langs het IJzeren Gordijn in West-Duitsland
 

In 1984 fietste ik door Tsjechoslowakije en Polen. De Berlijnse muur stond stevig overeind en de koude oorlog leek nooit meer voorbij te zullen gaan. Onderweg bezocht ik een Tsjechische dissident en zag ik hoe de Polen openlijk lak hadden aan het regime dat hun was opgelegd. Het Oostblok was een gebied waar alles vreemd genoeg was om zonder vliegtuig toch het gevoel te hebben ver weg te zijn.

Fietsen was in die tijd dè manier van reizen als je geen geld en veel tijd had. De eerste mountainbikes kwamen net op de markt, maar verder was 'racefiets' de verzamelnaam voor alles waar tien of meer versnellingen opzaten. Mijn fiets, een snel versleten Gazelle Tour de France uit 1978, had net een dure operatie achter de rug en was nu voorzien van aluminium velgen, Maxicar naven en een driedelige crankset van TA (zes jaar later zou ik deze onderdelen op een nieuw randonneurframe transplanteren). Fietskleding was toen nog iets voor malloten met teveel geld: duizenden kilometers reed ik gewoon in een spijkerbroek op een hard leren zadel.

Zesentwintig jaar later vond ik in een stoffige doos het reisverslag dat ik toentertijd geschreven heb. Bovendien bleken de dia's die ik destijds had geschoten, nog in een redelijke staat te verkeren, met als eindresultaat dit tijdsdocument.

 
Overzicht van de gefietste route (rode lijn). Van Gdansk naar Travemünde ging de reis per boot om de DDR, waarvan de grenzen voor fietsers gesloten waren, te omzeilen . (Later zou bekend worden dat fietsen wel als bagage in de trein naar de DDR vervoerd konden worden!) De paarse lijn geeft de ligging van het IJzeren Gordijn aan.
 
datum van naar
afstand 
overnachting
12-07-84 Diemen Wageningen
  80 km
logeren bij Monique van Schoubroeck
13-07-84 Wageningen Haltern (D)
145 km
wild kamperen in bos
14-07-84 Haltern Plettenberg
125 km
jeugdherberg
15-07-84 Plettenberg Marburg
135 km
jeugdherberg
16-07-84 Marburg Gersfeld
115 km
camping
17-07-84 Gersfeld Altenkunstadt
140 km
wild kamperen in park
18-07-84 Altenkunstadt Cheb (CS)
105 km
camping
 

De grens
Vandaag, woensdag 18 juli 1984, heb ik na zeven dagen fietsen de Tsjechische grens bereikt. ‘Bundesgrenze 2 km’ meldt een bord dat in de richting van een onopvallende weg wijst.
Het is tegen zessen. Voordat ik Tsjechoslowakije binnenrij, bel ik nog even naar het thuisfront in Diemen. Ik wil graag weten of er een antwoord is gekomen op een brief die Els heeft geschreven aan de moeder van Jan Litomisky, de Tsjechische dissident waar onze Amnesty groep zich voor inzet. In de brief staat dat ik aan het eind van deze week in Praag zal zijn en dat ik dan graag iets aan Jans moeder wil overhandigen. Het gaat om vijfhonderd gulden van onze groep, maar dat staat niet met zoveel woorden in de brief.
Rita neemt de telefoon op. Ze heeft in het postvakje van Els gekeken: niks uit Tsjechoslowakije. Dan ga ik maar zonder bericht naar Praag; ik ben benieuwd.
Voordat ik koers zet naar de grens, stop ik de kopieën die ik heb gemaakt van brieven die ik voor andere Tsjechen meeneem, in mijn onderbroek. Hopelijk hoort uitkleden zelfs bij deze grens niet tot de gebruikelijke rituelen. Voor alle zekerheid stop ik een leesboek - 'Escape from Sobibor' van Richard Rashke - tussen de vuile was en verdeel ik het geld over verschillende tassen en vakken. Er moet nu wel heel streng gecontroleerd worden om er precies achter te komen wat ik bij me heb.
Aan de Duitse kant moet ik vijf minuten wachten voordat iemand mijn paspoort wil zien. Wanneer blijkt dat ik niet op de Verbrecherliste voorkom, mag ik doorrijden. Een paar kilometer verder is de Tsjechische controle. Eerst een slagboom en twee soldaten. Tien minuten sta ik oog in oog met een van de gewapende mannen voordat de boom omhoog gaat. Dan komt de douane. Ik lever mijn pas en visum in en wacht op de dingen die gebeuren gaan. Vóór mij wordt de kofferruimte van een auto uit Zweden doorgelicht. Mij wordt slechts gevraagd of ik tijdschriften en geschenken bij me heb. Ook wordt het merk van mijn camera genoteerd. Ik moet geld wisselen voor zes dagen, de duur van mijn visum.
Na nog eens twintig minuten wachten krijg ik mijn pas terug. Een douanier wenkt dat ik door mag rijden. In de verte gaat een slagboom omhoog. Het grote gordijn staat op een kier, ik rij Oost-Europa binnen!

Cheb
Het is slechts luttele kilometers rijden naar de eerste stad: Cheb. Er staan oude verwaarloosde huizen in een Oostenrijkse bouwstijl, afgewisseld door monotone flatwijken. Kleine autootjes denderen over de keien.
Snel vind ik een camping, overvol, vooral met Oost-Duitsers. Voor de rest het vertrouwde campingbeeld: uit autoradio’s komt het West-Duitse nieuws en ook de bierbuiken, trainingspakken, fonduestellen en vrijende pubers ontbreken niet. Anders is mijn ontvangst bij de receptie. Als ik vertel dat ik hier maar één nacht wil kamperen, zal het de beheerder worst wezen of ik wel of niet betaal.

 
datum van naar
afstand
 
overnachting
19-07-84 Cheb Jesenice 115 km camping
 
Oost-Europees flaneren en consumeren in Karlovy Vary
 
Zutritt verboten
De volgende dag fiets ik naar Karlovy Vary, een bekende badplaats aan de rand van het Ertsgebergte. Onderweg passeer ik diepe bruinkoolgroeven en treurige mijnwerkersstadjes waarvan de grauwheid extra benadrukt wordt door de vele regen.
Na Karlovy Vary wil ik een kleinere weg nemen die wel op een kaart staat die ik eens in Oostenrijk heb gekocht, maar niet op een Tsjechische. Dit maakt me nieuwsgierig. Na enkele kilometers staan herhaaldelijk borden langs de weg met opschriften in het Tsjechisch. Op een van de eerste borden staat bovendien ‘Zutritt verboten’. Ik neem me voor dit niet gelezen te hebben en vervolg de weg die door een totaal verlaten landschap voert. Volgens de kaart moeten er dorpen zijn. Langs de weg staan wel plaatsnaamborden, maar de huizen zijn verdwenen. Restanten van heggen en fruitbomen verraden dat hier eens tuinen zijn geweest. Verder is het landschap verwoest door diepe moddersporen van rupsbandvoertuigen. In het struikgewas zit hier en daar een groepje soldaten; ze lijken niet verwonderd wanneer ik voorbijfiets. Af en toe passeert een legertruck.
Plotseling komt van achter een heuvel een tank tevoorschijn die me op een steile helling inhaalt. Twintig meter achter me rijdt er nog een. De soldaten die erop zitten, zien hoe ik moeizaam naar boven fiets. Enkelen glimlachen als ik oververhit de top bereik. Zelf voel ik me nogal bekneld in deze haast onwerkelijke situatie: ingeklemd tussen twee tanks en bijna stikkend in de gigantische stof- en zandwolken die worden opgewoeld.
Ik zoek naar een mogelijkheid om hier tussenuit te komen. Op de top zie ik dat de weg enkele kilometers naar beneden gaat zonder dat er iets mijn kant oprijdt. Ik waag het erop. Verbeten trappend zoef ik snel de voorste tank voorbij, de vrijheid tegemoet.

