'Opa vertelt', Brits- en Iers logboek uit 1979
 

In mijn archief vond ik een oud schrift waarin ik een van mijn eerste fietsvakanties heb beschreven. Op de kaft is een sticker van Milieudefensie te zien, met de tekst 'Zonne energie maak er werk van'. Toen al. Op mijn fiets had ik toen vast en zeker een 'Atoomenergie? Nee bedankt' stickertje geplakt. Die zag je toen overal, ook - of misschien wel vooral - op lelijke eenden en stinkende kampeerbusjes (van het type dat nu - maar dan zonder atoomenergiesticker - nog bij 'Boer zoekt vrouw' wordt ingezet). Onder de sticker staat 'Brits en Iers logboek, 10 juli - 15 augustus 1979'.

 
 
Wanneer ik het schrift opensla, komt er een routekaart tevoorschijn.
 

 

Op de eerste bladzij begint mijn logboek, maar op de binnenkant van de kaft staat ook een verhaal.
 
 
'Het stille leed van 3000 afgezwoegde kilometers, slechts getroost door de gedachte dat dit alles eens een bron van stil leedvermaak zal zijn, bedolven door nog zoveel andere herinneringen aan die 5 lange weken in de zomer van 1979: vastzittende schakels in de ketting, omlaagglijdende derailleurhendels, gebroken spaken, kabelbevestiging van de handrem gebroken, binnenband gesmolten, loszittende derailleurveer, slinger in voorkettingwielen, bevestiging van de voorbagagedrager gebroken, bobbel in buitenband, dwarsspijltjes van de achterbagagedrager gebroken, slinger in het achterwiel, gebroken crankspie, gebroken achteras, derailleurspanning niet goed meer, uitgerafelde derailleurkabel, gescheurde binnenband, totaal verwoeste derailleur en vele lekke banden.

En wat er nodig was om dit alles te verhelpen:
Schroevedraaiers, kombinatietang, reservespaken, boutjes, moertjes, ringetjes, reservebinnenband, een nippelsleutel, steek- en ringsleutels, een Engelse sleutel, touw, reservekabels, een stuk van een oude buitenband, een oude binnenband, een nieuwe crankspie, fietsenmakers, naald en draad, een bestelwagen met een bestuurder die een lift wil geven, bandenlichters, solutie, plakkertjes, vindingrijkheid en oneindig veel geduld.
'

Wow! De toon is gezet. Ik lees verder en zie mijzelf als 21-jarige student op mijn één jaar oude Gazelle Tour de France over de Britse Eilanden zwalken. 'Zen en de Kunst van het Fietsonderhoud', maar ook mijn eigen 'Filosofie van de Heuvel'. Ook vond ik een doos met verbleekte en verkleurde dia's, waar met een filmscanner en beeldbewerkingssoftware toch nog aardige beelden uit te halen zijn. Geniet en huiver!

Dag 0, 10 juli 1979

Met een flinke noordwestenwind was het geen heidens karwei om naar Hoek van Holland te fietsen, hoewel ik onderweg wel een tijd in Den Haag heb rondgedoold omdat er geen touw aan die chaotische infrastructuur van zenuwslopend asfalt en koolmonoxidenevels vast te knopen was.

Zo te lezen moet Den Haag toen een levensgevaarlijke stad zijn geweest. Zelfs ademen was er riskant. Terwijl ik toch wel wat gewend was, want ik had zelf jarenlang onder de rook van de Hoogovens gewoond.

Dag 1, 11 juli 1979

De eerste kilometers was het even wennen aan de heuvels, verder was er bijzonder weinig te zien, hoewel de binnenweg van Harwich naar Manningtree zeker een mooie route is, maar ja, ik had die weg drie jaar terug ook al genomen, zodat er niets nieuws onder de achter de wolken verborgen zon was. Het grootste deel van East Anglia is vrij saai met af en toe aangename, onverwacht mooie stukken ertussen, zoals bijvoorbeeld het dorpje Kersey, waar de beek gewoon zonder brug of zoiets over de weg stroomt.

Ik was toen 21 jaar oud, had drie jaar eerder al een fietstocht vanuit Harwich gemaakt en was dus al helemaal blasé bij een tweede kennismaking met East Anglia!

 
Gedurende deze tocht begon mijn dérailleur lastig te worden: het begon met doortrappen in het zwaarste verzet, wat zich later op de dag zou uitbreiden tot het op één na zwaarste.

Mijn Gazelle Tour de France was toen precies een jaar oud en had er hooguit 3000 à 4000 km opzitten. Blijkbaar had ik verzuimd om de ketting te vervangen. Wist ik veel...

Na Newmarket begint een polderlandschap met hier en daar nog een hoge rug er doorheen, maar verder volkomen vlak, waardoor je je in Nederland zou wanen. In dit poldergebied liep het helemaal spaak met de dérailleur: de ketting ontspoorde steeds en trapte door. Hierdoor geïrriteerd, en ook al vermoeid door de korte nacht op de veerboot en de lange fietstocht, besloot ik naar Ely te gaan waar een jeugdherberg is. Bij nader inzien bleek deze alleen in de laatste week van juli en in augustus open te zijn. Dus moest ik hier ergens mijn tent gaan opzetten. Ik speelde met de gedachte om per trein naar Peterborough te gaan, waar vermoedelijk wel een camping zou zijn, terwijl ik dan bovendien het polderland achter de rug had.

Een week eerder had ik mijn allereerste tentje bij de NBBS aangeschaft, een studentenreisbureau waar ik ook mijn bootticket naar Harwich gekocht had. Dit zou dus mijn eerste nacht in deze tent worden. Ik had nog nooit wildgekampeerd.

Daarom ging ik bij het station kijken hoe duur dat zou worden. Daar zag ik twee jongens met Nederlandse fietsen uit een trein stappen. Toen ik vroeg waar ze vandaan kwamen, bleek dat ze heen en terug naar Edinburgh waren gereden en dat ze vanaf Lincoln de trein hadden genomen omdat daar de jeugdherberg vol was. Ze wilden nu in de jeugdherberg van Ely overnachten, maar ik hielp ze snel uit de droom, door ze in de gids te laten zien dat deze herberg gesloten was. Ik stelde voor dat we in mijn tent gingen slapen, desnoods ging ik buiten liggen, want het was droog weer en bovendien had ik een redelijk dikke slaapzak.

In sommige opzichten was ik toen socialer dan nu. ;-)

Even buiten Ely mochten we van een boer wel op zijn land staan, waar ook vee liep. Met wat we aan proviand hadden, hebben we een erwten-wortelen-bonen-gehakt-ananas maaltijd (voor mij de laatste niet-vegetarische maaltijd deze zomer) gemaakt. Voordat het tijd was om te gaan slapen, kwamen de koeien naar de tent toe. Het bleek dat je niet moest proberen om ze weg te jagen, want dan kwamen ze toch weer terug. Beter leek het om gewoon naar ze toe te gaan, ze over hun hoofd te aaien als ze niet achteruit gingen en ze verder maar een beetje hun gang te laten gaan totdat ze verveeld wegliepen om te gaan slapen.

 
 

Het bleek dat we - hoewel krap - met z'n drieën in mijn tent konden liggen. Ik ging toch maar niet buiten slapen omdat alles daar nat werd door de dauw. Een handige bijkomstigheid was dat Erik en Max kaarten van Noord Engeland hadden die ze kwijt wilden en die ik op de terugweg nog goed kan gebruiken.

Wat ik destijds niet heb opgeschreven, maar me nu nog goed kan herinneren, is dat een van de jongens opmerkte dat hij blij was dat we met z'n drieën in mijn tent konden slapen, maar dat het helemaal perfect zou zijn geweest als hij naast een meisje had kunnen liggen. Leuk om over te fantaseren, maar voor deze jongens en voor mijzelf vooralsnog onhaalbaar. Introverte vakantiefietsers van een jaar of 20, daar vielen meisjes toch niet op...

Dag 2, 12 juli 1979

In Ely verhelpt een fietsenmaker het probleem met de derailleur door een vastzittende schakel uit de ketting te verwijderen. Voorbij Peterborough krijg ik een doos aardbeien van een vrouw die uit Ierland komt, nadat ik haar verteld heb dat ik onderweg naar Ierland ben. En ik word helemaal lyrisch wanneer er weer heuvels komen.

Ten westen van Oakham ligt een prachtig, heuvelachtig en ongerept landschap, rijk aan bomen en heggen. Stille wegen kronkelen door kleine dorpjes over de heuvels heen de dalen in, op zo'n manier dat het lijkt alsof ze de heuvels willen strelen zonder ze aan te tasten.

Daarna maak ik de fout om dwars door Leicester te fietsen.

Volkomen anders zijn de voorsteden van Leicester: auto's, beton, grauwe huizenblokken langs eindeloze straten, geraas, stank en een gevoel van lusteloosheid en machteloosheid overvallen me dan.

Ook deze dag eindigt met een bijzondere overnachting.

's Avonds laat, even na tien uur, was ik een stukje ten westen van Leicester, waar ik met mijn fiets in de hand - want de derailleur haperde weer - naar een weiland liep te zoeken om mijn tent op te zetten. Een vrachtwagen passeerde en stopte even verder. De chauffeur vroeg of ik Frans sprak, wat ik een nogal eigenaardige vraag vond midden in Engeland, vooral omdat de chauffeur vloeiend Engels sprak. Ik antwoordde dat ik wel wat Frans sprak, maar ook Engels. Hij bleek Franse lifters te hebben, die op weg waren naar Schotland, maar nu een plek zochten om hun tent op te zetten. Ook bleek dat mijn spreekvaardigheid in het Frans bedroevend is, terwijl het Engels van de Franse lifters ook te wensen over liet.
Omdat het al behoorlijk donker was, 'kraakten' we het eerste weiland waar we langs kwamen.

Dag 3, 13 juli 1979

De volgende ochtend, vrijdag de dertiende, werden we gewekt door koeien die rond onze tenten liepen en deze belikten. Ze gingen niet weg, zodat we zelf maar weg moesten gaan, wat leidde tot een vlotte afbraak van de tenten en het inpakken van de bagage. Op een gegeven moment begon een van de koeien echter de hoes van mijn tent op te pakken, te besabbelen en er mee weg te lopen. Ik rende er achter aan, tussen de andere koeien door, waarna alle koeien het hazepad kozen en de boosdoener de hoes liet vallen, die ik vervolgens, net als mijn buitentent, schoonmaakte met wat gras en verder in de zon liet drogen.

Ook deze dag bezoek ik weer een fietsenmaker.

Deze heeft me geadviseerd om kruipolie op de ketting te smeren, die weer enkele muurvaste schakels erbij gekregen had. Ik heb toen een tijdje aan mijn fiets gesleuteld, de ketting gesmeerd met de dunste olie die ik bij me had en ook een gebroken spaak vervangen. Later ben ik verder gereden naar Ironbridge, waar de oudste ijzeren brug ter wereld staat.

 
 

In Easthope was een jeugdherberg, maar ben ik op een camping gaan staan die ik daar bij toeval aantrof.

