluwe grindwegen. Voor dunbandige fietsers heb ik nu ook een asfaltalternatief gemaakt, maar die missen wel een paar mooie sfeervolle kilometers tussen de wijnvelden.

 
Dwars door de wijnvelden bij Obermorschwir

De wijnvelden zijn doorspekt met kruisbeelden en kapelletjes.

 
Kruisbeeld en kapel bij Orschwir
Bij dit beeld in een kapel bij Pfaffenheim krijg ik de indruk dat de maker ervan een persoonlijk jeugdtrama heeft moeten verwerken.
 
Pedopriester bij Pfaffenheim
Vlak voor Westhalten staat een picknicktafel uit het stenen tijdperk. Hoog tijd om wat te eten en aantekeningen uit mijn hoofd op papier te zetten.
 
Picknicktafel bij Westhalten
In Soultz gaat de route weer westwaarts over een mooie, rustige weg naar de 828 m hoge Col Amic. De klim van 550 m wordt uitgesmeerd over 12 km. Bij helder weer biedt de Col Amic een fantastisch uitzicht op de hoogste toppen van de Vogezen. Hierna volgt de route de Route des Crêtes naar Cernay.
 
Uitzicht bij Col Amic
Het laatste stuk van de Route des Crêtes loopt langs de Hartmannswillerkopf of Vieil Armand. Deze bergtop, die uitzicht biedt over heel de zuidelijke Elzas, werd in november 1914 door de Fransen bezet. Op tweede kerstdag begon een bestorming door Duitse troepen en negen dagen later werden de Fransen hier overmeesterd. Later slaagden zij erin de berg weer terug te krijgen, maar de Duitsers gaven niet op. Een jaar lang bleef de frontlijn hier heen en weer zwiepen, totdat andere veldslagen in Noord-Frankrijk prioriteit kregen en het op deze plek wat rustiger werd. Van de strijd om de Vieil Armand getuigt nu een begraafplaats met een museum. Daarachter loopt een voetpad de berg op, waar van de loopgraven, bunkers en rollen prikkeldraad genoeg over is om urenlang rond te kunnen snuffelen.
 
Uitzicht bij Col Amic
Die Vieil Armand moet ik nog altijd eens gaan bekijken. In 2009 reed ik erlangs en maakte ik de foto hierboven, maar had ik geen tijd om er nog uitgebreid rond te gaan snuffelen. Acht jaar later heb ik er ook geen tijd voor. Het is al laat in de middag wanneer ik Soultz bereik. Ook heb ik nu geen zin om die 550 m naar de Col Amic nog te klimmen om dan in de duisternis weer af te dalen. De komende dagen wil ik gebruiken om andere trajecten van de Frontlijnroute na te fietsen. Daarom verlaat ik de route nu even en volg ik de nieuwe bordjes van de EuroVelo 5 over een korte, rustige en vlakke route naar Cernay, waar ik nog net voor donker de camping bereik.
Deze inkorting bevalt me zo goed, dat ik deze als vlak alternatief opneem in de gids. Het komt vast wel vaker voor dat fietsers hier geen zin meer hebben in een Vogezencol, hoe mooi het daarboven ook mag zijn.
 
Dag 34, 25 september 2017. Van Dannemarie naar Huningue, 88 km (en eerst per trein van Cernay naar Dannemarie)
 
 

Vandaag wil ik Bazel bereiken, zodat ik morgenochtend vroeg in de trein kan stappen om terug te reizen naar Saint-Dié-en-Vosges. Dat ligt maar een uurtje fietsen van Fraize, waar het alternatieve traject door de Vogezen begint. Later op de dag zijn daar geen goede treinverbindingen.
Dat zou betekenen dat ik minstens 100 km af moet leggen en onderweg amper tijd zal hebben om dingen uit te zoeken. Daarom sla ik de eerste 30 km over door met de trein van Cernay via Mulhouse naar Dannemarie te boemelen.
In Dannemarie ga ik op zoek naar koffie. Op maandagochtend blijkt hier niets open te zijn, behalve de supermarkt. Daar tref ik een openluchtwasserette op het parkeerterrein aan, een snel oprukkend fenomeen in Frankrijk. In de supermarkt behelp ik mij met oploskoffie uit een automaat, nadat ik hier wel 5 km heb rondgefietst op zoek naar échte koffie.