 
de weg voert door een verlaten gebied
 
datum van naar
afstand
 
overnachting
20-07-84 Jesenice Praag 125 km camping
 
Milan
Na urenlang fietsen door heuvelland, bossen en graanvelden doemt een stad op: Rakovnik. Ik zoek een bankje in een park om uitgebreid te gaan eten. Op een andere bank zit een man van in de dertig peinzend voor zich uit te staren. Na een poosje staat hij op en loopt mijn kant op. Bij mijn bank blijft hij staan en zegt iets in het Tsjechisch.
“Nemluvím cesky”, zeg ik, “mluvite anglicky, nemecky?” Na een dag lijk ik eindelijk geleerd te hebben hoe je in het Tsjechisch duidelijk maakt dat je geen Tsjechisch verstaat maar wel Engels of Duits: de man begrijpt het.
Hij begint in het Duits te spreken en komt naast me zitten. Eerst praten we over koetjes en kalfjes. Als hij hoort dat ik uit Nederland kom, vraagt hij ineens of ik de muziek van Heintje ken. Vaag herinner ik me uit mijn jeugd een Limburgs knulletje dat zichzelf rijk wist te zingen met sentimentele liedjes. Deze Tsjech blijkt er een fan van te zijn.
Hij vraagt of ik hem een plaat wil sturen met Duitstalige liedjes van Heintje uit de tijd dat deze zestien jaar oud was. In Tsjechoslowakije is hier namelijk niet aan te komen. Ik zeg hem dat ik geen flauw idee heb of je in Nederland nu nog aan zo’n plaat kunt komen, maar goed, ik zal kijken wat er is.
Het ijs is nu gebroken en hij blijft onafgebroken praten. Milan, zo heet hij, heeft geen werk omdat hij een tijdje in een psychiatrische kliniek heeft gezeten. De heren psychiaters konden echter niks bijzonders vinden, zodat ze hem maar weer hebben vrijgelaten. Hij wordt echter nog steeds lastig gevallen door agenten. Een paar dagen terug werd hij aangehouden omdat hij met een verrekijker op straat liep.
“Verrekijkers zijn voor Tsjechen nauwelijks te krijgen”
, zegt Milan. Hij moest in een blaaspijpje blazen en kon daarna weer gaan.
Milan mag van de politie geen kerk bezoeken, hij zou een godsdienstfanaat zijn. Hij heeft een Duitstalige bijbel in huis en kent tien psalmen uit zijn hoofd. Hij dreunt er een voor mij op. Ik kan me er altijd weer over verwonderen waar mensen hun tijd mee weten te vullen!
Verder vertelt Milan dat zijn vader in 1968, tijdens de Praagse lente, naar Zwitserland gevlucht is. Zelf mag hij daar niet heen gaan, terwijl zijn vader nooit meer in Tsjechoslowakije mag komen. Dan volgt een verhaal over een soldaat die pas geleden verschillende mensen heeft verwond door dronken in een tank door de stad te rijden. Uiteindelijk pleegde hij zelfmoord door voor zijn eigen tank te springen.
Ik vertel Milan over mijn eigen ervaring met het fietsen tussen twee tanks.
“Waren het Russische tanks?”
“Hoe kun je dat zien?”
“Russische tanks hebben zwart-witte nummerplaten.”
De nummerplaten kan ik me niet herinneren, maar ik denk dat ze inderdaad Russisch waren. Sommige soldaten zagen er heel exotisch uit: brede, donkere gezichten met oosterse gelaatstrekken, misschien uit Armenië, Kazachstan of Oezbekistan.
Ik vraag Milan waar hij Duits heeft geleerd.
“Ik heb het me grotendeels zelf geleerd. Op school was Russisch de enige vreemde taal die we leerden, zes jaar lang. Ik spreek nu drie woorden Russisch en mijn leraar kende wel twintig woorden in deze taal!”
Om vijf over twaalf staat hij op. Over vijf minuten wil hij met de bus mee. Dat wilde hij een uur geleden ook al! We nemen afscheid. Het ga je goed, malle Tsjech…
Al fietsend blijf ik aan dit eigenaardige gesprek denken. Als ik helemaal niets van dit land geweten had, zou ik weinig van Milans verhaal hebben geloofd. Ik besef echter dat een eigenzinnig type als Milan het hier moeilijk moet hebben. Leven in Tsjechoslowakije moet zoiets zijn als je hele leven op de middelbare school zitten (zie mijn schoolbankverhalen). Braaf zijn, altijd je straf aanvaarden, klikken als het moet, slijmen om een goed cijfer te krijgen, op het matje worden geroepen als er in de schoolkrant een artikel heeft gestaan dat ‘een verkeerde indruk van de school’ zou kunnen geven: hier noemen ze dat ‘laster tegen het socialisme’, een variant op wat bij ons godslastering, majesteitsschennis of ‘belediging van een bevriend staatshoofd’ heet.

 
Bohemen heeft sfeer
 
 
landhuis bij Krasny Dvur
 

Naar Praag
Bohemen is mooi. Golvende graanvelden, donkere naaldwouden en dromerige dorpjes wisselen elkaar af. Alles is hier niet zo volmaakt onderhouden als in Hessen en Beieren, waar ik vorige week doorheen fietste. Daar deden de oude stadjes soms denken aan verhalen van Herman Hesse, maar het landschap viel wat tegen. Al was het Rhöngebergte met zijn in de wolken verdwijnende toppen, koudgele zonsondergang en ijzige, vingertoppen dodende noordenwind, beslist indrukwekkend.
Hier in Bohemen zijn het de rommelige dorpen met wegen vol kuilen, diepe rivierdalen tussen kalkrotsen, loslopende straatkippen, voorovergebogen oude mensen met verweerde gezichten en verwonderd kijkende kinderen die dit land karakter geven.
Tegen de avond rijd ik Praag binnen. Eerst kijk ik of de moeder van Jan Litomisky thuis is. De straat waar ze woont is snel gevonden. Hotsend en stotend fiets ik over de keien naar een groot huis uit de jaren twintig. En hoog hek omsluit een grote tuin. Ik vind twee bellen, probeer ze allebei, maar zonder resultaat. Pech gehad, morgen maar weer proberen.

 
datum van naar
afstand
 
overnachting
21-07-84 Praag Praag 15 km logeren bij de Litomisky's
 

Bozena
De volgende dag probeer ik het weer. Op mijn bellen komt weer geen reactie, maar wel hoor ik geluiden in de tuin. Dan zie ik twee mannen bezig in de garage.
“Dobry den”, groet ik. Een van hen komt naar de poort en ik stel me voor. De beide mannen zijn niet totaal verrast. Degene die het hek open doet is Vladimir, de broer van Jan Litomisky. De ander is Miroslav, zijn neef. Miroslav spreekt goed Engels. Hij vraagt of ik uit Nederland kom. Blijkbaar werd ik al verwacht. Miroslav neemt me mee naar binnen en gaat op zoek naar Jans moeder, Bozena Litomiska. Na enkele minuten komt een vitaal omaatje op me af. We spreken Frans, zij vloeiend en ik met veel moeite.
“C’est une misère”, zegt ze. Ze is levendig als ze praat en maakt een vastberaden indruk. Bozena vertelt dat Jan zijn dorp niet mag verlaten zonder speciale toestemming, maar dat verder iedereen, “n’importe qui”, haar zoon kan bezoeken. Ik begrijp dat ze graag wil dat ik zelf naar hem toe ga. Zelf neemt ze nog dezelfde middag de bus naar Vyskytna, waar Jan woont. Morgenochtend gaat er weer een rechtstreekse bus.
Wanneer Bozena is vertrokken, legt Miroslav me nog het een en ander uit. Ik kan bij hem blijven eten en slapen.

