info      

 

HET KONINKRIJK LESOTHO 

fietsen op het dak van Zuidelijk Afrika   

op weg van Leribe naar de Mafika Lisiu Pass
 

De tocht
Circa 500 kilometer fietsen in een week, onderdeel van een veel langere tocht door Zuidelijk Afrika. Pittige etappes over hoge bergen en wegen van zeer wisselende kwaliteit.

Overnachten
Wildkamperen en bij mensen thuis.

Beste tijd
In de laagste delen van Lesotho kan de temperatuur variëren van 30 graden op een hete middag in januari tot enkele graden onder nul in een koude winternacht in juli. Overdag wordt het 's winters door de overvloedige zonneschijn vaak nog tegen de 20 graden. In de bergen kan het echter streng vriezen. Alleen in Lesotho kun je een Afrikaans dorp onder een pak sneeuw aantreffen! Van alle neerslag valt 85% in de warme maanden van oktober tot april, vaak in de vorm van fikse onweersbuien.

Uitrusting
Een stevige fiets met dikke banden en een bergverzet. Neem reserveonderdelen mee. In Maseru zijn bij een sportzaak fietsonderdelen te krijgen, maar veel keuze is er niet.

Eten en drinken
In de meeste dorpen zijn winkels waar je eten en drinken kunt kopen. De meeste mensen in Lesotho eten tweemaal per dag gekookt maismeel met een spinazie-achtige groentendrab. Hier kun je uren op fietsen.

Overige informatie
Zie http://lesotho.startpagina.nl/.

 
 

Ruig, verrassend en exotisch. Dat is Lesotho, een bergachtig koninkrijk in het uiterste zuiden van Afrika. Verticale afstanden tellen er zwaarder dan horizontale. Mensen zijn er kleurrijk en eigenzinnig. Echt een land voor avonturiers die alpien reisgenot willen combineren met Afrikaans temperament.

Langzaam win ik terrein op het steile grindpad dat naar de top moet leiden. Ik sta op de pedalen. Even komt mijn fiets nog vooruit, maar een paar tellen later slipt het achterwiel over de losse kiezels. Ik sta stil en hap naar lucht.
Ver beneden mij zie ik de laatste buitenwijk van Phuthaditjhaba liggen. Veel daken van golfplaten, daartussen moestuintjes en autowrakken. Ik hoor een verre knalpot en verwaaid kindergeschreeuw. Ik haal weer adem en klim verder. Trappend, lopend, duwend. Ik wil vooruit, de grens met Lesotho over.
"Lea kae? Where going?" Beneden in het dal wilde iedereen weten waar ik heenging.
"To Butha Buthe."
"It's too far!"

Ver is het zeker, maar ik voel er niks voor om toch maar een makkelijker route te kiezen. Wanneer even later een busje me met brullende motor inhaalt, weet ik het zeker: als die bus het haalt, haal ik het ook, al moet ik op de gure Monantsapas de nacht doorbrengen.
Na nog een uur klimmen bereik ik het hoogste punt, waar een eenzame douanier de paspoorten van passanten voorziet van stempels.
"Dumela Ntate" (Goedendag vader) groet ik in het Sesotho.
De man zwijgt, zet een stempel en laat de grens op een kier staan.

 
Lift, lift!
Aan de kant van de weg zit een groepje reizigers, dat net in het passerende busje zat, in dekens gehuld op een lift te wachten. Het busje ging niet verder dan de grens. Enkele vrouwen maken zich geen illusies, zetten hun bagage op het hoofd en gaan te voet verder.
"Lift, lift!", roepen ze lachend als ik voorbijfiets.
Het pad wordt nog smaller, slechter en steiler, maar het gaat nu wel naar beneden. Het afdalen is een bloedstollende sensatie: met afgeknepen adem, ploppende oren en mijn vingers krampachtig om de remhendels hots ik zigzaggend tussen kuilen en keien over de smalle weg. Beneden doemen de eerste huisjes op. Langs de weg staat een oude caravan met customs erop geschreven. Ik neem aan dat ik hier weer een stempel moet halen. Ik loop enkele malen om de caravan heen, er is niemand. Aan een paar dorpelingen vraag ik of zij weten waar ik de grensbewaker kan vinden.
 
vrouwen gaan te voet verder met de bagage op het hoofd
"Hij is vast een biertje gaan halen en zal voorlopig wel niet terugkomen", is het antwoord.
Er is geen twijfel meer mogelijk: ik ben in Lesotho!
 