Dag 4, 14 juli 1979

Na Ironbridge wordt het landschap schilderachtig met heuvels, diepe dalen en leuke dorpjes. Ook worden de hellingen er steil, wat tot uiting kwam in een nieuwe hapering van mijn derailleur. In Shrewsbury legde een fietsenmaker er een nieuwe ketting om, maar toen ik daarmee wegreed, liep hij er weer af. Ik ben toen een tijdje intensief gaan sleutelen. Mijn kettingbladen heb ik helemaal in- en uit elkaar gehaald en het hielp! Sinds Shrewsbury rijdt mijn fiets probleemloos, ook zijn er sindsdien geen spaken meer gebroken.

 
 

Ook heb ik in Shrewsbury veel tijd verloren aan het zoeken naar een goede kaart van Wales. Er was een winkel die Ordnance Survey kaarten met hoogtelijnen had, maar natuurlijk was die van Wales net uitverkocht, zodat ik uiteindelijk maar een kaart zonder hoogtelijnen heb aangeschaft. De volgende dag kwam ik in een onbetekenend gehucht langs een kiosk waar stapels van de kaarten lagen waar ik me in Shrewsbury te pletter naar gezocht had!
Om tien uur 's avonds bereikte ik een dorpje met een openbaar toilet met kraan en wastafel, vlakbij een speeltuintje waar ik mijn tent heb opgezet.

Dag 5, 15 juli 1979

Voor het eerst maak ik als fietser kennis met een bergpas. Met het lichtste verzet dat ik toen in Amsterdam-Oost had kunnen krijgen: 40 tanden voor en 28 achter. Pas vijf jaar later, toen de mountain bikes op de markt kwamen, zou ik een triple kettingblad met bergverzet op deze fiets zetten. Ook herinner ik me stalen velgen en witte remblokjes op mijn Gazelle. Die velgen hebben het nog 5 jaar uitgehouden. De witte remblokjes (zal wel rubber met krijt zijn geweest, net als bij witte fietsbanden) waren boterzacht en stonden garant voor een lange remweg. Als het regende, kon je er in een steile afdaling de snelheid mee reduceren tot 30 km/uur, maar om echt tot stilstand te komen had je een schaap nodig dat midden op de weg als stootblok dienst kon doen.

Op weg naar Bala passeerde ik eerst een groot stuwmeer en daarna begon het echt bergachtig te worden. Af en toe werd de weg zo steil, dat er zelfs lopend en duwend naast mijn fiets nauwelijks op te komen was. Maar deze inspanning was wel de moeite waard: na eerst door dennebossen gegaan te zijn, bereikte ik een pas waar in de verre omtrek alleen maar bergen, heide en schapen te zien waren. Dit was zo'n wonderlijk mooi gezicht, dat ik er gepicknikt heb, hoewel het koud en winderig was.
Daarna begon ik met angstaanjagende snelheid aan de afdaling. Zelfs mijn zwaarste verzet kon het niet meer bijhouden, zodat ik ongeveer 60 km/uur gereden moet hebben. Onderweg hoorde ik gerinkel van glas, maar voor ik met piepende remmen tot stilstand was gekomen, was al ik 50 meter van de plek des onheils. Ik had een van de fietstassen niet dichtgedaan, waardoor er een jampot met suiker uitgevallen was. Na het sluiten van de tas suisde ik verder de berg af richting Bala.

 
 

Na Bala ging de route weer de bergen in naar Ffestiniog, waar een jeugdherberg staat. Deze was vol, dus reed ik verder naar een camping, waar ik naast een tent met een tandem ging staan. Die bleek van Hans en Annemarie te zijn. Zij hadden hetzelfde euvel met hun ketting gehad als ik.

Dag 6, 16 juli 1979

Het dal ten zuidwesten van de Snowdon is een van de mooiste die ik gezien heb. Er zijn wel campings (bordjes maken hier reclame voor warme douches) en hotels, maar het is er niet zo kermisachtig druk als in Bala.

 
 
Na de bergen blijft Wales wel heuvelachtig, maar is de lol er toch wel gauw af. Bij Bangor stak ik bij een mooie ouderwetse brug het water over dat het eiland Anglesey van de rest van Wales scheidt. Dit eiland wordt naar het westen toe steeds woester en eenzamer. Als je er naar het oosten kijkt, zie je hoog boven alles uit het Snowdonmassief oprijzen, wat een machtig gezicht is.

Ik moet ook door het plaatsje Llanfairpwllgwyngyllgogerychwyrndrobwllllantysiliogogogoch zijn gefietst, maar dat heeft toen blijkbaar geen diepe indruk op me gemaakt.

Omstreeks half negen 's avonds bereikte ik Holyhead, waar ik de halve nacht heb moeten wachten op de boot naar Ierland. Mijn Engelse ponden begonnen op te raken, maar gelukkig kon het bootticket ook met guldens betaald worden.

Het zou nog enkele jaren duren voordat er pinautomaten kwamen. Zolang moest alles nog contant of met betaalkaarten worden afgerekend. Geld haalde ik op postkantoren met girobetaalkaarten van de Postcheque- en Girodienst, die ik had meegenomen. Dit waren toen nog ponskaarten, waar je het gewenste bedrag in vreemde valuta op moest schrijven. Vervolgens moest je die kaarten ondertekenen en daarbij ook je paspoort laten zien. Het kon weken duren voordat het opgenomen bedrag van de girorekening werd afgeschreven. Dat kwam soms goed van pas, zodat ik tot ver in de jaren negentig die betaalkaarten ben blijven gebruiken wanneer er even geen geld op mijn rekening stond. Voor een weekend moest ik altijd checken of ik nog genoeg cash bij me had, want zaterdagmiddag gingen de postkantoren al vroeg dicht om pas op maandag weer open te gaan.
Voor noodgevallen had ik altijd wat Nederlands geld bij me, dat ik voor een minder voordelige wisselkoers wel ergens kon wisselen.

Dag 7, 17 juli 1979

Omstreeks half zeven 's ochtends kwam de boot aan in Dun Laoghaire, vlak bij Dublin, waar ik heenreed om kaarten te kopen en Iers geld te halen. Tot een uur of acht was het heel rustig in Dublin. Daarna brak de verkeershel los om die dag niet meer van wijken te weten.

 
 
Het grootste deel van de dag heb ik me in Dublin rot lopen zoeken naar goede kaarten van Ierland. Uiteindelijk vond ik deze in een VVV-kantoor. Diafilmpjes zijn in Ierland - net als in Engeland - vreselijk duur. Een gewoon Agfa-rolletje, dat je in Nederland voor 13 gulden kunt krijgen, kost hier wel 20 gulden, waardoor elke aankoop van een filmpje hier steeds weer even pijn doet.

Ik was een 'arme' student die rond moest komen van een bescheiden toelage. Om een tent, boottickets en kaarten te kunnen kopen, had ik een paar weken in een ijzergieterij gewerkt. Voor de rest van de tocht had ik 300 à 400 gulden over. Om van dat budget vijf weken te kunnen fietsen, moest ik vaak wildkamperen en zo goedkoop mogelijk eten. Aangezien ik toen ook al graag foto's maakte (met een Agfa Optima; pas in 1984 zou ik met een nieuwe Minolta fatsoenlijk belichte dia's gaan schieten), at ik soms dagenlang alleen maar brood, kaas en muesli om af en toe een diafilmpje te kunnen kopen. Terrasjes met koffie en appeltaart of een biertje bij de tent kon ik me simpelweg niet veroorloven. Gelukkig miste ik dat toen niet. Bovendien kon je op het Britse en Ierse platteland toen nog geen fatsoenlijke koffie krijgen. En aangezien ik nooit lid was geworden van een studentenvereniging, had ik ook geen bier leren drinken. Ik had andere prioriteiten en genoot van mijn vrijheid.

Tegen zessen bereikte ik de jeugdherberg van Glencree, waar ik voor het eerst sinds een week weer in een bed zou slapen. Ik sprak twee meisjes die hier fietsen gehuurd hadden. Ze vertelden dat ze niet alleen bij het klimmen, maar ook bij het afdalen moesten lopen, omdat hun fietsen anders moeilijk bestuurbaar waren. Vermoedelijk gingen hun fietsen steigeren bij het snel naar beneden rijden omdat ze al hun bagage achterop hadden gedaan. Zelf heb ik mijn bagage (circa 24 kilo) gedeeltelijk boven mijn voorwiel gehangen, zodat dat wiel goed op de weg blijft liggen. Het zou zonde zijn van al die afdalingen als ik af zou stappen!

Dag 8, 18 juli 1979

Woensdag 18 juli reed ik verder door de Wicklow Mountains. Dit is een ruig en somber, maar fascinerend gebergte met bijna geen bomen, maar wel enorme veenmoerassen in de hoogvlaktes, waar de Ieren turf steken.
Ierland is trouwens een wonderlijk land. Het eerste dat opvalt is dat alle plaats- en straatnaamborden tweetalig zijn: Engels en Iers. Iers is zelfs de eerste hoofdtaal (Engels de tweede), terwijl het maar door een paar honderd duizend mensen, die voornamelijk langs de westkust wonen, gesproken wordt. De rest van de ruim drie miljoen Ieren spreekt Engels. Hoewel op scholen les in Iers gegeven wordt, spreken de meeste Ieren deze taal slecht. Het wijkt dan ook erg af van het Engels, omdat het een Keltische taal is.

Zo te zien had ik me al enigszins ingelezen voor mijn reis.

Wat (bijna) alle Ieren wel gemeen hebben, in de republiek tenminste, is dat ze katholiek zijn, en niet zoals in Nederland met kritische gemeenten en andere 'freischwebende' elementen, maar echt zo dat bijvoorbeeld echtscheiding en geboortebeperking er officieel verboden zijn, om maar te zwijgen van abortus. Gijsen zou er geen gek figuur slaan! En toch zijn de mensen er niet preuts of intolerant. Je ziet er ook niet op bijna elk kruispunt zo'n groot kruis staan als bijvoorbeeld in Limburg het geval is.

Nu moet ik toch echt lachen. Waarom concludeerde ik zo snel dat de mensen hier niet preuts of intolerant waren? En wat wist ik van Limburg, waar ik in mijn hele leven toen welgeteld twee dagen was geweest? ;-)

Ook zien de kerken er gewoon uit, en niet zoals vaak in Nederland, opgetut met smakeloze beelden en Latijnse kreten, waar ik altijd een autoritaire sfeer vanuit vind gaan.

Voor alle duidelijkheid: ik had toen nog nooit een voet in een kerk gezet.

Wel zie je veel nonnen en in de winkels geldbusjes voor de missie. Maar wat vooral opvalt, is de werkelijk onmetelijke voorraad drank die verkocht wordt: gin, whisky, guinness, bier, zelfs de kleinste kruidenier heeft er een komplete slijterij bij.
's Middags heb ik een brief naar Velsen geschreven. Om aan postzegels te komen, ben ik naar de dichtstbijzijnde grotere plaats, Arklow, gereden, waar het postkantoor net gesloten bleek te zijn. Bovendien heb ik in Ierland nergens een funktionerende postzegelautomaat gezien, zodat ik die brief pas de volgende dag kon posten, waardoor die in Velsen aankwam toen ze daar al op vakantie waren.