Praag
Die middag haal ik mijn spullen op van de camping en ga ik de stad in. Praag is schitterend. Ik had verwacht een stad als Wenen of Boedapest aan te treffen, maar Praag is mooier. Het centrum is bijna ongeschonden door de oorlog gekomen en is één groot woud van huizen, kerken en paleizen.
Niet alleen de Moldau met haar monumentale bruggen kan de vergelijking met de Donau glansrijk doorstaan, ook de oude stad vol nauwe straatjes waar trams zich tussen de lopende mensenmassa doorwurmen, kan opboksen tegen het toch wat moderne Boedapest en het pompeuze en stijve Wenen.
`s Avonds eet ik in huize Litomisky. Miroslav woont met zijn gezin op de bovenste verdiepingen. Ik kan slapen in een kamer waar zijn schoonouders wonen, die nu op vakantie zijn. In dit grote huis woont een flink aantal mensen van drie generaties, niet ongebruikelijk in dit land waar een groot gebrek aan woningen is.
De hele avond praat ik met Miroslav. Jammer genoeg spreekt zijn vrouw alleen Tsjechisch. Hij vertelt dat zijn dochter, die nu op vakantie is, nog beter Engels spreekt dan hijzelf: zij heeft op een speciale school gezeten. Op de meeste scholen leer je hier alleen Tsjechisch en Russisch. Ik vertel het verhaal van Milan en zijn ervaringen met Russisch op school. Miroslav glimlacht.
“De meeste leraren kennen wel meer dan twintig woorden Russisch, maar er zijn inderdaad maar weinig mensen die deze taal behoorlijk leren spreken”, vertelt hij.

 
Moldau in Praag
keien en tramrails: welkom in Praag!
rond het Oude Stadsplein
 
datum van naar   overnachting
22-07-84 Praag Vyskytna v.v. per bus logeren bij de Litomisky's
 
Jan
Zondagochtend om kwart voor zes loop ik met Miroslav naar het metrostation. Hij geeft me de laatste instructies. Feilloos leer ik Vyskytna, het dorp waar Jan woont, uit te spreken: Wieskietna, met de klemtoon op de laatste lettergreep. Verder raadt hij me aan om, als ik ergens aangehouden zou worden, te zeggen dat het geld dat ik bij me heb een gift van hem voor zijn neef is. De vorige avond heeft Miroslav het geld van Amnesty omgewisseld in Tsjechische kronen. Zwart wisselen is verboden en een buitenlander moet altijd aan kunnen tonen hoe hij aan zijn Tsjechische geld is gekomen. Door zwart te wisselen heb ik haast driemaal zoveel kronen gekregen als bij een Tsjechische bank mogelijk was geweest, maar wel zonder wisselbewijs.
Bozena had op mijn vraag of Jan voldoende geld had voor alles wat hij nodig had, geantwoord dat hij genoeg had om van te kunnen leven.
“Mijn zoon is erg zuinig”, voegde ze er aan toe. Ik begreep dat het geen vetpot was.
Na een busrit van ruim drie uur stap ik uit in Vyskytna. Bozena staat al bij de bushalte te wachten. Het is half tien. Jan zal pas om elf uur komen omdat hij zich nog moet melden bij de politie.
Met Bozena loop ik door het landelijke dorp naar Jans huis. Hier heeft hij ook voor zijn arrestatie gewoond. Bozena vertelt dat ze, nu haar zoon weer uit de gevangenis is, haast altijd bij hem woont omdat hij anders alleen is en geen fatsoenlijke maaltijden bereidt. Het Frans praten lijkt vandaag makkelijker te gaan dan gisteren; we babbelen rustig voort.
Bozena haalt een paar grote pakken uit de kast, boordevol post, honderden kaarten en brieven. Overal vandaan maar grotendeels uit Nederland. Ik herken enkele brieven die door ons gestuurd zijn. De meeste Nederlandse post komt van leden van hervormde kerken, waarschijnlijk omdat Jan zelf actief is in een protestantse kerk. Ik zie veel kaarten met religieuze teksten. Ik probeer me voor te stellen wat voor mensen deze kaarten hebben gestuurd en vraag me af of zij ook kaarten zouden sturen naar andere politieke gevangenen. Aan de ene kant is het heel ontroerend om te zien hoeveel mensen betrokken zijn bij deze zaak, aan de andere kant vraag ik me af of dezelfde mensen ook kaarten zouden sturen aan een veroordeelde vakbondsactivist in Turkije of een dienstweigeraar in Zwitserland.
Bozena vertelt dat ik de eerste buitenlander ben die haar zoon komt bezoeken sinds hij in februari vrijgekomen is.
“Het is erg belangrijk voor hem om te weten dat er mensen met zijn geval bezig zijn”, zegt ze.
Tegen elf uur voel ik de spanning stijgen. Jan kan nu elk moment komen. Hoe zou hij er uitzien? Buiten hoor ik iemand in een hoog tempo over het grind lopen. De deur gaat open, Jan komt binnen. Hij stelt voor om te gaan wandelen. Een goed idee, dan breekt de spanning.
Jan spreekt behoorlijk goed Duits. In het begin is hij nog wat gespannen, net als ik trouwens. Later zakt dit geleidelijk weg.
Terwijl we door het bos wandelen, vertel ik Jan over onze Amnesty groep. Dat er verschillende groepen in diverse landen met zijn geval bezig zijn, weet hij al. Waarschijnlijk hebben de mensen van de Zwitserse groep, die Bozena vorig jaar hebben bezocht, dit verteld. Zelf hebben we nooit geschreven dat we voor Amnesty International werken omdat dit in Tsjechoslowakije een verboden, ja zelfs ‘criminele’ organisatie is die het ‘socialisme’ zou ‘ondermijnen’. De Tsjechische autoriteiten doen dan ook hun uiterste best om de indruk te wekken dat het werk van deze organisatie geen enkele invloed op hun handelen heeft.
Ik vertel ook wie Els, Rita en Irène zijn en wat ze doen. Hij zegt dat hij zich een tijdlang heeft afgevraagd wie Els zou zijn, onder wier naam we onze brieven naar zijn moeder stuurden. Jan vertelt dat hij er zelf over heeft gedacht om met een aantal mensen als Amnesty groep te gaan werken, maar dat ze inzagen dat dit in Tsjechoslowakije niet realistisch zou zijn.
We praten verder over Jans beperkte bewegingsvrijheid. Behalve dat hij bijna geen mensen kan bezoeken, is het voor hem ook een gevoelig iets dat hij niet naar zijn eigen kerk kan gaan die in een naburig dorp staat. Tussen dat dorp en Vyskytna loopt een beek die de administratieve grens vormt tussen Zuidoost Bohemen en West Moravië; deze beek mag hij niet oversteken. Vanaf de heuvels kunnen we het volgende dorp goed zien liggen. Gek idee dat Jan daar niet heen kan gaan.
“Toch is deze situatie altijd nog oneindig veel beter dan de gevangenis”, zegt hij.
Wanneer we terug zijn voor het middageten, valt mijn oog op een boek dat ik ’s ochtends ook al had zien liggen. Het is de Tsjechische vertaling van Alexander Solzjenitsins ‘Goelag Archipel’. “Printed in Switzerland”, staat op de achterkaft.
“Dit komt vast niet uit de plaatselijke boekhandel”, zeg ik tegen Jan.
Hij glimlacht en zegt dat dit boek hem erg aanspreekt omdat hij veel van de erin beschreven situaties herkent, zoals het systematisch ondervoeden van gevangenen en het opsluiten van gewetensgevangenen samen met ‘echte’ criminelen. Ook ziet hij verschillen tussen zijn eigen gevangenistijd en de beschrijvingen van Solzjenitsin: daar wordt ook buiten de gevangenis honger geleden, wat in Tsjechoslowakije niet het geval is.
Ik begin het een en ander te begrijpen. Ik denk dat het voor Jan veel belangrijker is dat hij dit boek in zijn eigen huis kan lezen, met het risico van een huiszoeking, dan dat hij een risicoloos leven leidt door zich braaf aan de regeltjes te houden. Dit laatste zou immers een overgave betekenen aan een paranoïde systeem dat zijn eigen tegenstanders creëert door mensen met een zekere eigenzinnigheid bij voorbaat als onaangepast en dus gevaarlijk te beschouwen.
 