 
Openluchtwasserette
De eerste herfstbladeren bedekken het fietspad over de oude spoorlijn naar Pfetterhouse. Daar had ik 8 jaar geleden veel geluk toen ik er koffie wilde drinken. In het café dat ik aantrof, zaten wat 50-plussers die Elsassisch met elkaar spraken. Een van hen vertelde mij dat dit café al jaren gesloten was, maar uitgerekend die dag weer even was geopend om de horecavergunning niet kwijt te raken.
 
Fietspad naar Pfetterhouse
Een oude tekst op een voormalig station herinnert aan de tijd dat de Elzas bij Duitsland hoorde.
 
Oude muurtekst uit de Duitse tijd

Iets ten oosten van Pfetterhouse hield de frontlijn op bij de zwaarbewaakte Zwitserse grens. Zwitserland hield bij internationale conflicten vast aan zijn neutrale positie, die in 1815 tijdens het Congres van Wenen was erkend. Anders dan die van België en Luxemburg werd de neutraliteit van Zwitserland in 1914 niet geschonden. Een Duitse invasie van Frankrijk was ook via Zwitserland mogelijk geweest, maar zou meer tijd hebben gekost. Hoe sneller de Duitsers Frankrijk zouden verslaan, des te eerder zouden hun legers inzetbaar zijn tegen Rusland. Voor zo’n gedroomde blitzkrieg leek Zwitserland al bij voorbaat geen geschikt terrein.
Na Pfetterhouse klimt de frontlijnroute naar de Zwitserse grens. Een verlaten grenswachtershuisje is het enige dat nog herinnert aan de tijd dat deze grens wel wat meer was dan een onzichtbare lijn in het landschap. Verderop gaat dezelfde weg Frankrijk weer in.
In dit korte stukje Zwitserland wijst een bord naar grenspaal 0. Ik sla een grindpad in dat na 2 km uitkomt bij de plek waar de frontlijn vier jaar lang de Zwitserse grens raakte. Na kilometers omfietsen bereik ik uiteindelijk weer de Frontlijnroute.

 
Grenspaal 0 op de frontlijn
Terug in Frankrijk buigt de Frontlijnroute oostwaarts om nog eenmaal mild op en neer te gaan langs de voet van de Jura. Slechts 20 km voor Bazel is de Chapelle Saint Martin een prachtige picknickplek.
 
Chapelle Saint Martin
Nu de frontlinie achter de rug is, wijzen lokale fietsroutes de weg naar Bazel, de derde stad van Zwitserland en een knooppunt van internationale treinverbindingen en fietsroutes. Alle vorige keren stapte ik hier 's avonds in de nachttrein naar Amsterdam. Die rijdt nu niet verder dan Düsseldorf en, wat het vervelendst is, heeft geen slaapplaatsen meer. Nu ben ik ook nog niet klaar met het veldwerk.
Het schemert wanneer ik door de buitenwijken van Bazel fiets. De camping ligt net over de Franse grens in Huningue. Volgens de OpenFietsMap loopt er op de linker Rijnoever een fietspad rechtstreeks naartoe, maar wanneer ik dit volg stuit ik vlak voor de grens op een hek dat hermetisch gesloten is. Op een bordje is te lezen dat deze grensovergang alleen in het weekend open is. Nu moet ik kilometers omrijden om via de reguliere grenspost in Huningue te komen. Om 9 uur 's avonds bereik ik de camping bij een haventje aan de Rijn. Zo'n ietwat sjofel en betaalbaar kampeerveldje zou een paar kilometer verderop in het propere Zwitserland niet kunnen bestaan.
 