Ik was nog nooit vijf weken lang onafgebroken op vakantie geweest, dus verwachtten mijn ouders regelmatig post van mij. Later zou ik dat tot een minimum beperken. Op eerdere vakanties had ik nog wel eens naar huis gebeld. (Op mijn 18e hadden mijn ouders zelfs een keer naar een jeugdherberg gebeld, waarvan ze wisten dat ik er bivakkeerde. Onder het eten werd er toen geroepen dat er telefoon voor mij was. Er bleek niks aan de hand te zijn en ik schaamde me dood. Een dag later zou ik toch naar huis zijn gefietst en dat wisten ze.)
Later zou ik als dertiger enkele keren maandenlang onderweg zijn en alleen bereikbaar via een postbus in Lesotho, waar ik tussen het fietsen door af en toe vrijwilligerswerk deed. Slecht bereikbaar zijn beviel me toen prima.
Ik ben blij dat ik jong was ver voor het smartphone- en internettijdperk. Hoe kun je nu nog volwassen worden als je dagelijks met je ouders moet mailen, appen of skypen?

Die avond kampeerde ik aan het strand tussen Arklow en Gorey.

 
 
Dag 9, 19 juli 1979

De volgende dag reed ik door een heuvelachtig, Engels aandoend landschap naar New Ross, een stad aan een brede rivier, waar ik dichtbij gekampeerd heb. Achteraf gezien had ik door Zuid Ierland beter een wat noordelijker route kunnen volgen. Dan was ik langs enkele bergruggen gekomen die ik nu alleen vanuit de verte zag liggen.

 
 
Dag 10, 20 juli 1979

Over de Knockmealdown Mountains reed ik naar de jeugdherberg van Lismore. Een kleine herberg maar - anders dan in Glencree - wel met warm water. Omdat het al dagenlang winderig en koud weer was, heb ik hier hutspot gekookt. De rest van de avond heb ik met de andere herberggasten gepraat. Een van hen kwam uit de Bijlmer en fietste ook door Ierland. Verder waren er Zwitsers, een paar Duitsers en een Elzasser, die alleen liftend en lopend door Ierland reisden. Deze avond werd door iedereen Duits gesproken omdat er toch geen Engelssprekende gasten waren.

Dag 11, 21 juli 1979

Nog steeds verder fietsen naar het westen. Deze keer tot de Boggeragh Mountains. Hier heb ik op 350 meter hoogte in een veengebied gekampeerd, waar het 's avonds zo ijzig koud werd, dat ik in mijn tent friet heb gebakken en met twee truien, lange broek en sokken aan in mijn slaapzak ben gekropen.

Die slaapzak stelde niet veel voor: die had ik voor een paar tientjes bij de Kijkgrijp in IJmuiden gekocht. Een jaar later kocht ik voor een voettocht in Noorwegen een donzen slaapzak bij Loe Lap in Amsterdam.
Fietskleding had ik natuurlijk ook niet. Vermoedelijk kende ik amper het bestaan ervan, want ik deed niet aan wielrennen. Ik fietste in goedkope oude kleren: een katoenen t-shirt, een oude wollen trui die mijn moeder 20 jaar eerder had gebreid, spijkerbroek en Hemasokken. Als het koud was, had ik nog een nylon zomerjack aan. Regenkleding was eerst een zwaar zeiljack, later wat lichters uit een dumpshop.

Dag 12, 22 juli 1979

 
 
Ten westen van Cork wordt het landschap bergachtiger, ruiger en eenzamer. Bijzonder mooi was de weg van Carriganimmy naar Ballymakeery. Min of meer toevallig was ik hier beland. Ik trof het die dag, want op een gegeven moment zag ik zes Ierse ponden op de weg liggen. Ik kon toen vier dingen doen:
- het geld gewoon laten liggen, maar dan zou de volgende mazzelaar het meenemen;
- kijken of er iemand in de buurt was die een zoekende indruk maakte, wat niet het geval was;
- het geld naar het politieburo brengen. Ik zou dan eerst 10 km terug moeten fietsen en dan nog maar hopen dat de agenten niet zo korrupt waren dat ze het geld in hun eigen zak zouden steken of zo religieus dat ze het in de missiepot zouden storten om zich van blijvende hemelse bijstand te verzekeren;
- het geld zelf houden, wat ik dus ook deed.

Ik herinner me nog goed dat ik toen vond dat ik best veel geld had gevonden. Volgens de Irish Inflation Calculator zou 6 Ierse pond nu 32 euro waard zijn. Eerder schreef ik in dit logboek dat een diafilmpje in Dublin omgerekend 20 gulden kostte. Volgens deze koopkrachtvergelijker had 20 gulden in 1979 dezelfde koopkracht als 20,66 euro in 1015. Dus kon ik met de zes Ierse ponden die ik had gevonden, in Ierland toen anderhalf diafilmpje kopen.

Als kind van de jaren 70 had ik mijn eigen spellingsregels. Ik vond het onzin dat 'vacant' met een c en 'vakantie' met een k geschreven moest worden. Dus schreef ik hier 'korrupt' met een k. Ook Franse woorden, waarvan niemand meer besefte dat ze uit het Frans kwamen, had ik versimpeld: vandaar 'politieburo'. Ik ging echter niet zover als andere taalvernieuwers en bleef 'politie' schrijven i.p.v. van 'polietsie', 'antikommercieel' i.p.v. 'antiekommersjeel', 'imperialistisch' i.p.v. 'imperialisties', 'kerncentrale' i.p.v. 'kersentrale' (ik heb trouwens het stripboek 'Asterix en de Kernsentrale' nog in de boekenkast staan).

 
 

Nog dezelfde dag reed ik via een pas in de Derrynasaggart Mountains het graafschap Kerry binnen, waar ik 's avonds in de jeugdherberg van Bonane, even voorbij Kenmare, overnacht heb.

Dag 13, 23 juli 1979

's Nachts heeft het geregend. Wolkenflarden hangen nog laag bij de grond en verbergen de bergtoppen in dikke nevels. Eigenlijk is het schitterend weer: de wegen zijn nog nat, terwijl de zon af en toe wazig door de wolken gluurt. Deze nevelige sfeer maakt Ierland nog geheimzinniger. Het is zo net een landschap uit de Bommelverhalen van Marten Toonder, die trouwens zelf in Ierland woont.
Vol goede moed begin ik de pas over de Caha Mountains te beklimmen, een bergrug die de ruggegraat van een schiereiland vormt - in dit geval het middelste van de vijf schiereilanden die de zuidwestkust van Ierland zo op een enorme heksenklauw doen lijken. Deze pas is niet zo steil. Af en toe kom je door een tunnel. De langste tunnel ligt op het hoogste punt van circa 400 m, wat wel niet zo veel lijkt, maar toch echt wel flink hoog is op slechts 5 km afstand van de kust.

 
 
In de Bantry Bay is een olieopslagplaats gebouwd waar de afgelopen winter een ramp mee gebeurd is. Ook in Ierland woedt de terreur van oliemaatschappijen, E.E.G., kernenergielobby etc. In het uiterste zuidoosten van Ierland wil men een kerncentrale bouwen. Of dat gaat gebeuren, is nog de vraag. Onderweg heb ik verschillende leuzen, stickers e.d. gezien die erop wijzen dat er ook in Ierland een anti-atoombeweging is.
Hoewel de grote aanhang van de katholieke kerk in Ierland een grote gezagsgetrouwheid doet vermoeden, is niets minder waar. De Ieren hebben een lange historie van verzet tegen hun onderdrukkers. In het zuidwesten van Ierland had de (Engelse) regering het een eeuw geleden nog zwaar te verduren door rondzwervende rovers en politieke vluchtelingen die daar toen in de bergen vertoefden. Verder hadden ook de vissers en boeren lak aan Londen, net als in de rest van Ierland trouwens. Het huidige katholicisme is dan ook meer een vorm van nationalisme, om zich duidelijk te onderscheiden van de Engelsen. Het is te vergelijken met de populariteit van de kerk in Polen, wat een anti-Russische houding is. Al lijkt het me wel dat de huidige invloed van de kerk in Ierland sterk belemmerend is voor een verdere demokratisering en emancipatie.

Tot zover mijn betoog over 'De toestand in Ierland'. Ik weet nu niet meer wat mijn informatiebronnen zijn geweest. Het was de tijd van de landencomité's, van de wereldwinkels en van Mr. G.B.J. Hiltermann. Wat het katholieke Polen betreft: daar zou ik vijf jaar later gaan fietsen.

Toen ik boven op de pas aangekomen was, kwam ik tot de ontdekking dat ik mijn was bij de jeugdherberg had laten hangen. Omdat ik weinig zin had om dezelfde weg die ik met zoveel zwoegen achter me had liggen, nu alweer terug te rijden, en omdat ik enkele meisjes uit de jeugdherberg, die ik tijdens de klim voorbijgereden was, het leedvermaak dat ze zouden hebben als ze me weer terug zouden zien komen, niet gunde, ging ik aan de andere kant naar beneden, waar je een schitterend uitzicht hebt op de Bantry Bay en het volgende, in wolken gehulde, schiereiland.

 
 

Via een andere pas reed ik weer terug, maar halverwege de klim bleek de asfaltweg op te houden en begon er een grindweg die zo slecht was dat ik moest lopen. Naar beneden wilde ik echter fietsen. Daarbij moest ik verschrikkelijk hard remmen om te voorkomen dat ik over losse stenen zou vallen of schapen van de sokken zou rijden. Toen ik beneden was, had ik een lekke band en een gebroken spaak. Bovendien had ik het gevoel of mijn ingewanden door elkaar gehutst waren.
De binnenband bleek op de naad te zijn gescheurd en verder erg slap te voelen. Door het hevige remmen was de velg gloeiend heet geworden, waardoor de band te zwak was geworden om de druk van de lucht erin nog te kunnen weerstaan. Gelukkig had ik een reservebinnenband en een paar reservespaken, zodat het euvel vrij vlug verholpen was. Uiteindelijk bereikte ik de jeugdherberg waar mijn was nog hing en reed ik verder naar Kenmare en daarna linksaf, een stukje langs de 'Ring of Kerry'.
Hier werd het toerisme me toch te bar: geen enkel huis zonder 'Bed & Breakfast' bordje ervoor en meer autoverkeer dan me lief was. Bij Lackeen Point sloeg ik rechtsaf. Na eerst nog vergeefs in een bos naar een goede plek voor mijn tent gezocht te hebben, vond ik na enkele kilometers een idyllisch plekje aan een beek.

Dag 14, 24 juli 1979

24 juli, 5 uur 's ochtends. Overal jeuk en in mijn tent: mugjes, duizenden! Zo klein dat ze door het antimuggengaas van mijn tent binnen zijn gekomen. Slaapzak uit, gezicht wassen, krabben, wrijven, boeltje inpakken, vloeken, een diersoort de totale uiroeiïng toewensen, niet zo snel kunnen opbreken als je wilt omdat je steeds weer moet wrijven tegen de jeuk. Zo begon een van de weinige mooie zomerdagen in Ierland. Toen ik alles ingepakt had, reed ik in de richting van de bergen waar ik op een mugvrije plek heb ontbeten. Toen ik in een spiegeltje keek, leek het alsof ik de mazelen had. Als ik er weer aan denk, krijg ik al jeuk. Die jeuk verdween overigens na een uurtje en de bulten waren na een paar dagen verdwenen.