   
Glibberig basalt
Zwoegend en zwetend, maar ook genietend van het landschap trap en duw ik mijn fiets nog een dik uur over los gruis, puntige keien en glibberig basalt, door natte en droge rivierbeddingen. Dit is nog steeds de weg naar Butha Buthe, weet iedereen me te verzekeren. Toch snapt niemand waarom ik een zwaarbepakte fiets met me meesleep.
In het volgende dorp wordt me een lift aangeboden. In eerste instantie wimpel ik hem af, maar de chauffeur zet door.
"Butha Buthe is nog ver. Dat haal je vandaag niet meer op de fiets."
Daar heeft hij gelijk in. Maar hoe wil hij mijn fiets dan meenemen? Zijn wagen is al volgeladen met kratten en flessen en daar zitten ook nog eens drie vrouwen op.
"Leg je fiets maar boven op de kratten."
De bestuurder grijnst en de vrouwen kijken me met een dronken blik aan. Tegen zoveel vriendelijkheid wil ik geen nee zegge
n.

op weg naar Butha Buthe

Zatte mengelmoes

Even later zit ik met mijn fiets en de drie vrouwen boven op de kratten in de hevig schuddende wagen. In elk dorp stoppen we bij een bottle store, waar volle flessen bier voor lege worden verruild. Er komen steeds meer lifters bij. Als de laadbak te vol wordt, wil de chauffeur dat ik naast hem in de cabine kom zitten.
Wanneer in het volgende dorp een chief mee moet rijden, moet ik mijn plaats aan hem afstaan. Zodra het dorpshoofd zijn bestemming heeft bereikt, mag ik weer naast de bestuurder zitten totdat een mooie jonge vrouw wordt opgepikt die mijn plaats weer inneemt. Ik vind het best: het comfort van de cabine haalt het niet bij de gezelligheid achter op de wagen, waar de kratten en mijn fiets inmiddels zijn bedolven onder een tiental passagiers.
Op het randje van de laadbak zit een man die ons in een zatte mengelmoes van Sesotho, Engels en Afrikaans heftig gebarend toebralt. Een vrouw staart me minutenlang glazig aan en mompelt dan: "I want to be your wife." De anderen zwaaien en zingen. De nog resterende flessen bier gaan van hand tot hand, inclusief die van de chauffeur, die desondanks zijn wagen feilloos door de haarspeldbochten en rivierbeddingen manoeuvreert. Welkom in Lesotho!
 

achterop de wagen is het erg gezellig
   
Kakelen, mekkeren, blaffen
Kort voor zonsondergang bereiken we de asfaltweg. De bierwagen gaat linksaf de bergen in, ik fiets nog een uur door naar Butha Buthe. Vandaar is het nog 120 kilometer over asfalt naar de hoofdstad Maseru. Deze weg heb ik drie jaar geleden al gereden. Ik heb geen haast en kies voor een lange omweg door de Maluti Mountains.
Met een comfortabele wind in de rug rij ik door een golvende hoogvlakte met uitzicht op de donkere contouren van het gebergte. Het stijgen duurt steeds langer, het dalen steeds korter. Overal liggen kleine dorpen met kleurrijke bewoners en eigenaardige rituelen. Het kakelen, mekkeren, blaffen en loeien van de dieren wordt telkens onderbroken door geroep van mensen die willen weten waar ik heen ga.
 

kleurrijke bewoners met eigenaardige rituelen
 
Blinkend asfalt
Plotseling zijn er geen dorpen meer en gaat de weg steil omhoog. Volgens mijn kaart zou dit een grindweg moeten zijn, maar zover mijn oog reikt zie ik blinkend nieuw asfalt. Ik volg een pas gereedgekomen weg naar een stuwdammenproject in de bergen. Dit project moet voorkomen dat Johannesburg in de toekomst zonder water komt te zitten. Of de Basotho, de bewoners van Lesotho, er veel mee op zullen schieten, zal de tijd moeten leren. Lesotho zal straks flink wat elektriciteit kunnen opwekken, maar ook veel landbouwgrond kwijtraken, waar nu al niet genoeg van is. Ook zal er veel minder water door de Senqu rivier gaan stromen.
Denkend over verleden en toekomst probeer ik de realiteit van mijn eigen heden te relativeren. Die realiteit is een vier uur durende stijging van pakweg 1000 meter.
Mafika Lisiu Pass 3090 meter, vermeldt een gloednieuw bord op het hoogste punt. Ik werp een korte blik in het dal waar ik vandaan ben gekomen. Een ijzige wind fluit door de hoogspanningskabels en motiveert me om snel de afdaling in te zetten, terug naar de warmte, terug naar het echte Lesotho.
 