 
Jan met zijn moeder
 
straatje in Praag
     
Ik denk aan Jans activiteiten voor zijn arrestatie: het ondertekenen van Charta ’77, zijn lidmaatschap van VONS (organisatie voor de verdediging van ten onrechte vervolgden), het discussiëren over filosofische en theologische onderwerpen, het in huis hebben van boeken als 'Haalt de Sovjetunie 1984'. Goed voor drie jaar gevangenis en twee jaar politietoezicht.
Ik vertel dat ik onderweg ben naar Polen en vraag hem hoe hij denkt over de huidige situatie daar. Jan vindt dat de Polen het ook nu nog stukken beter hebben dan de Tsjechen als het gaat om het openlijk kunnen uiten van hun ongenoegen. Via radiozender ‘The voice of America’ heeft hij gehoord dat de meesten van de gevangen Poolse vakbondsleiders zijn vrijgelaten.
“Wordt hier ook veel geluisterd naar de West-Duitse en Oostenrijkse radio?”, vraag ik.
“Dat gebeurt wel, maar die zijn voor de Tsjechen moeilijker te volgen omdat alles in het Duits is. De Voice of America zendt uit in diverse Midden-Europese talen.”
Ik vraag of Jan niet liever naar Duitstalige zenders zou willen luisteren vanwege een evenwichtiger berichtgeving. Ik verdenk de speciaal op Oost Europa gerichte zenders van een nogal eenzijdige pro-Amerikaanse berichtgeving. Jan zegt niet de indruk te hebben dat de ‘Voice of America’ propagandistisch is. Toch heb ik mijn twijfels; het is immers aantrekkelijk om nieuws dat je graag hoort als waarheid te beschouwen.
’s Middags lopen we naar de beek die de grens vormt van het district waarin Vyskytna ligt. Heel even steken we over, om twintig meter verder weer een andere weg in te slaan, terug naar Vyskytna. Ik vraag me af wat er zou zijn gebeurd als een agent zou hebben gezien dat Jan enkele seconden in verboden gebied gelopen had. Wellicht niks, misschien een hoop gedonder. Ik vermoed dat het Jan net zo koud laat als de waarschuwingsborden voor het militaire oefenterrein mij een paar dagen geleden lieten. Toch blijft het spannend.
Jan vraagt mij over de bedoelingen van de Nederlandse vredesbeweging. Ik vertel hem er het een en ander over. Hij blijkt er nogal negatief over te denken.
“In een artikel van een Franse auteur heb ik gelezen dat veel bewegingen in het hedendaagse West-Europa te vergelijken zijn met bewegingen in de jaren dertig, toen velen dachten dat de nazi’s niet echt van plan waren een oorlog te gaan voeren”, zegt Jan.
Ik probeer uit te leggen dat de vredesbeweging niet is gegroeid omdat we de Russen ineens zo aardig zijn gaan vinden maar omdat we de Amerikanen niet meer vertrouwen met hun haast onbegrensde geloof in hun militaire macht en waanideeën om een beperkte kernoorlog in Europa te gaan voeren. Jan werpt tegen dat de harde Amerikaanse lijn wel resultaat heeft.
“Wat voor resultaat dan?”, vraag ik.
“Dat Polen geen tweede Afghanistan is geworden.”
Ik denk dat dat eerder aan de Polen zelf te danken is, die zich met alle mogelijke middelen tegen een Russische inval zouden hebben verzet. Daar zitten ze in Moskou niet op te wachten, één Afghanistan is genoeg. Overigens zouden de Amerikanen een Russisch ingrijpen met beide handen hebben aangegrepen als propagandamiddel, maar verder zouden de Polen het zelf op hebben moeten knappen, net als de Tsjechen in 1968 en de Hongaren in 1956.
“De Afghanen krijgen toch Amerikaanse steun?”, sputtert Jan tegen.
“Ik heb gelezen dat de Afghanen voornamelijk Russische wapens gebruiken die ze buitgemaakt hebben en dat ze verder meer steun hebben aan Allah dan aan Reagan. De Amerikanen hebben immers geen belang bij een snelle beëindiging van de oorlog in Afghanistan. Ze zien maar al te graag dat het Rode Leger net zo hopeloos verstrikt raakt in deze oorlog als zijzelf destijds in Vietnam”, zeg ik.
Ik vertel Jan dat ik niet inzie hoe je met de huidige confrontatiepolitiek een einde kunt maken aan de onderdrukking in Oost-Europa. Amerikaanse raketten worden beantwoord met Russische raketten en niet met diep berouw van het Kremlin over de wijze waarop de Sovjet Unie met haar naaste buurlanden omspringt.
“Voor de vredesbeweging zal het wel onontkoombaar zijn het hoofd te buigen over de vraag hoe je de Russen uit onder andere Tsjechoslowakije wegkrijgt zonder in een oorlog verzeild te raken”, zeg ik. Jan zwijgt, ik denk dat hij ook geen pasklare oplossing voor dit vraagstuk heeft. Zijn positieve houding ten opzicht van de Amerikaanse politiek is begrijpelijk na alles wat hij ondergaan heeft. Ook zullen de uitzendingen van de ‘Voice of America’ zijn zienswijze wel hebben beïnvloed. Zelf zegt hij dat in de Tsjechische pers de West-Europese vredesbeweging erg opgehemeld wordt, wat natuurlijk ook een reden tot wantrouwen is.
Ik herinner me een discussie in de Volkskrant tussen onder andere Ed Nijpels en Jan Minckiewicz, die Solidarnosc in Nederland vertegenwoordigt. Deze Pool legde uit dat oppositiebewegingen in Oost-Europa weinig opschieten met de huidige confrontatiepolitiek van de NAVO. Ik speel met de gedachte om dit artikel een keer in het Duits vertalen en via een koerier naar Jan door te spelen. Het contact tussen de West-Europese vredesbewegingen en de Oost-Europese oppositie is minimaal en daarin moet verandering komen.
Na de middagwandeling geef ik Jan het geld van Amnesty. Ik heb niet gezegd hoeveel het is, ik vond het vervelend om erover te praten. Wel heb ik hem gevraagd of hij nog financiële problemen had als gevolg van zijn gevangenisstraf. In Tsjechoslowakije is het namelijk gebruikelijk dat veroordeelden de kosten van hun straf terugbetalen aan de staat.
Jan vertelt dat hij tijdens zijn gevangenisstraf met het verrichten van werk de kosten kon dekken en dat hij zelfs nog zestienhonderd kronen had weten te sparen. Ik reken uit dat dit volgens de toeristenkoers ongeveer vierhonderd gulden is, volgens de handelskoers amper honderdveertig gulden. Hier is dat een half maandloon.
“Ik ken genoeg mensen die na hun straftijd in geldnood zijn gekomen”, zegt Jan. “Zelf heb ik het er betrekkelijk gunstig afgebracht.”
De tijd dringt. Om vier uur vertrekt de bus naar Praag. Ik maak een foto van Jan en Bozena. Wanneer we afscheid nemen, zie ik aan Jans gezicht dat hij een brok in zijn keel heeft. Ook mij heeft deze dag niet onberoerd gelaten. Ik bijt op mijn lip en stap in de bus.
’s Avonds vraag Miroslav of ik veel met jan heb kunnen bepraten.
“Je zult wel gemerkt hebben dat het probleem met Jan meer psychisch is dan financieel”, zegt hij.
Na het eten en een comfortabel bad schrijf ik de brieven die ik voor andere mensen meegenomen heb. Eén brief vertaal ik in het Duits. De andere heeft Marjan uit Diemen in het Frans vertaald voordat ik wegging. De tekst hiervan was zo gewijzigd dat deze door kon gaan voor een brief aan mij van een Franse vriendin. Toch is het overschrijven en corrigeren nog een hele klus. Miroslav zal de post verzenden.
 