Ik had duidelijk nog nooit van midges gehoord ;-)

Ik reed verder dwars over het grootste schiereiland van Kerry tussen de hoogste bergen van Ierland. De hoogste top is de Carrauntoohill in de Macgillicuddy's Reeks met een hoogte van 1024 meter, die echter helemaal in de wolken zat. Zo druk als de Ring of Kerry was, zo rustig was het in de 'binnenlanden'.

 
 
Deze dag liet de derailleur weer van zich horen. De vorige dag wilde hij al niet meer in de hoogste versnelling schakelen, nu was ook de op een na zwaarste erbij gekomen. Na grondige inspectie bleek de veer niet meer vast te zitten. De schroef die de veer op z'n plaats moest houden, had ik namelijk de eerste dag in Engeland losgedraaid, in de hoop dat ik daarmee een mankement zou verhelpen; toen de schroef eenmaal loszat, was die niet meer vast te krijgen, waardoor de veer na verloop van tijd steeds meer uit zijn positie was komen te liggen.
In Killorglin ging ik naar een fietsenmaker om de schroef weer vast te laten zetten, wat hem na bijna anderhalf uur prutsen lukte. De derailleur wilde echter nog niet goed werken.
"It's gone", mopperde de fietsenmaker.
Dit was een nogal lullige situatie. De fietsenmaker was kwaad omdat hij voor niks zijn tijd had zitten verdoen, zelf was ik teleurgesteld omdat ik nog steeds niet van het gedonder af was. Ik voelde me ook niet prettig omdat ik die man lastig gevallen had, hoewel ik ook niet had kunnen voorzien dat het vastzetten van zo'n miezerig schroefje zo'n heidense klus zou worden, zonder dat het veel uithaalde.
 
 
Ik reed maar gauw verder en zag tot mijn vreugde al snel een camping. Daar heb ik weer aan de derailleur geprutst, en ja hoor: na een tijdje buigen, timmeren en forceren deed hij het met horten en stoten weer in alle verzetten!
Eigenlijk had ik niets anders gedaan dan de derailleur zo verbuigen dat hij het kleinste tandwiel weer kon pakken. Een lapmiddel dus, maar dat kon me niets meer schelen. Het voornaamste was dat ie weer funktioneerde, en dat is min of meer zo gebleven tot in Schotland. Wat niet wil zeggen dat het gedonder hiermee afgelopen was, o nee, maar dat komt later nog...

Ik fietste nog maar sinds een jaar op een 'racefiets' (dat was toen de benaming voor alles wat een derailleur en een racestuur had). Fietsreparatiecursussen had je toen nog niet. Wel had ik een jaar eerder het Prisma Fietsboek van Rob van der Plas aangeschaft, waarvan een latere versie kort en bondig door Marten Gerritsen op het Wereldfietserforum gerecenseerd is:

Gelukkig kon ik op deze reis steeds vaker een nieuwe fietsreparatie-ervaring opdoen, waarbij ik experimenten niet schuwde ;-).
Ook met mijn bepakking was ik nog lang niet uitgeëxperimenteerd.

Ondertussen had ik mijn slaapzak zo klein weten op te rollen, dat ie in het bovenvak van de achtertas paste. Mijn wandelschoenen (1), die daar eerst in zaten, rolde ik van nu af aan in het matrasje (2), dat ik met de tent achterop vastbond, waar eerst de slaapzak had gezeten (3).

(1) Fietsschoenen ging ik pas in 2004 op de ligfiets gebruiken. Voor die tijd nam ik altijd een paar sandalen en en paar wandelschoenen mee.

(2) Tot het eind van de vorige eeuw sliep ik op een flinterdun karrimatje.

(3) De slaapzak vervoerde ik in een vuilniszak.

Dit scheelde aardig wat ruimte op mijn fiets, want op de voorbagagedrager hing nu alleen nog de voortas (4) en het reparatietasje, waar de stuurtas weer tegenaan steunde.

(4) Zowel voor als achter had ik tweedelige fietstassen ('made in China': dat stond in die tijd garant voor heel goedkoop en slecht afgewerkt), vergelijkbaar met krantentassen, maar wel een stuk kleiner, lichter en rafeliger. Goede fietstassen werden toen door Karrimor gemaakt: die waren wel sterk, maar niet waterdicht. Karrimors waren losse tassen die met ijzeren haken aan de drager hingen. Een voordeel van goedkope tweedelige tassen was dat ze niet van de drager konden vallen, zeker niet als er nog een tent op het verbindingsstuk tussen de tashelften lag. Pas in 1995 zou ik gaan investeren in Karrimors, waar ik 12 jaar mee gefietst heb.

De voorbagagedrager had ik nu met touw aan het frame bevestigd omdat de aluminium bevestigingsklem gebroken was.

Pas tien jaar later zou ik de tuinslangklem ontdekken (dat was in Zuid Afrika, waar ik toen nog geen tie wraps en ducttape kon vinden).

Dag 15, 25 juli 1979

Terwijl de zon volop scheen, vertrok ik richting Dingle, een plaatsje in het westen van het gelijknamige schiereiland. Dat je in een Iers sprekend gebied rijdt, kun je zien aan de verkeersborden die aangeven dat je een voorrangsweg nadert. In de Engelstalige streken staat er 'Yield right of way' op, in de Keltische gebieden 'Geill Sli'.
Laat in de middag ben ik nog naar Slea Head gereden, het westelijkste puntje van Ierland (en van Europa als je IJsland wegdenkt) waar je met de fiets kunt komen. Deze uithoek wordt druk bezocht. Er zijn veel campings en pensions.
Zoals alle kustgebieden van Ierland is het hier ook redelijk bevolkt. Toen Ierland in de vorige eeuw door een hongersnood als gevolg van mislukte aardappeloogsten geteisterd werd, waren de kuststreken nog het best van voedsel voorzien omdat de zee hier rijk aan vis is. Dit had tot gevolg dat het grootste deel van de Ierse bevolking destijds doodging, naar de kustgebieden trok of emigreerde - of een poging deed om te emigreren, want velen stierven tijdens de boottocht naar Amerika, omdat ze met honderden tegelijk in de ruimen van de schepen als kuddes vee vervoerd werden. Nu nog is het soms zo dat men in het westen van Ierland meer kontakten heeft met de VS dan met Dublin. Er wonen immers meer (ex)Ieren buiten dan binnen Ierland. In 1840 woonden er nog 8 miljoen mensen in Ierland, nu zijn dat er (inklusief Noord Ierland) nog maar 4,5 miljoen.
Slea Head was in mistflarden gehuld. Landinwaarts trok de mist weer wat op en verscheen er een ongewoon boeiend landschap. Baaien, rotsen, weilanden omringd door stenen walletjes en kleine dorpjes wisselden elkaar af
.

 

 
Tegen half acht was ik weer in Dingle, waar ik een spontaan gevormd kampeerterrein aantrof. Een braakliggend stukje land werd door tientallen kampeerders gebruikt, allemaal jongeren die met kleine tentjes en grote rugzakken rondzeulden of op de fiets rondtrokken. Een paar honderd meter verder was een openbare kraan, waar je 's avonds mensen hun tanden zag poetsen.
Het stadje Dingle is Westterschellingachtig toeristisch. Overal ijs- en souvenirtentjes, terwijl de godganse avond luidsprekers zogenaamde folkmuziek over het plaatsje rondtetteren. Het stikt er van de buitenlanders: Fransen, Duitsers (de meeste Duitse auto's hadden een 'Atomkraft Nein Danke' sticker op de achterruit), Zwitsers, Skandinaviërs, Nederlanders en Engelsen. Toch was dit niet echt irritant, omdat het geen massatoerisme was, wat bij mij altijd gevoelens van totale vervreemding opwekt. De meeste toeristen waren, net als ik, zwervers.

Overigens was ik toen nog nooit ergens geweest waar echt massatoerisme bestond. Die 'gevoelens van totale vervreemding' waren blijkbaar ontstaan bij het zien van ansichtkaarten van Spaanse Costa's, die we wel eens van iemand hadden ontvangen ;-).

 
 

Dag 16, 26 juli 1979

Donderdag de 26e begon ik met de beklimming van de Connor Pass, de hoogste van Ierland (456 m). In de laagste versnelling (40:28) was de pas goed te beklimmen, hoewel er wel menig druppeltje zweet bij te pas kwam.

De wind zal me hier wel flink geholpen hebben. Vandaag de dag kom ik met 40 tandjes voor en 28 achter geen pas meer op, al fiets ik nog altijd graag in de bergen. Ik was toen natuurlijk wel jong en sterk. En brandmager: 60 à 65 kilo, dat is 10 kilo lichter dan nu. Wel zal mijn bepakking destijds wat meer hebben gewogen, maar zeker geen 10 kilo extra, want ik sjouwde toen geen zware spiegelreflex, iPad en gps mee. Mijn huidige slaapzak (Tatteljee met dons) en matrasje (Thermarest NeoAir) zijn nu weliswaar compacter, maar ook wat zwaarder dan de Kijkgrijpzak (waarin ik het bij tien graden boven nul al koud had) en het karrimatje (alleen comfortabel met trilveen als ondergrond). Het noktentje woog 3 kilo en mijn huidige Ortliebs zijn veel zwaarder dan de made-in-China tasjes van vederlicht rafelnylon en met kunstleren riempjes i.p.v. een zwaar ophangsysteem.

 
 
Zeldzaam boeiend waren de vergezichten. Op de top zie je twee baaien tegelijk, terwijl ver in de diepte tussen de heldergroene bergen enkele meertjes liggen.
 
 
Langs de noordkust reed ik verder naar Tralee, waar ik 's middags aankwam. Onderweg passeerde ik of werd ik gepasseerd door zwaar bepakte fietsers, waarvan de herkomst soms zonder meer duidelijk was als de bekende gele 'fijn dat ik fiets' sticker op hun fiets was geplakt.
Van Tralee ging ik door een nogal saai en tamelijk vlak gebied via Listowel naar Tarbert, waar ik de Shannon rivier over wilde steken. Even voorbij Listowel belandde ik echter op een doodlopende weg. Omdat ik geen zin had om weer helemaal terug te rijden, ging ik lopend verder door een weiland, in de ijdele hoop weer op een weg uit te komen. Ik kwam echter bij een brede sloot terecht en besloot over de dijk langs de sloot verder te gaan tot er een brug zou komen. Bij een boerderij klom ik over een hekje en belandde ik in een weiland, waar een stier liep die nogal agressief leek te zijn. Snuivend rende hij op me af, om vlak voor mijn fiets stil te blijven staan. Ik probeerde mijn fiets over een hek te tillen, maar dit was zo hoog dat ik, toen het voorwiel er al overheen was, mijn achterwiel niet verder op kon tillen, zodat mijn fiets bij de trapas op het hek stond. Tot overmaat van ramp bleek het schrikdraad te zijn: af en toe voelde ik een schok terwijl ik mijn fiets vasthield. Ik besloot toen maar onder druk van deze martelkamerachtige situatie mijn fiets weer in het weiland met de stier te zetten en daarvandaan naar de boerderij te lopen, waar de familie die daar woonde mijn bezigheden gadesloeg. Gelukkig deed de boer het toegangspoortje open, zodat ik daar niet meer overheen hoefde te klimmen. Na de bewoners enigszins uitgelegd te hebben hoe ik daar zo verzeild was geraakt (al had ik de indruk dat ze dachten met een volslagen getikte toerist te maken te hebben), fietste ik weer terug tot ik een doorgaande weg gevonden had.
Omstreeks 8 uur bereikte ik Tarbert Race, een landtong in de rivier de Shannon, waarvandaan elk uur een veerpont naar de overkant vertrekt. Ik besloot die avond niet meer over te steken, maar ter plekke mijn tent op te zetten en een gebroken spaak te vervangen. Naast mij stonden twee Franse gezinnen met kampeerwagens de nacht door te brengen, wat je wel vaker ziet in Ierland.