Camping in Huningue
Dag 35, 26 september 2017. Van Saint-Léonard naar Xonrupt-Longemer, 44 km (en eerst per trein van Huningue naar Saint-Léonard)
 
 
's Ochtends vroeg stap ik in de trein naar Straatsburg. Daar neem ik een boemeltje dat slechts enkele keren per dag naar Saint-Dié-des-Vosges rijdt (volgens deze bron zouden er vanaf 2021 meer treinen kunnen gaan rijden), waar ik overstap op een trein naar Saint-Léonard. Daar begint een voie verte naar Fraize. Het eerste deel is pas aangelegd. Als de spoorlijn waar ik zojuist nog gebruik van heb gemaakt in december 2018 wordt stilgelegd (zie hier voor een overzicht van bedreigde Franse spoorlijnen), dan wordt dit fietspad misschien nog wel eens doorgetrokken.
 
Rails maken plaats voor fietspad
Even later fiets ik langs een fenomeen dat ik in Frankrijk vaker ben tegengekomen: fietswrakkenkunst. Oude fietsen zijn met fietskettingen aan een schutting geketend. Als solofietser zonder haast stap ik daar soms even voor af.
 
Fietswrakkenkunst
 
De fietsen zijn voorzien van verlichting, wat 's avonds een leuk effect zal geven.
 
Fietswrakverlichting
Enkele dagen geleden was ik ook al in Fraize. Toen bleef ik de hoofdroute volgen (traject 10), nu kies ik voor een alternatief dat 34 km korter is en over minder hoge cols gaat (traject 16).
 
 
Het begin is vlak. Dan volgt vals plat. De route wordt gemarkeerd door wegkruizen op hoge sokkels van roze natuursteen.
 
Wegkruis

In het steeds smaller wordende dal van de Petite Meurthe gaat vals plat naadloos over in een geleidelijke klim: alles bij elkaar zo’n 330 m naar de 810 m hoge Col du Surceneux. Voor drinkwater is hier gezorgd.

 
Drinkwatervoorziening
Na de col volgt een korte afdaling van 75 m naar het Lac de Longemer.
 
Lac de Longemer
Na dit meer volgt weer een serieuze col. Daar heb ik vandaag geen zin meer in. Langs het meer liggen verschillende campings, die nu vrijwel verlaten zijn. Camping Les Jonquilles is een van de mooiere, waar ik de foto hierboven gemaakt heb. Bovendien is er een winkeltje waar ik morgenochtend brood kan krijgen.
 
Dag 36, 27 september 2017. Van Xonrupt-Longemer naar Dannemarie, 99 km (en per trein verder naar Straatsburg)
 
 
Na het meer stijgt de weg weer tot de 955 m hoge Col des Faignes sous Vologne. Dit is net niet het hoogste punt van dit traject. Er volgt nu een stukje freewheelen met een hoogteverlies van 150 m, dat weer moet worden teruggeklommen op weg naar de Col de Bramont, die slechts 1 m hoger is dan de vorige col. Dit is de steilste klim van dit traject met een gemiddelde stijging van 6%.
 
Uitzicht vanaf Col de Bramont
Direct hierna begint een mooie afdaling in maar liefst 14 haarspeldbochten naar het Lac de Kruth-Wildenstein.
 
Lac de Kruth-Wildenstein
Via de westoever van dit stuwmeer loopt de route naar de Thurvallei. Dit is een dichtbevolkt dal, dat door autoluwe routes en uitzicht op beboste hellingen toch aantrekkelijk is om doorheen te fietsen.
In 1914 werd dit gebied ingenomen door Franse troepen. Aanvankelijk rukten zij op tot in Mulhouse, maar de Duitsers sloegen al snel terug. De frontlinie kwam tussen Thann en Cernay te liggen. Deze steden kregen het zwaar te verduren, maar het dal van de Thur bleef in Franse handen, aan de oost- en noordzijde goed afgeschermd door het Vogezenmassief. Thann is ondanks alles een sfeervol stadje gebleven.
 