Karelsbrug in Praag
 
datum van naar
afstand
 
overnachting
23-07-84 Praag Sklarska Poręba 125 km wild slapen in bos
 
Op weg naar Polen
Ik neem afscheid van Miroslav en zijn vrouw en doorkruis nog eenmaal de stad met zijn vele torens en bruggen. Tot ziens Praag, dat het weer gauw lente mag worden in je parken, straten en huizen…
Het is een fijn gevoel om weer te fietsen. De golf van indrukken en emoties van de laatste dagen is uitputtend geweest. Rust en ruimte om me heen zijn meer dan welkom. De frisse wind, koele naaldwouden en dromerige dorpjes geven genoeg energie om de honderdvijftig kilometer naar de grens te fietsen.
Eén keer wordt de rust verstoord als een lange colonne soldaten voorbijkomt. Tientallen legertrucks passeren, volgeladen met hele jonge Russische jongens, de meesten zullen niet veel ouder zijn dan achttien jaar. Kortgeknipte hoofden, strakke blikken. Een enkeling speelt gitaar. Niemand zingt of praat. Ze wachten af waar ze heen zullen gaan en wat er zal gebeuren. Ze wachten af tot ze weer terug mogen keren in Moskou, Kiev, Moermansk of Irkoetsk.
 
winkels op het Tsjechische platteland

Beren en wolven
’s Avonds laat bereik ik de grens. Tsjechische en Poolse douanekantoren staan broederlijk naast elkaar, blijkbaar gebouwd in de tijd dat het nog koek en ei was tussen de twee landen. Ik denk aan het verhaal van Miroslav over een wandelroute die over de grens liep. Zowel Polen als Tsjechen konden zonder grensoverschrijding hierover lopen. Daarom heette dit het ‘pad van de Pools-Tsjechische vriendschap’. Enkele jaren geleden is de grens echter stevig vergrendeld. Het voetpad is nu afgesloten; Tsjechen en Polen kunnen niet meer zonder een zeer lange mars langs vele instituten elkaars landen bezoeken.
Het is tegen middernacht wanneer ik Polen binnenrij. Het is aardedonker. Slechts de toppen van de hoge naaldbomen zijn zichtbaar in het vage schijnsel van de heldere sterrenhemel. Het licht van mijn koplamp is net genoeg om op het allerlaatste moment de kuilen in het wegdek te ontwijken. Na een kwartier fietsen wordt het dichte naaldwoud even onderbroken door een open plek. Ik zet mijn fiets tegen een boom, leg mijn matje in het gras, rol mijn slaapzak uit en val als een blok in slaap. Later zal een Pool mij vertellen dat er nog enkele beren en wolven leven in dit uitgestrekte bergland en dat er vorig jaar nog een koe is verslonden…
 
datum van naar
afstand
 
overnachting
24-07-84 Sklarska Poręba Wrocław 160 km camping
 
blik op het Reuzengebergte vanuit Polen
marktplein in Jelenia Góra
rij voor winkel
overal zie je kinderen op straat
 
Slag om Arnhem
Ik word vroeg wakker. Het is ijzig koud. Dat krijg je als je op zevenhonderd meter hoogte zonder tent in het gras gaat liggen! Uitgeslapen voel ik me niet, maar het idee dat ik alleen de slaapzak hoef op te rollen en dat ik de eerste twintig kilometer constant bergafwaarts kan rijden, geeft me de moed om ’s ochtends om half zeven met een nuchtere maag en loden benen op mijn fiets te springen.
Na enkele uren bereik ik de eerste stad van enige omvang: Jelenia Góra. Daar valt mijn oog op een kraampje met vers fruit, het eerste van de vele stalletjes die ik nog tegen zal komen. De verkoper vraagt wat ik wil hebben.
“Nie rozumiem”, zeg ik en wijs op de appels en kersen. Een klant naast mij begint in het Duits te praten en biedt zich aan als tolk. Ik zeg hem waar ik vandaan kom en waar ik heen wil gaan. De man vertelt me dat hij in de oorlog in Nederland is geweest en de slag om Arnhem heeft meegemaakt. Hij leert me enkele nuttige Poolse uitdrukkingen goed uit te spreken en adviseert me een Poolse reisgenote te zoeken die me meer Pools kan leren. Dit lijkt me een uitstekend idee: ik zal uitkijken naar een Poolse fietsster!
De fruitverkoper vind het best amusant en geeft me nog eens een kilo tomaten en aardbeien mee. Verrast door zoveel hulpvaardigheid ga ik op het marktplein op mijn gemak genieten van het verse fruit en de levendige taferelen die deze stad biedt.
Op de stoepen rond het plein handelen vrouwen in verse groenten, kleding en kunstvoorwerpen. Een paard trekt een wagen, volgeladen met kolen en drie mannen met beroete hoofden op de bok. Lange rijen mensen staan buiten te wachten om vlees, drank of ijs te kopen; en overal zie je spelende kinderen, veel meer dan in Tsjechoslowakije.
Wanner ik terugloop, zie ik een man voorovergebogen naar mijn fiets staan kijken. Dat zal nog vaker gebeuren: driedelige kettingbladen zie je in Nederland al niet veel, in Polen helemaal niet.
 
mijn fiets trekt aandacht
 
 
wegwijzer in Jelenia Góra
 
autobahn uit het Derde Rijk

Pools platteland
 
Wrocław
Ik fiets verder naar Wrocław, de grootste stad van Silezië, dat tot 1945 een deel van Duitsland was. Wrocław heette toen Breslau en werd tot het bittere einde verdedigd door de nazi’s, ook nadat het Rode Leger het omringende gebied allang in bezit had genomen. Het resultaat was dat van deze stad niet veel meer dan een smeulende puinhoop overbleef.
Dat dit gebied nog maar veertig jaar Pools is, is alleen te zien aan de oudere huizen, die groter en statiger zijn dan de naoorlogse woningen. Veel oude huizen zijn hier verwaarloosd, sommige staan leeg of zelfs op instorten. Het onderhoud is blijkbaar niet op te brengen door de huidige bewoners. Ook uit de Duitse tijd komt de autobahn die Breslau ooit met Berlijn verbond. Veel verkeer komt er nu niet langs; in alle rust fiets ik tien kilometer over het verwaarloosde beton uit de jaren dertig.
Het platteland is hier heerlijk chaotisch. Kippen, ganzen, geiten, katten, honden en kinderen lopen af en aan over de met paardenstront bedekte keienwegen. Af en toe wordt de rust verstoord door een langsdenderende paardenkar of autobus: dan vlucht alles de berm in om na een korte tijd van luid gekakel, geschreeuw en gefladder weer tevoorschijn te komen uit de zich snel oplossende wolken van stof en veren.
’s Avonds bereik ik Wrocław: een grote stad met eindeloos veel grauwe hoge woonblokken en overal opgebroken straten en wegomleggingen. Na lang zoeken en voortdurend balanceren tussen kuilen en tramrails in de schaars verlichte straten vind ik de camping. Tot mijn verwondering heb ik deze dag weer honderdzestig kilometer gefietst. Moe van zoveel indrukken en kilometers op een dag zoek ik een plekje voor mijn tent.
 