Ik was weer lekker bezig ;-).

Dag 17, 27 juli 1979

De volgende dag stak ik al met de eerste pont van 8 uur de Shannon over. Het beloofde een zonnige dag te worden en ik had de wind in de rug, zodat ik snel noordwaarts vorderde. Toch werd ik onderweg nog door een groepje fietsers ingehaald, maar 10 km verder zag ik ze bij een koek- en zopietentje - of hoe zoiets ook heten mag - bezig zijn om op verhaal te komen.

De koffie-met-taartpauze hoorde toen duidelijk nog niet tot mijn vaste fietstochtrituelen. Daar had ik ook geen geld voor; ik moest van minder dan een tientje per dag rond kunnen komen, inclusief overnachtingen. Twee jaar later zou ik voor het eerst met een heleboel andere fietsers de Great British Bike Ride (van John o'Groats in Schotland naar Land's End in Engeland) fietsen, en toen lieten tochtgenoten mij kennismaken met tearooms en terrassen. Pas in de jaren 90, toen ik een lange reeks kantoorbaantjes moest overleven, werd een shot cafeïne onmisbaar om goed op gang te komen.

Enkele tientallen kilometers reed ik vlak langs de kust. Angstaanjagend zijn de Cliffs of Moher, waar de rotsen 120 meter loodrecht uit de zee oprijzen en het klaaglijk gekrijs van de meeuwen met het eeuwige geklots van de golven door de steile wanden weerkaatst wordt.

 
 
Ten oosten van Lisdoonvarna ligt The Burren, een landschap waarvan ik dacht dat je naar Lapland of Siberië zou moeten reizen om het te zien. Zover het oog reikt, zie je stenen met gras ertussen. Af en toe groeit er een laag struikje.
 
 
Aan de horizon doemt vaag het grijze silhouet van een heuvelrug op. En na deze eindeloze woestenij beland je dan met enkele steile haarspeldbochten in een groen beekdal.
Na Ballyvaghan begint de kust weer met baaien, kliffen, wadden en stenen, vooral heel veel stenen. Vlak voor de jeugdherberg van Doorus reed ik verkeerd en belandde ik op een doodlopende weg. Het was hier echter zo mooi, dat ik niet meteen terugreed. Ik wist niet wat ik het eerst zou fotograferen. De traag door de vloed onderlopende slikbanken, het zwartgeteerde bootje, de drassige kwelders, de met zeewier bedekte keien en op de achtergrond de hoog boven de volgende baai oprijzende bergen in de warme gloed van de laagstaande zon. Zo ziet het eruit bij de Kinvarra Bay, terwijl er een zilte zeewierlucht hangt en je verder nog het kabbelen van de golfjes en het ruisen van de wind kunt horen. Dit is Ierland op z'n best.
 
 
Precies halverwege mijn tocht was dit een van de best wel schaarse relaxmomenten, dat ik geen kilometers aan het vreten was en ook even niet aan mijn fiets hoefde te sleutelen ;-).

Trek in een warme maaltijd, behoefte om me eindelijk weer eens goed te wassen en zin om in een bed te slapen, deden me omkeren in de richting van de jeugdherberg.

 
Dag 18, 28 juli 1979
 
 
Kinvarra: een lieflijk dorp met een oud kasteel aan een schilderachtige baai. Harde westenwind, af en toe een bui, maar ook zonnige perioden. Derailleurkabels die, ondanks een stukje rubber van een oude binnenband dat onder de hendels geklemd zit, langzaam langs het frame omlaagzakken. Geen flauw idee waar ik die avond terecht zal komen.
Zo reed ik weer verder, deze keer via Galway naar Connemara. Galway is een schizofrene stad: massa's toeristen, Bed & Breakfast tot je er ziek van wordt, druk verkeer, grote dure warenhuizen, een hoge werkloosheid en bedelende zigeuners - meestal moeders met baby's of kinderen in oude kleren, die blijkbaar het best op de liefdadigheidsinstincten van rijke toeristen weten in te spelen.
Na weer een tijd aan die verdomde hendels gezeten te hebben, reed ik verder tegen de keiharde westenwind in langs de Galway Bay. Tientallen kilometers hotels en pensions flankeren de weg die leidt naar de eindeloze ruigten van Connemara. 's Avonds zet ik mijn tent op bij Costelloe. Een jongen van een jaar of veertien komt een praatje maken: waar ik vandaan kwam, over benzineschaarste (die inderdaad goed te merken is in Ierland: heel wat tankstations zijn gesloten), koetjes en kalfjes. Uiteindelijk vraagt hij me om 2 pond voor zijn moeder om eten voor de baby te kopen. Hij blijkt bij een van de zigeunerfamilies hier in de buurt te horen.

De mensen die ik destijds 'zigeuners' noemde, zijn niet verwant aan de Roma, maar inheemse Ieren met een nomadische levensstijl, de zogenaamde Travellers. In 1986 deed ik enkele weken vrijwilligerswerk in Ierland en maakte ik de foto hieronder.

 
 
Wat ik van alles nu geloven moet, weet ik niet. Wel vind ik het vervelend om zomaar geld aan mensen weg te geven zonder te weten hoe de vork nu precies in de steel zit. Omdat ik geen zin had om daar met die jongen verder over te gaan praten - ik begreep ook wel dat hij niet voor de lol naar mijn tent was gekomen - zei ik maar dat ik haast geen Iers geld meer had en gaf ik hem wat kleingeld om er van af te zijn. Hij zal thuis wel gezegd hebben dat ik niks wilde geven en die losse muntjes versnoept hebben.

Ik had toen nog geen ervaring met bedelaars. In andere landen zou ik er later achter komen dat ze altijd veel meer vragen dan ze verwachten te krijgen. In Amsterdam ben ik destijds een paar keer in een babbeltruc gestonken (eenmaal had zo'n figuur niet door dat hij me enkele maanden eerder al met precies hetzelfde lulverhaal had benaderd: zogenaamd beroofd van zijn portemonnee en geld nodig voor een treinkaartje naar Deventer) en sindsdien weet ik bedelaars redelijk goed te ontwijken.

Dag 19, 29 juli 1979

De volgende ochtend ben ik eerst weer eens met mijn fiets bezig geweest. De derailleurhendels zakten namelijk steeds verder naar beneden. De oplossing voor dit euvel was het verplaatsen van de hendels naar de balhoofdbuis, waar ze niet af kunnen glijden omdat ze daar tegen de schuine buis rusten. Daarvoor had ik wel langere kabels nodig. Omdat ook mijn reservekabel te kort bleek te zijn, knoopte ik deze vast aan een deel van de linkerkabel, terwijl ik de oude rechterkabel als linkerkabel ging gebruiken (die hoeft namelijk minder lang te zijn, omdat de voorderailleur die hiermee bediend wordt, veel dichter bij de hendels zit dan de achterderailleur).

 
 
 
Connemara is zelfs voor Ierse begrippen uitzonderlijk woest. Dreigende bergen worden omsingeld door eindeloze veenmoerassen met duizenden meren. Er staat ook een elektriciteitscentrale die helemaal met turf gestookt wordt. De voertaal is hier Iers, zelfs de wegwijzers zijn alleen in het Iers, terwijl op mijn kaart alleen Engelse namen staan, wat natuurlijk problemen geeft. Op een kruispunt waar verschillende mensen de weg zochten, was een bejaard stel druk bezig om uit te leggen welke kant ze op moesten. Opvallend is ook dat de afstanden op deze borden in kilometers aangegeven worden in plaats van in mijlen.
Op deze kruising kwam ik een paar Duitsers tegen, met wie ik 20 km meegefietst heb. Ze zeiden dat ze fietsen gehuurd hadden. Thuis hadden ze helemaal geen fietsen, want er was daar zoveel autoverkeer dat er toch geen lol aan was om te fietsen. Ik legde hen uit dat het autorijden in Nederland en vooral in Amsterdam erg omstreden is en dat de fietsers zich steeds meer gaan verzetten tegen de autoterreur. In Duitsland lijkt men op dat gebied nog erg achter te lopen, wat ik vorig jaar ook wel heb gemerkt tijdens de Waddenfietstocht.

Deze Waddenfietstocht was een door de Waddenvereniging georganiseerde demonstratieve fietstocht die drie weken duurde. De tocht ging van Den Helder naar Esbjerg langs de Nederlandse, Duitse en Deense Waddenkust. Er waren circa honderd deelnemers die de tocht - of een deel ervan - hebben gefietst. Onderweg waren er protestacties, ontmoetingen met natuurbeschermers en toespraken van burgemeesters.

Later heeft Duitsland een flinke inhaalslag gemaakt. Het wemelt er nu van de fietspaden en fietsroutes. Terwijl er in Ierland sindsdien vooral meer auto's bij zijn gekomen...

Intussen deed mijn voorderailleur het niet meer. De linkerkabel leek niet goed meer te zijn, dus reed ik na ettelijke pogingen om er toch nog iets aan te doen, maar verder met de ketting om het kleinste voortandwiel. Bij toeval ontdekte ik ook dat er een bobbel in de buitenband van het achterwiel zat. Het ijzerdraad dat de band in vorm moest houden, bleek gebroken te zijn!

 
 

Laat in de avond bereikte ik Killary Harbour, een soort fjord die 15 km landinwaarts loopt. Ik zag bij een beek een stukje gras, waar ik mijn tent opzette. Hij stond amper overeind toen ik een lichte jeuk voelde die me akelig bekend voorkwam. En ja hoor, het was weer zover: mugjes! Al was het half tien en al flink aan het schemeren, toch brak ik razendsnel de boel weer af en ijlde verder naar Leenaun, waar ik de tent op een stukje kwelder aan de fjord neerzette. Ook al was die bezaaid met schapestront, er waren tenminste geen muggen.

Dag 20, 30 juli 1979

Toen ik wakker werd, was het licht gaan regenen. En toen ik net aan het fietsen was, kwam het water met bakken tegelijk uit de lucht. Na een uurtje brak de zon door terwijl het evengoed bleef regenen. De wind en de warmte van de zon deden alles echter sneller drogen dan dat het nat werd.
In Westport deed ik inkopen en ging ik weer aan mijn fiets prutsen. Wel onder een afdakje, want het goot inmiddels weer. Eerst een nieuwe derailleurkabel bevestigen en daarna de buitenbanden verwisselen. De band met de bobbel zat nu om het voorwiel, waardoor die minder snel sleet en tijdens het fietsen zichtbaar was.