Kwetsbaarheid
Het nieuwe wegdek is zo perfect dat er weinig reden is om vaart te minderen. Ik lever me volledig over aan de zwaartekracht en haal moeiteloos enkele overbeladen, stevig remmende minibusjes in. Ik rij 60, 70 en heel even zelfs 78 kilometer per uur totdat enkele scherpe bochten me weer herinneren aan mijn eigen kwetsbaarheid. Ik minder vaart en laat mijn fiets behendig tussen bikkelharde rotswanden en gapende afgronden door de bochten zoeven.
Dichtbij de plek waar de eerste stuwdam gebouwd wordt, ligt een gloednieuw dorp voor degenen die hier een goede baan hebben gevonden, voornamelijk ingenieurs en bouwopzichters. De meesten zijn blanke Zuidafrikanen en Europeanen, naast een handvol goed opgeleide zwarte Afrikanen. Rondom dit keurige dorp schieten in hoog tempo zelfgebouwde huisjes uit de grond van werkloze Basotho die hier hun geluk zoeken.
De asfaltweg gaat niet verder dan de dam in aanbouw. Van hier naar Maseru is het nog een dag of drie fietsen over grind, modder en kapotgereden teer langs rivieren, over bergpassen en door dorpen vol met ronde, van natuursteen gebouwde rondavels (huisjes). Hoog is de Mokhoabongpas (2860 meter), berucht is de Modimo Nthuse (God help me) pas.
 

dorpen vol met ronde, van natuursteen gebouwde rondavels
 


vrouwen doen de was in de beek
 
Papa en moroho
Meter voor meter win ik terrein op de steile hellingen, nauwelijks sneller dan een andere reiziger die vlak achter me met een paard en vijf bepakte ezels dezelfde route aflegt.
In een van de dorpen wenkt een groepje vrouwen me. Ze hebben net de was gedaan in een beekje en gaan nu lunchen. Een pan wordt doorgegeven, iedereen pakt er wat papa (gekookt maïsmeel) uit en kneed daarvan een substantie waarmee moroho (gekookte groente) opgepakt kan worden zonder de vingers te branden. Onder goedkeurende blikken volg ik hun voorbeeld. Om de kelen te spoelen, doet een oud motorolieblik gevuld met traditioneel gebrouwen bier de ronde. Mijn gebrekkige kennis van het Sesotho wordt tijdens de lunch snel opgefrist en aangevuld. In Lesotho is vooral het groeten belangrijk. Wil je niet voor domme toerist, of nog erger, voor botte Zuid-Afrikaanse Boer worden aangezien, dan moet je fatsoenlijk kunnen groeten in de landstaal.
 
Go home!
 

De zon zakt weg achter de bergen. Een horde kinderen rent sinds het laatste dorp met me mee omhoog. Het wordt tijd om ze kwijt te raken en een plek te vinden waar ik kan overnachten. Ik sta stil, keer me om en roep streng: "Go home!" Tot mijn eigen verbazing gaan alle kinderen braaf terug. Helemaal boven zet ik in alle rust mijn tent op.
Na de Mokhoabongpas slingert de route zich op eenzame hoogte over de bergkammen, waarlangs een gure wind donkere wolken en slierten regen jaagt, afgewisseld door felle strepen zonlicht. Robuuste rotspartijen, geelgroene velden, drabbige moerassen en frisse stroompjes in diepe donga's (erosiegeulen) lijken er hier al eeuwen zo bij te liggen. Alleen de vele weggeworpen bierblikjes langs de weg getuigen van snelle consumptiedrift in dit verder slechts door schapen en geiten vertrapte bergland.
 