 
in de straten van Wrocław
 
Dzjips
Als ik mijn tent op wil zetten, komt een man naar me toe. Hij vraagt iets in het Pools.
“Nie rozumiem”, zeg ik, waarna hij doorgaat met het afsteken van zijn verhaal, rijkelijk aangevuld met gebaren. Hoewel ik er niks van versta, begrijp ik dat het een vreemd verhaal moet zijn. De man maakt me duidelijk dat hij een plekje zoekt om te slapen. Ik doe alsof ik hem niet begrijp.
Na een tijdje komen enkele jongens naar me toe die het hele tafereeltje hebben gadegeslagen. Een van hen spreekt Engels en legt uit dat deze man graag een plekje in mijn tent wil hebben. Ik voel er weinig voor om weer een nacht slecht te slapen en zeg dat mijn tent te klein is voor twee mensen plus mijn bagage. Gezien de lichaamsomvang van de dakloze Pool moet dit toch een overtuigend argument zijn. Bovendien heeft hij een deken bij zich en is het droog weer, zodat hij best wel buiten kan slapen.
De man probeert me te vermurwen met een fles wodka, de enige bagage – naast de deken – die hij bij zich heeft. Ik wil niet al te bot zijn en neem een klein teugje.
“Dziękuje”, zeg ik.
“Hij is geen Pool”, zegt een van de jongens onmiddellijk.
“Wat is hij dan wel?” De jongens proberen het uit te leggen.
“Hij is een, hoe heet zoiets, hij is een…dzjips.”
“Ah, you mean a gipsy?”

De man blijkt inderdaad een zigeuner te zijn. Voor een Pool kan een zigeuner geen Pool zijn, ook al is het iemand die in Polen geboren en getogen is.
De tipsy gipsy loopt verder naar een andere tent. De deken hangt over zijn rechterschouder en in zijn linkerhand bungelt de fles. Wanneer ik wil gaan slapen, komt hij nog een keer langs, maar ik laat me niet vermurwen. Dan rolt hij zich in zijn deken en gaat naast mijn fiets liggen. Toch wel een beetje zielig. Maar als ik even later het gerochel en gezaag van de slapende dzjips hoor, ben ik dolblij met mijn bescheiden dubbeldaks geluidswalletje!

 
datum van naar
afstand
 
overnachting
25-07-84 Wrocław Milizc 65 km wild kamperen
 
 
bossen en vakwerkkerk bij Milicz
 
Winkelen
Winkelen in Polen is een onvergetelijke ervaring! Wanneer ik in Wrocław boodschappen ga doen, is een winkelcentrum gauw gevonden: niet de gebruikelijke reclameborden en neonletters maar lange rijen wachtende mensen met tassen in hun handen. Snel kom ik erachter dat succesvol winkelen hier moet voldoen aan twee voorwaarden: je moet beslist geen haast hebben en van tevoren bepalen wat je wilt kopen, dan lukt het wel.
Tot mijn opluchting zijn de langste rijen hier voor vleeswaren, die heb ik niet nodig. De op een na langste rij is meestal voor de drank. Voor veel Polen lijkt een uur lang in de rij staan minder erg dan een weekend zonder wodka. Veel korter is de rij voor zuivel. Een stuk kaas is in tien minuten gekocht. Melk kun je meestal zelf pakken, boter is echter op de bon. Meestal koop ik op reis geen boter omdat het de neiging heeft mijn hele hebben en houden met een ranzige laag jus te bedekken. Nu er dan eindelijk eens zo’n koude zomer is dat boter zich met een kaasschaaf in plakjes laat snijden, zit ik natuurlijk in Polen!
Brood is er volop. Hier heb ik zelfs compacte rechthoekige bruine broden gezien die sprekend lijken op het brood van Hartog, mijn favoriete bakker. Diep ontroerd geniet ik van een dikke snee van dit brood met een dikke laag heerlijk stinkende Poolse kaas erop.
Dan probeer ik de Poolse karnemelk, of wat daar voor door moet gaan. Dit is een drabje dat er uitziet als kots met watten erin, ongeveer zoals de mislukte kwarkcreaties die ik wel eens maak. Bij de kassa hadden ze me nog met afwijzende gebaren gewaarschuwd, maar mijn nieuwsgierigheid was groter dan mijn visuele afkeer. Ik heb het geweten! Na een gulzige slok wringt het zure bocht zich bijtend door mijn keel. Urggh! Toch staat het elke dag in de Poolse winkels. Zouden de schappen hier nooit worden leeggehaald?
Verder getuigen de verpakkingen hier van een groot improvisatietalent. Als de witte flessen op zijn, gaat de melk gewoon in bruine flessen, zijn de doppen op of stuk, dan worden de flessen zonder dop verkocht. Teksten op pakken zijn sober en alleen in het Pools, dus is het lastig te doorgronden wat erin zit. Gelukkig is een op de tien verpakkingen zo beschadigd, dat de inhoud spontaan naar buiten komt. In veel winkels moet je echter zeggen wat je hebben wilt. Mlèko, chleb, ser, miód, herbatniki (melk, brood, kaas, honing, biscuitjes), na een paar dagen kan ik het dromen.
Na alle verhalen over de kommer en kwel in Polen die je bij ons hoort, vind ik het meevallen. In Roemenië was het twee jaar terug veel erger: daar kon je geen melk en kaas krijgen en was het soms moeilijk om aan brood te komen. Over Roemenië hoor je echter niet veel, blijkbaar ligt dat al te ver van ons bed.
 