 
 
Tussen Newport en Castlebar plensde het onafgebroken, maar door de stormachtige zuidwestenwind was het niet eens echt vervelend. Na Castlebar bleef het lange tijd tijd droog en reed ik nog enkele uren verder tot ik de jeugdherberg van Corballa bereikte. Dit was een kleine herberg zonder waterleiding. Regenwater werd van het dak opgevangen en voor dinkwater stonden er jerrycans. De herbergier was een jonge Canadees met een grote zwarte baard, die ergens een Roel-van-Duijn-achtige indruk maakte, maar de daarvoor toch onmisbare bril ontbrak. De beheerder van de vorige jeugdherberg, in Doorus bij Kinvarra, was ook een sympathiek type: een man van een jaar of 60 met een grijze baard, zonder een spoor van neiging tot autoritairiteit. Toen hij het te lastig vond om bij het betalen van de overnachting 95 pence terug te geven van 2 pond, had hij gewoon mijn leeftijdsaanduiding veranderd van 'senior' naar 'junior'; ik werd nu weer 20 in plaats van 21, zodat ik maar 80 pence hoefde te betalen en hij maar 20 pence hoefde terug te geven van een pond.

Met inflatiecorrectie en omgerekend in euro's kostte een 'senior' overnachting in deze jeugdherberg slechts 5,67 euro. Omdat ik ook vaak wildkampeerde, kon ik me dat van mijn dagelijkse budget (maximaal 10 gulden, dat zou nu neerkomen op 10,36 euro) veroorloven. Volgens de boekingssite van de Ierse jeugdherbergcentrale kost zo'n overnachting nu minstens driemaal zoveel.
Als ik nu net zo'n 'arme' student zou zijn als in 1979, zouden jeugdherbergen nu te duur voor mij worden wanneer ik net zo'n lange tocht zou gaan maken als toen. Er zijn er ook veel minder dan vroeger. De jeugdherbergen die nu nog bestaan, zullen inmiddels wel waterleiding en warme douches hebben.

Dag 21, 31 juli 1979

De volgende dag fiets ik verder noordwaarts met levendig weer: af en toe een flinke bui tussen de zonnige perioden.

 
 
In Sligo, de noordelijkste stad in de Ierse Republiek waar je met de trein kunt komen, ging ik op zoek naar een fietsenzaak om een nieuwe band te kopen.
"Een band van 28 inch? Die kun je misschien in Dublin krijgen, maar nergens anders in Ierland", werd me verteld. Ik heb een stuk van een oude buitenband tussen de binnenband en de buitenband gestopt, op de plaats waar de bobbel zat. Het hobbelde nog wel wat onder het rijden, maar toch veel minder dan toen die bobbel geen houvast had.
Ook vond ik in Sligo een kampeerartikelenzaak waar ze een dopje voor mijn tentstok hadden. Het oude dopje was namelijk gebroken.
Nu alles weer in orde was, voorlopig althans, reed ik verder, nieuwsgierig naar noordelijker streken. Op een steile rotswand was 'Brits Out' te lezen. Ook op wegen en muren zie je af en toe teksten waaruit je kunt afleiden dat de Noordierse kwestie de mensen hier behoorlijk hoog zit. En dat de Britten, wat veel Ieren betreft, beter vandaag dan morgen uit Ierland kunnen vertrekken, steken ze niet onder stoelen of banken. Ze hebben al zo veel gedonder met hun buren gehad. Je ziet ook niet erg veel Engelsen in Ierland. Toch wordt Engels geld overal aangenomen, al is het wel voor dezelfde koers als Iers geld, dat minder waard is. Tussen het wisselgeld zitten hier ook vaak Engelse munten.
Dichtbij Grange is een soort haf met een smalle duinenrij waar ik mijn tent heb neergezet. Het was rustig en af en toe zonnig weer, maar o wee, deze nacht zal me nog lang heugen!
 
 
Dag 22, 1 augustus 1979

's Nachts werd ik tussen 1 en 2 uur wakker. Het stormde en regende en ik voelde nattigheid. Een deel van mijn slaapzak lag in een plas water. Door de storm werd de buitentent tegen de binnentent aangedrukt, waardoor regenwater naar binnen sijpelde. In deze barre toestand ging ik naar buiten, waar het gelukkig even bijna droog was, om de buitentent veel strakker aan te spannen. Binnen haalde ik zo goed en zo kwaad als het ging met een pannetje en een washandje het water weg, schoof ik de slaapzak naar de droge en de bagage naar de vochtige kant van de tent. Ik ging toen maar weer slapen, maar korte tijd later was ik weer wakker met een gevoel van misselijkheid.
's Ochtends was ik behoorlijk ziek. Ik had enkele keren overgegeven en verder last van hoofd- en keelpijn. Tot een uur of elf bleef ik in de tent liggen en ik bleef me beroerd voelen. Het blijft natuurlijk gissen, maar er zijn toch wel enkele oorzaken van deze griepaanval te bedenken. De laatste dagen had het fietsen me aardig uitgeput, de avond voor de stormnacht had ik een nogal zware en vette bonensoep gegeten en bovendien water gedronken uit een beekje dat door de weilanden stroomde, waarvan maar de vraag was hoe schoon het was.
Ik had in de tent kunnen blijven liggen tot ik weer wat opgeknapt was, maar vanwege het instabiele weer en de behoefte om in een bed te slapen besloot ik om toch maar naar de dichtsbijzijnde jeugdherberg te gaan.
Buiten was het het weer opgeklaard. Na veel trager dan gewoonlijk ingepakt te hebben, begon ik aan de beroerdste fietstocht van deze vakantie naar de jeugdherberg van Donegal, toch nog altijd 60 km verder. Onderweg wist ik nog een halve liter karnemelk en een sinaasappel naar binnen te werken, maar toen ik daar 's middags weer wat van genomen had, moest ik weer overgeven. Met een lege maag ben ik toen maar verder gereden.
Om half zeven bereikte ik de jeugdherberg. Ik voelde me meteen al wat beter, maar dat zal wel psychisch zijn geweest. Toch wist ik nu zonder problemen een beker warme melk op te drinken. Om zeven uur kroop ik in bed om er niet voor negen uur 's ochtends meer uit te komen.

Hier vertoonde ik alle symptomen van een midvakantiedepressie. Na drie weken onafgebroken fietsen-sleutelen-eten-slapen-fietsen, en nog twee weken voor de boeg, zat ik in een fikse dip. Niet alleen fysiek maar ook tussen de oren. Later zou ik nog vaker 5 à 6 weken en tot drie keer toe 4 à 5 maanden op reis zijn, maar dan zou ik het egotrippen af en toe onderbreken voor vrijwilligerswerk op een van tevoren gekozen plek. Ik bivakkeerde daar dan enkele weken met een internationale groep vrijwilligers, meestal studenten of 'ratrace refugees'. Via een Nederlandse organisatie schreef ik me dan in voor een vrijwilligersproject in Ierland, Polen, Tsjechoslowakije (voor oostbloklanden kreeg ik dan gelijk een visum voor een hele maand, zonder dure valutawisselplicht) of Lesotho. Dat was een leuke manier om andere mensen iets minder oppervlakkig te leren kennen en wat van een cultuur op te snuiven. Daarna had ik dan weer veel zin om nog een flink stuk te fietsen. Solo, want anderen reisden liftend, per trein of vliegtuig. Zoals veel wereldfietsers, was ik vaak gedoemd een ietwat eenzaam priemgetal te zijn.

Dag 23, 2 augustus 1979

Toen was ik weer aardig op verhaal gekomen, hoewel ik nog wat moeite met het ontbijt had. Terwijl ik aan het inpakken was, merkte ik dat een paar Duitsers de klos waren: ze moesten de keuken schoonmaken onder leiding van de zeer kostschooldirectrice-achtige vrouw van de herbergier. Meestal is het uitvoeren van een klusje geen punt, maar als het er zo schools toegaat, is de lol er gauw vanaf. Toen de herbergbeheerder vroeg of ik al een karweitje had gedaan, zei ik maar dat ik in de keuken meegeholpen had (ik had alleen mijn eigen vaat gewassen) en ging ik er snel vandoor.
Eerst reed ik even terug naar Donegal voor boodschappen en een nieuwe crankspie, daarna ging ik verder noordwaarts naar Glenties. Ook langs deze route was er het vertrouwde beeld van bergen, weiden, hoogveen en overal schapen. Nog veel verlatener wordt het ten oosten van Glenties. Het was nu echter zulk somber weer, dat het landschap een haast troosteloze sfeer ademde.

 
 

In de buurt van Fintown wilde ik in het veen kamperen, maar daar stond zoveel water dat het een enorm moeras was. Je kon er nauwelijks lopen, laat staan een tent opzetten. Dus reed ik nog maar wat verder tot ik een heuveltje in een weiland vond waar de bodem droog was en nog niet te hard voor de tentharingen.

Dag 24, 3 augustus 1979

Op 3 augustus werd het al veel zonniger dan de vorige dag. Ik reed verder door Letterkenny naar het oosten. Daar kwam ik een meisje tegen dat ik ook al in de jeugdherberg van Corballa had gezien. Ze was nu liftend onderweg naar de jeugdherberg van Learmount Castle, waar ik ook heenging. En inderdaad, toen ik daar 's avonds arriveerde, was zij er ook.
Maar eerst had ik nog een flink stuk te fietsen. Dat viel best nog tegen: door vermoeidheid en diarree, die de hele week nog aan zou houden, werd het fietsen een dagelijkse sleur, vooral als wind en hellingen tegenwerkten, maar ook door de lange reeks van pech die deze week zou kenmerken.
Londonderry is een naargeestige stad. De westoever van de Foyle is sterk verkrot. Veel huizen staan leeg, sommige zijn ingestort, gesloopt of afgebrand. De laatste tijd is men begonnen met nieuwbouw, maar voordat deze stad er weer een beetje normaal uit gaat zien, moet er nog heel wat gebeuren. In alle grote winkelstraten staan gewapende militairen, die de stemming er niet prettiger op maken. De oostoever is ruim gebouwd, ziet er welvarend uit en heeft veel meer groen dan de westoever. Hier wonen blijkbaar de protestanten, die in Noord Ierland de dienst uitmaken.
Verder zie je overal verkiezingsaffiches, waarvan veel met het portret van de aartskonservatieve militante dominee Paisley, die met zijn aanhang van een groepje fanatieke protestanten letterlijk met alle geweld de bestaande machtsverhoudingen in Noord Ierland wil handhaven. Vaak probeert men de Noord-Ierse kwestie af te schilderen als een soort godsdienstoorlog, maar het heeft allemaal weinig te maken met godsdienst en des te meer met maatschappelijke (wan)verhoudingen. Ook zie je leuzen op de muren met reklame voor de IRA, die vaak de schuld van alles in de schoenen geschoven krijgt, hoewel terreurakties mij ook niet bevorderlijk lijken om Noord-Ierland weer leefbaar te maken.