Centrum van Thann
Vanuit Thann loopt een fietspad langs de rivier met uitzicht op een van de fraaiste wijnhellingen van de Elzas.
 
Wijnhelling bij Thann

Na die mooie wijnhelling moet je nog over een wat drukkere weg langs de buitenwijken van Thann. Dat leed verzacht ik nu door de route wat meer over rustige straten door die buitenwijken te laten gaan. Hierdoor wordt de route wel 300 m langer en iets ingewikkelder. Dat laatste maak ik weer goed door een inzetje met een stadsplattegrond van Thann aan de kaart toe te voegen.

Dan resteert nog 6 km door het voormalige frontgebied voordat dit traject weer op de hoofdroute uitkomt (traject 11). Daarvan wil het 24 km lange stuk tot Dannemarie nog fietsen, dat ik twee dagen eerder had overgeslagen door de trein te nemen.
De Vogezen liggen nu achter me. Links zie ik de contouren van het Zwarte Woud en ver voor me uit doemen de eerste bulten van de Jura op. Ik fiets nu door de Bourgondische Poort. Miljoenen jaren geleden stroomde de Rijn bij Bazel niet naar het noorden, maar westwaarts door deze laagte om tenslotte via het Rhônedal in de Middellandse Zee uit te komen. Later werd deze Oerrijn vanaf Bazel afgetapt door een steeds dieper wordende geologische slenk tussen de Vogezen en het Zwarte Woud, die uiteindelijk de Bovenrijnse Laagvlakte zou vormen. Zo kreeg de rivier zijn huidige loop naar de Noordzee.

Ik ben niet van plan om voor Dannemarie nog iets aan de route te veranderen. Als alles meezit, kan ik daar vrij snel op een trein naar Mulhouse stappen, waar een stadscamping is. Maar niet alles zit mee. Vanaf Ammertzwiller en Balschwiller volgt de Frontlijnroute een grindpad, dat ik in 2011 nog redelijk befietsbaar vond. Nu is er een dikke laag vers grind op het pad gestort en kom ik slechts met veel moeite vooruit. Ik hoop dat het straks beter wordt en fiets verder, maar na een halve kilometer is dit nog steeds een stuiterpad. Dit pad had ik destijds gekozen om een drukke weg te omzeilen, waar nog steeds geen fietspad langsligt. Op de kaart zie ik nog een andere optie, maar dat is wel 2 km omfietsen via Bernwiller. Dat moet dan maar. Uiteindelijk bereik ik via rustige asfaltwegen het Rhône-Rijnkanaal, waarvan het jaagpad onderdeel is van de EuroVelo 6, een bewegwijzerde fietsroute van de Loiremonding naar de Donaudelta.