datum van naar
afstand
 
overnachting
26-07-84 Milizc Powídz 155 km camping
 
versierde graven
 
rails met keien en aftands treintje
kaart met exportlanden voor fabriek
 
Wojtyla’s paradijs
Polen is heel anders dan Tsjechoslowakije. Naar het noorden toe wordt het land steeds vlakker en weidser; bergen en heuvels maken plaats voor brede, traag stromende rivieren en uitgestrekte meren.
Opvallend zijn de ontelbare beelden en monumenten in dit land. Mariabeelden, kruizen en oorlogsmonumenten worden hier zorgvuldig onderhouden en steeds van verse bloemenkransen voorzien. Begraafplaatsen springen in het oog door de vele grote blinkende grafstenen met allerlei soorten kruizen erop, omringd door bloemen. Mariabeeldjes worden versierd met slingers in allerlei kleuren. Op kerken prijken levensgrote portretten van Wojtyla, de legendarische Poolse paus die in zijn geboorteland de populariteit geniet van een levende heilige: daar kunnen Marx en Lenin niet aan tippen!
Meer dan in andere landen lijkt het Poolse leven zich op straat af te spelen. Ruzies worden zonder schroom met volumerijke woordenstromen op de stoep uitgevochten. Ook gokpartijen met kaarten en geld schuwen de buitenlucht niet, om maar te zwijgen van de eindeloze klachtenstroom over de grote oosterbuur, die men graag kwijt wil aan een fietsende buitenlander; ik heb werkelijk geen goed woord gehoord over die arme Russen.
Daar hebben ze het dan ook wel naar gemaakt. Behalve de al eeuwenoude vijandschap tussen Polen en Rusland, die al bestond in de tijd dat Catharina de Grote het initiatief nam om Polen te verdelen onder Rusland, Duitsland en Oostenrijk, zijn er nog minstens drie redenen waarom de Polen lak hebben aan de ‘eeuwige onverbrekelijke socialistische vriendschap met de USSR’, zoals dat hier officieel heet.
De eerste is het verdrag dat in 1939 werd gesloten tussen Duitsland en Rusland, waarbij Polen opnieuw verdeeld werd. De tweede is de ontdekking door de Duitsers in 1943 van een massagraf met duizenden omgebrachte Poolse officieren. Dit verklaarde waarom zo weinig Poolse militairen die in 1939 naar het oosten waren gevlucht voor de overwinnende Duitsers, door de Russen waren vrijgelaten. De derde reden is de houding van de Sovjet Unie tegenover de opstand van Warschau. In de zomer van 1944, toen het Rode Leger al vlakbij Warschau stond, brak in deze stad een opstand uit tegen de Duitsers. Het verzet dat deze opstand had ontketend, steunde de niet-communistische Poolse regering in ballingschap. Stalin had dit ook in de gaten en liet het Rode Leger toezien hoe de Duitsers de opstand na twee maanden strijd wisten te onderdrukken.
De officiële geschiedenisboeken zullen het hier wel anders uitleggen, maar er zijn gebeurtenissen die niet opgeschreven hoeven te worden om generaties lang in het geheugen van de Polen te blijven zitten.
 
datum van naar
afstand
 
overnachting
27-07-84 Powídz Swiecie 155 km wild kamperen in berm
 
brug over de Wisla in Toruń
Hanzestad Toruń
 
 
winkelstraat in Toruń

Thee
Op een avond vind ik een bankje op een sfeervol pleintje. Ik ga zitten om wat te eten. Terwijl ik brood aan het snijden ben, komt een oude vrouw op me af. In haar ene hand draagt ze een kopje en een suikerpot, in de andere een pot thee. Ze had me vanuit haar huis zien zitten en dacht dat ik vast wel trek zou hebben in een warme kop thee!
Terwijl ze naast me zit vertelt ze dat ze tweeëntachtig jaar oud is, maar af en toe nog fietst in de omgeving. Vroeger heeft ze lange tochten gemaakt.
“Toen ik je zag zitten, dacht ik: daar zit een collega”, vertelt ze in het Duits.
Ik besef dat ik nu dan toch een Poolse fietsster heb gevonden! Even lijkt de dubbele generatiekloof te vervagen als ze vertelt over haar jeugd in de ‘kaiserzeit’. Wanneer ze met de lege theepot terug naar huis loopt, bedenk ik een tikkeltje weemoedig dat ik in zekere zin zestig jaar te laat ben gekomen.

 
reflectie in regenplas
schemering
 
datum van naar
afstand
 
overnachting
28-07-84 Swiecie Sztum 115 km wild kamperen
 
brug over Wisla
stuwwal langs de Wisla
vervallen boerderij
 
datum van naar
afstand
 
overnachting
29-07-84 Sztum Gdansk 80 km camping
Gdansk
Achttien dagen na mijn vertrek uit Amsterdam rij ik Gdansk binnen, mijn voorlopige eindbestemming en een van de meest roemruchte steden in Polen. Ooit was hier het centrum van de Oostzeehandel, later was Gdansk een twistappel tussen Duitsers en Polen en de allereerste stad die door de Tweede Wereldoorlog getroffen werd. Na de oorlog was Gdansk het centrum van arbeidersverzet en de geboorteplaats van Solidarnosc.
In de binnenstad word ik getroffen door de gelijkenis met Amsterdam. Zeventiende-eeuwse koopmanshuizen, die na de oorlog weer zijn hersteld, staan rond het grote plein voor het statige stadhuis. Het plein is zwart van de toeristen, dagjesmensen en zeelieden, die kijken naar de schitterende gevels, luisteren naar de straatmuzikanten of zoeken naar andere geneugten die ze in de vele hoeken en gaten van de stad hopen te vinden. Hier lopen dezelfde overjarige hippies rond die je op het Damrak ziet, ook een enkele punker ontbreekt niet. Louche figuren spreken me zachtjes aan: niet of ik hasj wil kopen, maar of ik wil ‘tauschen’. Overal kun je schilderijen van oude en nieuwe stadsgezichten kopen, een portret laten tekenen of de toekomst laten voorspellen. “The answer my friend, is blowin’ in the wind”, galmt het ijl van onder een poort. Heb ik daar nu tweeduizend kilometer voor gefietst?
Toch is ook direct duidelijk dat dit Polen is. Het ontbreken van grote warenhuizen en fel verlichte winkelstraten, de rijen in de sobere voedselwinkels, de gammele trams die naar troosteloze buitenwijken rijden, waar de bij ons zo verguisde betonblokken uit de jaren zestig nog in grote aantallen uit de grond worden gestampt, de kolenboer die een lading antraciet open en bloot voor de huizen van zijn klanten deponeert: het lijkt of de klok meer dan dertig jaar is teruggezet, maar het is Polen anno 1984.
Karakteristiek is de groentemarkt met de aangrenzende overdekte markt. Buiten wordt volop gehandeld in verse groenten, fruit, vlees, kruiden en paddestoelen met de meest grillige vormen. In de hallen zijn waren te koop die je nergens anders kunt krijgen, zoals jeans, chocola en zuidvruchten. Een spijkerbroek kost zesduizend zloty, dat is volgens de toeristenkoers rond de tweehonderd gulden. Voor een kilo rozijnen moet je vijftig gulden neertellen. Zelfs een pak echte Nederlandse hagelslag kun je hier voor ongeveer een tientje krijgen!
Voor het eerst zie ik nu ook af en toe mensen met bepakte racefietsen voorbij gaan. De meesten komen uit West-Duitsland, zoals bijna alle buitenlanders hier: Oost-Duitsers, Tsjechen en Russen mogen immers niet naar Polen reizen. Voor de Polen zelf is de fiets als transportmiddel voor een vakantie niet populair. Toch zie ik ook Polen op snelle fietsen rijden en heb ik ook fietstassen gezien. Ik denk dat een fietsvakantie hier nog wordt beschouwd als iets voor armoedzaaiers en masochisten.
Zo sprak ik laatst een Pool die dacht dat ik achttien jaar oud was. Zo jong zie ik er toch niet meer uit? Ik begreep zijn gedachtegang wel: iemand die de vijfentwintig is gepasseerd, hoort in Polen achter een kinderwagen te lopen en in West-Europa op z’n minst te dromen van een mercedes voor de deur.

 
hanzestad Gdansk
 
datum van naar
afstand
 
overnachting
30-07-84 Gdansk Sztutowo 50 km vrijwilligerskamp Sztutowo
 
Sztutowo
Ik blijf in de buurt van Gdansk om vrijwilligerswerk te doen met een internationale groep, begeleid door enkele Poolse jongeren. Ook dit is een wonderlijke ervaring.
De locatie is Sztutowo, bij een voormalig concentratiekamp uit de Tweede Wereldoorlog dat nu een museum is. De Poolse begeleiders wijzen ons de weg naar het strand, regelen uitstapjes, vertellen hoe zij hun leven in Polen ervaren en zorgen ervoor dat ’s avonds bij het kampvuur de wodka rijkelijk vloeit. Zij doen dit vrijwilligerswerk in de hoop dat ze een uitreisvisum krijgen voor een gelijksoortig project in het buitenland, bij voorkeur in West-Europa. Voor mij is het een manier om meer van dit land te ontdekken en interessante mensen te ontmoeten, wat diepgaander dan tijdens het fietsen.
Het is de bedoeling dat we het terrein van het voormalige concentratiekamp helpen opknappen. Zo geschiedt. Een paar weken lang zijn we bijna dagelijks aan het schoffelen, wieden of vegen rond de barakken van het kamp. Daarnaast verdiepen we ons in de gruwelijke historie van deze plek.
 