 
 
Die avond kwam ik, zoals ik al schreef, in de jeugdherberg van Learmount Castle. Behalve het liftende meisje waren er nog een Deense jongen en wat Ierse meisjes. Zelf bleek ik de eerste Nederlander sinds maanden te zijn: het effekt van het negatieve nieuws over Noord-Ierland. Trouwens, een paar weken later had ik deze reis niet eens kunnen maken, omdat toen na een aanslag op een blijkbaar nogal belangrijke figuur uit het Britse leger de Noord-Ierse grenzen waren gesloten.

Die 'blijkbaar belangrijke figuur' was admiraal Louis Mountbatten, die al een dozijn onderscheidingen aan zijn uniform had hangen. Hij was o.a. Ridder Grootkruis in de Orde van het Bad ;-).

De Deen bleek geïnteresseerd te zijn in politiek, wat mij natuurlijk wel aansprak. Hij legde een paar Ierse meisjes uit wat er in een Deens krantje stond. Het bleek over een anarchistische groep van lesbische vrouwen te gaan. De meisjes wekten de indruk nog nooit van anarchisme en homoseksualiteit gehoord te hebben.

Ik mocht er dan wel van gehoord hebben, daar was ook alles mee gezegd. In 1979 wist ik alleen van enkele bekende Nederlanders dat ze openlijk homoseksueel waren. In mijn kennissenkring zaten die toen nog allemaal in de kast.
En anarchisme was toen ook maar een modieuze kreet, die veel door studenten (met name in Amsterdam en Nijmegen) gebruikt werd. Zelf had ik niet zoveel op met hoogdravende politieke theorieën, maar deelde ik met de verkondigers ervan wel een gevoel van afkeer tegen kleinburgerlijkheid. Dat dacht ik tenminste. Velen zouden later radicaal van standpunt veranderen, zoals Pim Fortuyn, die destijds flirtte met het marxisme en Rita Verdonk, die als student nog lid was van de PSP.

Dag 25, 4 augustus 1979

De volgende dag fietste ik via Feeny, Dungiven en Coleraine naar de Giant's Causeway. Omdat ik bijna geen Brits geld meer had, zocht ik een postkantoor. Op zaterdag zijn deze echter alleen in de ochtenduren open en in de plaatsen die ik 's ochtends nog had kunnen bereiken, waren geen postkantoren waar buitenlanders geld konden opnemen. In het eerste stadje waren ook de banken al dicht, dus moest ik van zaterdagmiddag tot maandagochtend rond zien te komen van ongeveer vier gulden. Het was tenminste redelijk weer, dus zou ik 's avonds wel ergens mijn tent opzetten.

Ik herinner me dat ik toen een weekend heb overleefd op Ryvita crackers en een stuk cheddarkaas. Ik zal ook wel koekjes of misschien een reep chocola hebben gehad. Ik was sowieso gewend om simpel te eten. Ik woonde toen pas vijf maanden niet meer bij mijn ouders en had nog weinig kookervaring.
Kort na deze tocht zou ik ontdekken wat muesli was. In Amsterdam zou ik rond 1980 mijn allereerste pizza eten (in IJmuiden bestond in de jaren 70 nog geen pizzeria, alleen een Chinees). Van alle pastasoorten kende ik toen alleen macaroni. En ik zal zeker geen broccoli met gorganzolasaus op mijn bord hebben gehad, want ook dat kende ik niet (en zal in Ierland toen ook niet verkrijgbaar zijn geweest). Er zullen ook dagen zijn geweest dat ik alleen water, brood en kaas consumeerde; of pindakaas, waarvan ik me herinner dat je die in twee smaken had, smooth en chrunchy.

 
 
Die avond bereikte ik Giant's Causeway, een klifkust met duizenden bazaltzuilen die uit de oceaan oprijzen. Ik maakte er een wandeling over een smal paadje dat vlak langs de afgrond liep. Beneden bij de zee zag ik een grasveldje en een wc met leidingwater. Ik besloot hier te overnachten en liep terug naar mijn fiets. Toen ik naar beneden wilde rijden, maakte het achterwiel abnormale slingers en liep overal aan. Het bleek dat de achteras gebroken was!
Heel langzaam reed ik toen maar naar beneden, waar ik de tent opzette. In de ruimte naast de wc's was een groepje Fransen bezig slaapzakken neer te leggen. Ze hadden geen tenten en sliepen in slaapzakken, waar ze plastic overheen trokken, in de open lucht.
 
 
Dag 26, 5 augustus 1979

Zondagochtend goot het uit de lucht. De Fransen waren met hun slaapzakken zover mogelijk het toiletgebouw ingekropen. Ik wachtte tot het in de loop van de middag droog werd, want met die kapotte achteras kon ik toch niet ver komen.

 
 
Heel voorzichtig fietste ik naar Ballycastle, 20 km verder. Daar zocht ik een jeugdherberg op. Ik wist te regelen dat ik de volgende ochtend zou betalen, nadat ik geld opgenomen had.
's Avonds werd het noodweer: zuidwester storm en onafgebroken regen. Wee degenen die nu kampeerden...

Dag 27, 6 augustus 1979

Nadat ik geld had gehaald en de jeugdherberg kon verlaten, ging ik naar de enige fietsenmaker die het stadje rijk was. Om de een of andere reden was hij niet thuis, maar zijn vrouw en zoontje waren er wel. Zoonlief zette er een nieuwe achteras in. Alles leek in orde toen ik mijn fiets weer ophaalde, al had ik wel de indruk dat de remmen aanliepen.
In het centrum van het plaatsje kwam ik een Fransman tegen die uit Schotland kwam en wist te vertellen dat het ook daar hondeweer was. Toen ik weer verder wilde rijden, leek er van alles aan het achterwiel te mankeren. Na een grondige inspektie bleek dat de kogeltjes die bij het breken van de as eruit gerold waren, niet waren vervangen en dat de ruimte tussen de as en het freewheel niet opgevuld was. Ik ging weer terug naar de fietsenmaker, legde zenuwachtig hakkelend - tot hilariteit van een paar meisjes die de winkel binnen waren gekomen - uit wat er mis was en zei dat ik het zelf wel zou repareren. Na een uurtje sleutelen had ik het wiel weer in orde gemaakt.

Engels sprak ik toen nog verre van vloeiend en ik kende sowieso niet de juiste termen voor fietsonderdelen. Gelukkig mocht ik gebruik maken van de werkplaats en het gereedschap dat daar lag. Ik had nooit eerder een achteras vervangen, maar deed al sinds mijn veertiende met wisselend succes het complete onderhoud aan de fiets die ik toen had gekregen (een Gazelle Impala met terugtraprem, zonder versnellingen), omdat ik - i.p.v. kleedgeld dat 'normale' tieners zouden krijgen - extra zakgeld had gekregen waarvan ik alle fietsreparaties, en op termijn ook een nieuwe fiets, moest kunnen betalen. (Nieuwe fietsen met versnellingen heb ik uiteindelijk dankzij vakantiebaantjes aan kunnen schaffen, want ik fietste veel meer dan mijn ouders voor mogelijk hadden gehouden en het 'fietsengeld' had ik als tiener ook nodig gehad om landkaarten en fotorolletjes te kopen.) Anders dan de bedoeling was geweest, liet ik reparaties vanaf mijn veertiende dus niet meer door de fietsenmaker uitvoeren, maar begon ik zelf aan mijn fiets te sleutelen met een bahco, een paar simpele schroevendraaiers en een goedkope tiengaatssleutel. Daarin was ik volledig autodidact en leerde ik van mijn eigen fouten. (Van mijn vader had ik destijds alleen geleerd hoe een band geplakt moest worden; hij hield meer van tuinieren en had van fietstechniek geen kaas gegeten.) Ook speling in naven had ik al eens verholpen, dus ik wist wel zo'n beetje hoe die naven in elkaar zaten.
Daardoor had ik nu veel sneller door hoe een gebroken achteras vervangen moest worden dan de zoon van de fietsenmaker in Ballycastle. Die zal later wel wat anders zijn gaan doen dan zijn vader. In de wijde omtrek van Ballycastle is vandaag de dag geen fietsenzaak meer te vinden.
Die achteras uit Ballycastle was in ieder geval beter dan het originele exemplaar van Gazelle. Ik heb er nog 5 jaar zonder problemen op gefietst (in totaal bijna 20.000 km), tot het hoog tijd werd voor een compleet nieuw achterwiel met aluminium velgen.

Ik had geen zin om weer in hetzelfde stadje te overnachten en reed daarom nog een paar uur in de regen door de bergen naar Cushendal, waar ik weer een jeugdherberg opzocht. De herbergier had zo uit een stripverhaal kunnen komen. Het was een bonkige en baardige man met een geamputeerde hand die was vervangen door een haak. Toen ik later in de keuken bezig was, kwam hij langslopen en zei "This is a clean kitchen and I want to keep it clean". Alsof ik er een puinhoop van zou maken! Om 11 uur kwam hij ook nog eens inspekteren of iedereen wel naar bed ging (terwijl er op de mannenafdeling welgeteld twee gasten waren!), wat ik wel als erg bevoogdend heb ervaren.

Dag 28, 7 augustus 1979

Maar goed, de volgende ochtend was het mooi zonnig weer en reed ik over de schitterende kustweg langs de Ierse Zee naar Larne, waar de boot naar het Schotse Stranraer zou vertrekken.

 
 
Terwijl ik daar in de haven wachtte, bleken een paar mensen belangstelling voor mijn fiets te hebben. Een van hen had een ENWB-tas bij zich. Het kon natuurlijk niet missen, het waren de eerste Nederlanders die ik in Noord-Ierland tegenkwam.

Nadat ik afscheid van Ierland had genomen, fietste ik 's avonds door het zuiden van Schotland naar de jeugdherberg van Minnigaff.