 
Langs het Rhône-Rijnkanaal

In de schemering bereik ik de jachthaven van Dannemarie. Het liefst zou ik hier blijven en morgenochtend in de trein stappen. Helaas is hier geen camping in de buurt, maar wellicht is er een douche bij de jachthaven. Ik ga op onderzoek uit en vind een douchehok dat op slot is. Dan heb ik ook niet zo'n zin om hier te gaan wildkamperen. Ik fiets naar het station en neem de trein naar Mulhouse. De camping municipal ligt hier maar 2 km van het station, maar het hek is hermetisch gesloten. Op een bordje lees ik dat gasten vanaf april 2018 weer welkom zijn. Merde!! Volgens Archies zou deze camping nog tot half oktober open moeten zijn.
Hier sta ik dan, op een duistere plek in een onbekende stad. Zal ik dan maar een hotel zoeken? Of weer een trein nemen naar een plaats waar de camping nog wel open is? Morgen moet ik sowieso een flink stuk boemelen, dus alle treinkilometers die ik vandaag afleg, hoef ik morgen niet meer te doen. Ik fiets terug naar het station, waar ik op het nippertje de trein naar Straatsburg haal. Daar zou de stadscamping het hele jaar open moeten zijn. Na tienen arriveer ik in Straatsburg. Met de OpenFietsMap vind ik feilloos in het donker de weg naar de camping, die aan het spoor ligt, 2.4 km van het station. Vanuit de trein had ik al gezien dat deze camping verlicht was. De receptie is dicht, maar met de fiets kom ik moeiteloos langs de gesloten slagboom. Deze camping oogt nieuw en lijkt vooral op campers te zijn gericht. Een tentenveldje zie ik niet, maar naast de verharde camperplekken is nog genoeg gras. Dit is vast zo'n camping waar je bij de receptie een genummerde plek krijgt aangewezen. Ik zet mijn tent op een van de schaarse onbezette plekken, niet ver het washok. Om 11 uur 's avonds verwacht ik hier geen nieuwkomers meer (zoals op IJslandse campings wel gebeurt: dat er midden in de nacht links en rechts van je tent een paar hevig snurkende gasten bijkomen). Na 99 km fietsen, twee Vogezencols en een lange treinreis kan ik eindelijk instorten.

 
Dag 37, 28 september 2017. Van Raon-l'Étape naar La Vierge Clarisse en terug, 45 km (en eerst per trein van Straatsburg naar Raon-l'Étape)
 
 

Wanneer ik me nog even meld bij de receptie, die gisteravond dicht was. Bij de meeste Franse campings is dat heel normaal, wanneer je laat op de avond bent aangekomen. Hier lees ik in de ogen van de dienstdoende receptionist echter een mengeling van verwondering en verbijstering.
"Hoe kunt u hier overnacht hebben zonder dat wij u een plek hebben gegeven?", vraagt hij.
"Gewoon even rondkijken en dan de de tent opzetten", antwoord ik.
"Op welke plek was dat dan?"
"Schuin tegenover het washok, waar nog niemand anders stond."
Even vrees ik dat hij een nummer van die plek wil weten. De man kijkt een beetje moeilijk en neemt dan mijn betaling in ontvangst, aanzienlijk meer dan ik de afgelopen weken gewend was neer te tellen. Ik zal maar niet vragen of er korting voor laatkomers met kleine tentjes is. Dit is het moderne, commerciële en bureaucratische Frankrijk. De camping heeft een alternatief en groen imago, maar lijkt niet echt bedoeld voor alternatieve en groene kampeerders. Een fiets of een tent kun je hier huren en kun je dus maar beter niet zelf meenemen, lijken ze hier te denken. Ik krijg een beetje het gevoel dat ik ook wel eens had op recepties waar ik als enige man zonder pak en stropdas verscheen. Of wanneer ik in Frankrijk ruim voor lunchtijd koffie wilde drinken in een restaurant.

Net als twee dagen terug boemel ik naar Saint-Dié-des-Vosges. Dat kan maar tweemaal per dag, om 9:55 uur en om 17:55 uur. Dus is het handig dat ik gisteravond al naar Straatsburg ben gereisd. In Saint-Dié-des-Vosges stap ik over op de trein naar Raon-l'Étape. Daar was ik ook al op dag 31, toen ik vanaf Badonviller een alternatieve route via de Col de Rouge Vêtu had genomen. Nu fiets ik die route in de omgekeerde richting om bij Badonviller alsnog de hoofdroute via de Col de la Vierge Clarisse te volgen.

 
 
Op deze col gaat een bospad linksaf naar de Grotte des Poilus. Deze grot werd gebruikt als eerstehulppost voor Franse troepen die stand hielden op de nabijgelegen Col de la Chapelotte, waar de frontlinie naar het zuiden boog. Tot nu toe heb ik deze plek altijd links laten liggen, maar nu is dit een mooie afsluitng van het veldwerk. Ik fiets het bospad op en tref na 850 m een bordje aan dat naar de grot wijst. Ik laat mijn fiets staan en volg een steil paadje omlaag, dat bij de grot uitkomt.
 