datum van naar
afstand
 
overnachting
30-07-84 Gdansk Sztutowo 30 km vrijwilligerskamp Sztutowo
13-08-84 Sztutowo Gdansk 60 km camping
 
markt in Gdansk
 
gedenksteen op Solidarnosc monument
 
Solidarnosc
Twee weken later wil ik in de haven van Gdansk een ticket kopen voor de boot naar Travemünde. Ik krijg te horen dat dit nu niet kan: op maandag worden alleen kaartjes voor de boot naar Zweden verkocht. Woensdagmiddag moet ik maar terugkomen. Ik hoop dat het woensdag wel zal lukken en gebruik de resterende tijd om nog meer rond te kijken in Gdansk.
Op de Plac Solidarnosci staat pal voor de ingang van de Leninwerf een gigantisch monument dat gemaakt is van scheepsonderdelen. Er zijn beeltenissen van dokwerkers op aangebracht en tal van inscripties met steeds weer de jaartallen 1970 en 1980.
In 1981 werd dit monument door de vakbond Solidariteit opgericht. Het herinnert aan de slachtoffers die zijn gevallen bij het bloedig neerslaan van het arbeidersoproer in 1970 en aan de oprichting van Solidariteit in 1980. Op talloze plekken is het vignet van deze inmiddels verboden vakbond duidelijk te zien. Overal rond het monument liggen verse bloemen. Sommige mensen staan hier even stil voor een schietgebedje.
Waar ter wereld vind je zo’n groot monument voor een illegale organisatie? Het is niet de enige tegenstrijdigheid die hier geduld wordt. Zo kun je nu in alle postkantoren een postzegel kopen met daarop vermeld: Olympische Spelen 1984, Los Angeles. En dat terwijl Polen deze spelen boycot!
Navraag leert dat de zegel al gedrukt was toen Polen van de Russen niet meer naar de Olympische Spelen mocht gaan. Moskou heeft echter niks gezegd over de postzegel, zodat die gewoon uitgegeven kan worden. In andere landen van het Warschau Pact zou zoiets niet kunnen, maar in Polen haalt men de schouders op. Het regime heeft hier toch allang geen enkele geloofwaardigheid meer.
Tegen de avond dromt een grote menigte samen in en om de Mariakerk, de grootste kerk van de stad. Ik krijg te horen dat de bisschop van Gdansk gisteren is overleden en dat op dit moment een rouwplechtigheid begint. De kerk is te klein om de duizenden belangstellenden binnen te kunnen laten, waardoor velen de mis volgen voor de openstaande zijdeuren van het kolossale bouwwerk.
Na het aanhoren van een redevoering begint de enorme menigte ineens luidkeels te zingen, de wijde omgeving vullend met een indrukwekkende galm, gevolgd door een droefgeestig ‘amen’, waarna de een na de ander knielend voorover bukt.
Een mengeling van nieuwsgierigheid en verlegenheid met de situatie heeft zich van mij meester gemaakt. Voor het eerst in mijn leven maak ik van dichtbij een kerkdienst mee, en wat voor een! Aan de ene kant voel ik dat wat hier gaande is, te vreemd voor mij is om aan mee te kunnen doen, aan de andere kant wil ik ook niemand kwetsen door onverschillig rechtop tussen de knielende mensen te blijven staan, ook al is het buiten op straat. Ik trek me terug naar een groepje mensen dat het hele gebeuren belangstellend maar toch enigszins afstandelijk volgt.
 
haven van Gdansk
 
Im Westen nichts neues
Woensdag koop ik zonder problemen een bootkaartje voor tweehonderd Duitse mark, een bedrag dat ik in Polen nog niet had uitgegeven. Van Gdansk naar Travemünde is dan ook een heel stuk verder dan bijvoorbeeld van Hoek van Holland naar Harwich.
Met gemengde gevoelens staar ik naar de steeds kleiner wordende torens en kranen van de stad, tot de laatste glimp van de kust samen met de zon achter de horizon is verdwenen. Dag Polen…
Op de boot praat ik met Helmut, die ik ’s middags bij de veerhaven heb ontmoet. Ook hij heeft in Polen gefietst.
De meeste passagiers op de boot zijn West-Duitsers. Helmut vertelt me dat hij al gesprekken heeft opgevangen over de ‘dreckigkeit’ van de Poolse hotels. Een Duitse vrijwilliger in Sztutowo had me al verteld dat veel Duitsers hier niet komen uit belangstelling voor Polen, maar om hun oude ‘heimat’ in het voormalige Oost-Pruisen, Silezië of Pommeren te bezoeken en vervolgens terug te keren met verhalen over de puinhoop die de Polen ervan gemaakt hebben. Vaak hebben ze landkaarten van deze gebieden met de oude Duitse namen erop. Een ander verschil met Poolse kaarten is dat de voormalige concentratiekampen er niet op staan.
Ook op deze boot zitten zulke ‘heimatfahrer’. Ik hoor hoe een luidruchtige familie de wijnglazen heft onder het roepen van “Ostpreussen heil!” Hier op open zee durven ze dat weer.
De volgende dag is de kust van de DDR te zien. Ik kan niet wennen aan het idee dat ik deze bootreis moet maken omdat ik niet langs die kust mag fietsen. Stel je voor dat je een boot van Vlissingen naar Duinkerke moest nemen omdat je niet door België zou mogen fietsen! Stilletjes koester ik de wens dat Oost-Duitsland ooit nog eens bij Polen wordt gevoegd: dan kan ik via de kortste weg naar Gdansk fietsen. Als de Polen dan ook nog de Sovjet Unie erbij nemen, is het een peuleschil geworden om over land naar het verre oosten te reizen!
In Travemünde neem ik afscheid van Helmut, die terugreist naar zijn dorp in het Zwarte Woud. Zelf heb ik nog een week fietsen voor de boeg, dus rij ik snel naar Lübeck, de eerste westerse stad sinds vier weken.
Hier zie ik weer mensen in dure kleren en grote auto’s. Iedereen lijkt hier wel haast te hebben. Ik loop een warenhuis binnen met kleurrijke reclame. Ik zie rekken vol met tientallen soorten deodorants, drank, zoutjes, minicomputers, walkmans en videospelers. Het doet pijn aan mijn ogen. Ik koop een reepje chocola en loop weer naar buiten.
 
datum van naar
afstand
 
overnachting
16-08-84 Travemünde Schönberg
  55 km
wild kamperen in weiland
17-08-84 Schönberg Wohnste an der Aue
110 km
wild kamperen
18-08-84 Wohnste an der Aue Bremen
 65 km
logeren bij een deelnemer aan Sztutowo
20-08-84 Bremen Altjührden
100 km
wild kamperen in bos
21-08-84 Altjührden Emden
90 km
wild slapen op bankje in park
22-08-84 Emden Groningen
95 km
logeren bij Paul Keemink
23-08-84 Groningen Petten
185 km
wild kamperen in de duinen
24-08-84 Petten Velsen Zuid
55 km
logeren bij mijn ouders
25-08-84 Velsen Zuid Diemen
35 km