in alle rust zet ik mijn tent op
 

een gure wind jaagt donkere wolken en slierten regen over de bergen
 
Sweeeeeeeeets!!
Twee in dekens gehulde herders lopen zwijgend voorbij, even later gevolgd door de bus uit Thaba Tseka en de auto van een Oostenrijkse handelaar in dekens, die mij vertelt dat hij al meer dan vijftig maal deze route heeft gereden, maar hier nog nooit een fietser heeft gezien.
Vlak voor de volgende pas staan twee meisjes langs de weg nieuwsgierig naar me te kijken.
"Dumelang boaussi" (Goedendag zusters), groet ik.
"E", is het gebruikelijke antwoord, en enkele ogenblikken later: "Give me some sweets!"
"Give me some sweets!", klinkt het nogmaals, nadat ik op het eerste verzoek niet ben ingegaan.
"Ha dio" (Heb ik niet), zeg ik en fiets rustig verder tegen de steeds steiler wordende helling op. Een van de meisjes begint met stenen te gooien.
"Give me some sweets!!", roept ze me vanuit de verte nog een keer na.
Wanneer ik al honderden meters gestegen ben en na een scherpe bocht weer even in het gezichtsveld van de meisjes kom, word ik nog eenmaal vanuit de diepte toegeschreeuwd.
"Sweeeeeeeeets!!!", echoot het tegen de rotswanden.
 
Vodje papier
Een felle hagelbui barst los wanneer ik het dorp Mantsonyane binnenrijd. Haastig zoek ik een goed heenkomen onder de veranda van een winkeltje. Ik koop wat voedsel en raak in gesprek met een jonge vrouw die op een winkel past. Zij is druk bezig met het haar van een meisje dat onder de toonbank zit. Klanten zijn er niet.
"Dat ziet er mooi uit", zeg ik.
De vrouw lacht. "Dit is mijn zusje", zegt ze.
Ik wil een foto maken.
"Wacht even, we zijn bijna klaar."
Even later staan de zussen op de foto. Ik krijg een vodje papier met hun adres. Het regent niet meer, maar ik heb nog geen zin om verder te fietsen. De oudste van het tweetal kijkt me verlegen en tegelijkertijd onweerstaanbaar aan.
"Ik heet Alphoncina", zegt ze. "Ik wil je wat vragen. Zou ik in jouw huis kunnen werken?"
"Maar je hebt toch deze winkel?"
"De winkel is niet van mij. Mijn oom is de eigenaar. Verder is hier niks te doen."
Ze kijkt me vragend aan. Een leuke black beauty die weg wil uit dit verlaten gat voordat ze misschien moet trouwen met een mijnwerker die eens per jaar thuiskomt en een grote kans loopt om te bezwijken aan aids, waar de mensen hier geen raad mee weten.
"Ik woon hier heel erg ver vandaan en ben niet rijk genoeg om een vrouw te onderhouden", stel ik haar teleur.
Even is het stil. Dan kijkt ze me weer indringend aan.
"Ik heb een ander voorstel", zegt ze. "Wat zou je ervan vinden als ik jou een kind geef. Dan heb ik tenminste iets om aan jou herinnerd te worden."
Wat bedoelt ze? Dat ik een kind van haar meeneem? Maar ze wil juist iets om aan mij herinnerd te worden. Dan moet het kind dus nog verwekt worden??
Ik wil geen kind maar ze heeft me wel te pakken. Mijn afrofilie gaat me weer parten spelen. Drie jaar geleden heb ik al een tijdje samengewoond met Buang in Maseru. Ik had me voorgenomen het ditmaal niet zover te laten komen en nu word ik weer ingepalmd door Alphoncina.
 

Alphoncina met haar zusje
 
Alphoncina
Het is gestopt met regenen. "Ik moet weer verder. Maar ik kom wel weer een keer terug", zeg ik, laf om de hete brei heen draaiend. Maar zo makkelijk kom ik hier niet weg. "Ik loop een stukje met je mee", zegt Alphoncina. "Wacht even, dan haal ik mijn andere zus ook."
De zon breekt weer door de wolken en doet slierten damp van de natte velden de lucht in gaan als we met z'n drieën het dorp uitlopen, Alphoncina, haar zus en ik met mijn fiets aan de hand. We zeggen niet veel. Na twee kilometer besluit Alphoncina dat ze niet verder gaat. "Heb je nagedacht over mijn voorstel?", vraagt ze nog een keer. Ze is bloedserieus. "Ik weet niet of het kind wel gelukkig zou zijn. Maar ik zal je niet vergeten en de foto opsturen.
Dan heb je ook iets om aan mij herinnerd te worden. Sala hantle aussi!
(Het ga je goed zuster)"
Met een mengeling van spijt en opluchting rij ik naar de volgende pas. Langzaam zakken de huisjes van Mantsonyane achter de horizon. Het is nog twee dagen rijden naar Maseru.

 
(In een iets andere vorm eerder verschenen in Op Pad , december 1996)