Pad naar de Grotte des Poilus
De voorzijde van de grot ligt er op deze nazomerdag vredig bij. Wie niet beter weet, zou denken dat het hier nooit anders is geweest.
 
Grotte des Poilus
Ik rij terug naar de weg, waar de heilige maagd Clarisse als een vogel in een nestkastje aan een boom hangt. Zou ze hier honderd jaar geleden ook hebben gehangen en van alles hebben zien gebeuren?
 
Vierge Clarisse

Voor de bossen die hier staan, was de oorlog desastreus, en niet alleen in het gehavende frontgebied. Overal werden dennen gekapt voor het versterken van loopgraven; voor de bielzen van het overbelaste spoorwegennet was eikenhout nodig; kastanjebomen werden vanwege hun hoge looizuurgehalte gebruikt in de leerlooierijen, die het materiaal leverden voor schoeisel, riemen en zadels; en het taaie hout van essen werd gebruikt in de opkomende vliegtuigindustrie. De Duitsers haalden hun hout bij voorkeur uit de gebieden die zij bezet hielden. Zo ontstond een ongebreidelde roofbouw op de bossen aan beide kanten van de frontlijn.

Anderhalve kilometer verder gaat een smal pad omhoog naar de ruïne van het Château de Pierre-Percée, dat al in de 17e eeuw tijdens de 30-jarige oorlog werd verwoest. Nu fiets ik er voorbij, maar in oktober 2009 werd ik bij deze ruïne verrast door een prachtig uitzicht.

 
Uitzicht bij Pierre Percée
Dan volgt een mooie afdaling, onderbroken door een korte klim, langs het stuwmeer van Pierre-Percéé.
 
Lac de Pierre Percée

Het is wat langer en er moet meer worden geklommen, maar de route via de Col de la Vierge Clarisse is spectaculairder dan het alternatief via de Col de Rouge Vêtu, waar je de hele tijd tussen de bomen fietst. Daarom gaat de hoofdroute langs La Vierge Clarisse.
Na de stuwdam volgt nog een afdaling. De laatste 9 km naar Raon-l'Étape zijn vlak en autovrij.

In Raon-l'Étape neem ik de trein naar Nancy, waar ik overstap op een trein in de richting van Metz en Thionville. Nancy heeft een modern station met liften, die meestal functioneren, maar vandaag is de lift die ik nodig heb, defect. Een briefje meldt dat het einde van de onderhoudswerkzaamheden is voorzien in september 2017. Dan hebben ze nu nog drie dagen de tijd om een monteur op te trommelen. Altijd weer hartverwarmend, die service van de SNCF. Nou ja, na twee weken veldwerk en een stuk of tien Vogezencols krijg ik mijn fiets ook nog wel een stationstrap op.

 
Briefje op deur van kapotte lift in Nancy
In Thionville fiets ik naar de camping municipal die dichtbij het station ligt. Over twee dagen sluit deze camping voor de winter. Ook komt er een eind aan het zwoele nazomerweer. De eerste regenspetters vallen al snel nadat ik de tent heb opgezet.
De volgende dag maak ik de gebruikelijke treinreis via Luxemburg en Brussel terug naar huis. Daar ben ik nog een maand bezig met het verwerken van aantekeningen, gps-tracks en foto's. Daarna, in november, volgt nog enkele weken saai monnikenwerk: het up-to-date maken van de lijst met overnachtingsadressen. Na de laatste correcties kan het PDF-bestand rond de jaarwisseling naar de drukker. Een maand later liggen er 500 nieuwe gidsen klaar om gebruikt te worden.
 
Meer informatie over de gids 'Fietsen langs de Frontlijn' is hier te vinden.