Dag 29, 8 augustus 1979

De volgende ochtend ben ik weer aan de derailleur gaan prutsen omdat die het weer niet in alle verzetten deed. Ik vermoedde dat de kabel niet goed meer was op de plek waar die aan de derailleur vastzat: hij was daar, ook door het gepruts eraan, wat gaan rafelen waardoor hij niet meer soepel door de buitenkabel gleed. Toen ik de buitenkabel wou verwijderen om te kijken of daar iets mis mee was, trok ik er wat te ruw aan, waardoor deze helemaal uit elkaar werd getrokken. Ik besloot toen maar naar een fietsenmaker in Newton Stewart te gaan. Toen ik een Schot vroeg of er een fietsenmaker in de stad was, antwoordde hij dat deze op vakantie was. De man was benieuwd waar ik zo al had gefietst en we raakten in een gesprek verwikkeld. Hij bleek vroeger wel eens in Nederland te zijn geweest. Al pratend liepen we verder tot we langs een hengelsportzaak kwamen waarvan hij de eigenaar kende, die een verwoed fietser moest zijn; misschien had hij wel een kabel. Dit bleek echter niet het geval en iemand anders die er misschien wel een zou kunnen hebben, was die dag naar een begrafenis.
De dichtsbijzijnde fietsenmaker bleek 30 km verder te wonen, op een schiereiland dat niet op mijn route lag. Ook was er eentje in Castle Douglas, 50 km verder, waar ik wel langs zou kunnen fietsen. Als ik nu de achterderailleur vastgeschroefd had op het grootste tandwiel, dan had ik met de voorderailleur nog in de twee lichtste verzetten kunnen rijden, waarmee ik door de bergen zou kunnen fietsen en zonder trappen omlaag had kunnen rijden, zodat ik binnen vier uur wel in Castle Douglas had kunnen zijn.
Maar natuurlijk was ik eigenwijs. In een vlaag van onverantwoord perfektionisme ging ik aan de derailleur prutsen totdat het mogelijk werd om zonder buitenkabel te schakelen. Dat dit nooit en te nimmer goed blijft gaan, bleek 10 km verder: door de afwijkende derailleurstand die ik kunstmatig had veroorzaakt, was het hele mechanisme langzaam maar zeker naar het wiel toegetrokken en kwam het, omdat de derailleur in gestrekte stand langer is dan de straal van de spaakbeschermer, tussen de spaken. De derailleur was nu volledig naar de knoppen en fietsen was niet meer mogelijk, omdat de ketting nu zo slap hing, dat ie van de kransjes afgleed.
Ik was al een stukje aan het lopen toen een man, die zijn auto langs de weg geparkeerd had om even te pauzeren, vroeg of er iets aan de fiets mankeerde. Toen ik alles enigszins versimpeld had uitgelegd (ik zei maar dat ik een wat ongelukkige val had gemaakt - het staat zo stom als je zegt dat je zelf je fiets hebt zitten te slopen), kwam hij met gereedschap aanzetten en gingen we tegen beter weten in samen sleutelen met de bedoeling het wiel wat naar achteren te zetten, zodat de ketting strakker zou komen te staan. Het mocht niet baten. Na veel gemor was er nog niet mee te rijden. Na enkele voorzichtige suggesties van mijn kant dat het misschien beter was om de boel maar te laten voor wat het was, raakte de man daar ook van overtuigd en gaven we het gepruts op, ook omdat het steeds harder ging regenen.
Toch is het typerend dat de mensen hier snel ergens mee helpen, ook als je er helemaal niet om vraagt. In Ierland vroegen langsrijdende mensen ook vaak of alles in orde was, wanneer ik aan de kant van de weg aan mijn fiets zat te prutsen. Wanneer je in Nederland wilt dat iemand je met iets helpt, moet je midden op de weg gaan liggen om iemand tegen te houden, en dan heb je nog kans om overreden te worden door iemand met zo'n 'Blij dat ik Rij' sticker op zijn achterruit.

Eerder kwam het hier al ter sprake: "Blij dat ik Rij" versus "Fijn dat ik Fiets" met de stickers die erbij hoorden. In 1981 maakte ik de foto hieronder tijdens een manifestatie van de Fietsersbond in Haarlem, waar je met tomaten naar een Blij-dat-ik-Rij poster kon gooien.

 
 
In de stromende regen liep ik verder door het weidse Schotland richting Castle Douglas, niet wetend wanneer ik daar ooit terecht zou komen. Maar nu had ik toch een keer geluk. Langs deze haast niet door vrachtverkeer gebruikte weg kwam een bestelwagen. De bestuurder wilde me best met mijn fiets een stuk meenemen. Ik moet zeggen dat ik ditmaal inderdaad blij was dat ik reed! De man bracht me, terwijl ik alles uitlegde, naar een sportveld in zijn woonplaats (70 km verder!), waar ik die nacht kampeerde.

Het staat niet in mijn logboek, maar ik herinner het me nog goed. Terwijl ik in de tent nieuwsgierig mijn allereerste pak granola opende, kreeg ik opeens bezoek van twee meisjes. Ze bleven voor mijn tent staan. Een van hen was nieuwsgierig en uitdagend. Ze droeg een strak hemd dat maar weinig verhulde van haar fraaie boobies, die blijkbaar gewend waren aan de koele Schotse zomer. (In mijn jonge ogen was zo'n outfit toen best wel gewaagd. Ik was nog niet zoveel gewend; in Amsterdam zag je toen nog heel wat vrouwen in een paarse tuinbroek lopen, maar ook steeds meer imitaties van Nina Hagen.)
Verwonderd, verlegen en gefascineerd moet ik haar aangekeken hebben. Ze probeerde me letterlijk en figuurlijk uit de tent te lokken met simpele vragen in haar moeilijk verstaanbare Engels met een mooi Schots accent.
"Where do you cycle on?"
Ik bleef haar zwijgend aankijken, maar daar nam ze geen genoegen mee. (Zo'n situatie waarin Jan Peter Balkenende zou zeggen: "Je kijkt zo lief").
"On roads, I suppose?", beantwoordde ze haar eigen vraag, terwijl ze me met een spottende blik aankeek.
Small talk met verleidelijke vrouwen, ik was daar niet erg handig in. Na een uitputtende pechdag was ik natuurlijk ook moe en wilde ik het liefst in mijn slaapzak kruipen. Toch bewijst het feit dat ik me deze jonge vrouw na 38 jaar nog goed kan herinneren, dat ze best wel indruk op me gemaakt moet hebben. Het had ook tragisch af kunnen lopen. Misschien ben ik die avond wel ontsnapt aan de dodelijke charmes van een baobhan sith oftewel bavanshee, een Keltische fee-vampier, die de vorm aanneemt van een beeldschone vrouw om mannen te verleiden en hun bloed te drinken...

Dag 30, 9 augustus 1979

De volgende ochtend om 8 uur kon ik met dezelfde man weer meerijden naar Dumfries, de grootste stad van de streek. Daar liet ik mijn fiets repareren door een fietsenmaakster. (Jawel, het was een vrouw. Gek eigenlijk, dat dit zo zeldzaam is: een binnenkomende klant dacht zelfs even dat ik fietsenmaker was en zij een klant.)
In korte tijd was er een nieuwe derailleur opgezet en sindsdien heb ik daar geen gehannes meer mee gehad. Eigenlijk had ik de oude derailleur veel eerder in puin moeten rijden, dan had ik heel wat minder uurtjes van de vakantie aan mijn fiets zitten te rommelen. Een derailleur is trouwens niet eens zo duur in Schotland: voor 25 à 30 gulden heb je er al een, voor een paar nieuwe banden ben je meer kwijt.
Diezelfde dag snelde ik verder naar Greenhead in Noord Engeland, vlakbij de 'Roman Wall', een muur die door de Romeinen is aangelegd en waarvan nog flinke stukken overeind staan.

Ook deze derailleur heeft nog vijf jaar zonder problemen dienst gedaan. Bij de grote verbouwing in 1984 kreeg mijn fiets een pignon van 14 tot 32 tanden, waarvoor een derailleur met een langere arm nodig was.
Met een nieuwe derailleur, een nieuwe achteras, nieuwe kabels en een nog lang niet versleten ketting kon ik nu weer lekker doorfietsen, zolang banden en spaken het uithielden. Ik had nog zes dagen over om thuis te komen.

 
 
Dag 31, 10 augustus 1979
 
 
Weer een dag later reed ik door het eenzame, uitgestrekte en door de zwaarbewolkte lucht ook sombere Penninisch Gebergte naar het zuiden tot het dorpje Ollerton, waar ik een braakliggend stukje land achter een paar huizen vond om de tent op te zetten. De boel stond net overeind, toen er uit een van de huizen een jongen tevoorschijn kwam die eens kwam kijken wat ik aan het uitspoken was. De landeigenaar (ik dacht eerst dat ik de tent op een ongebruikt stukje gemeentegrond gezet had) bleek ook in een van de huizen te wonen, en voor ik had kunnen bedenken wat me nu weer boven het hoofd zou hangen, stond deze voor mijn tent. Ik begon het een en ander uit te leggen en de man leek het allemaal wel interessant te vinden. Toen hij hoorde waar ik vandaan kwam, zei hij dat hij tien dagen terug ook in Nederland was geweest. Tot mijn verbazing kwam hij 's avonds thee brengen en de volgende ochtend weer thee met wat brood erbij. In dit soort situaties ga ik me echt wel wat verlegen voelen, omdat ik er toch vanuit ga dat het niet op prijs gesteld wordt dat je zomaar je tent op iemands terrein neerzet.

Ik zat nog in het proces van uitvinden waar je beter wel en niet kunt wildkamperen. In latere jaren werd ik wel eens bij mensen thuis uitgenodigd wanneer ik mijn tent op wilde zetten. Dan kon ik gelijk lekker douchen, maar moest ik natuurlijk ook gezellig zijn. Daar had ik na een dag fietsen niet altijd zin in, bij mensen die ik niet kende en die ik later toch nooit meer tegen zou komen. Dus zocht ik meestal een wildkampeerplekje op 'neutraal' terrein, liefst ongezien, zodat ik 's avonds in mijn tentje de maalstroom van mijn gedachten rustig weg kon laten ebben.

Dag 32, 11 augustus 1979

De dag die nu aanbrak, bracht goed weer en ik vorderde dan ook een aardig eind zuidwaarts. 's Avonds kampeerde ik op een sportveld, waar die dag toevallig ook een cirkustent stond waarin gefeest werd, zodat ik pas vrij laat in slaap viel.

 
 
Dag 33, 12 augustus 1979

De volgende dag stond weer in het teken van de pech: deze keer de banden. Een binnenband liep steeds leeg en een van de buitenbanden had een grote scheur in de zijkant gekregen, die ik met naald en draad heb dichtgenaaid. De andere buitenband was die met de bobbel, waar inmiddels een diep gat ontstaan was. Deze was op de plek waar het stukje oude buitenband onder zat, zo ruim geworden dat hij niet goed meer om de velg klemde, zodat het een heel karwei werd om hem er goed om te leggen. Ver kwam ik deze dag ook niet. In het stadje Wetherby kampeerde ik op een grasveld van een school.

Als er toen al tie-wraps hadden bestaan, had ik vast geprobeerd om de buitenband met de bobbel daarmee om de velg te sjorren. Sindsdien heb ik altijd een reserveband meegenomen en ook diverse malen nodig gehad. De slechtste banden ooit waren een paar Cordo Flevo's, die ik in 1996 binnen 500 km kaduuk reed (wel waren deze als beste koop uit een test van de Consumentenbond gekomen ;-))
In 1981 dacht ik slim te zijn door twee buitenbanden om één wiel te doen: eerst een binnenband, daarover een 28-622 band met de draad naar binnengevouwen en daaromheen nog een 32-622 band. Voordeel: geen losse reserveband achterop en een robuuste antileklaag tussen de binnenband en de buitenband. Met deze combi ben ik lekloos van Zeebrugge naar Zuid-Duitsland gereden, waar de binnenband luid sissend aan zijn einde kwam. Niet door iets scherps van buiten, maar door wrijving van de 'antileklaag' zelf: de binnenste buitenband had de binnenband simpelweg opgegeten. Ook de buitenste buitenband was al flink vervormd. Het wiel met de twee voorbanden zal vast niet lekker gerold hebben, maar dat had ik toen nog niet zo in de gaten. Vergeleken met mijn stadsbarrel was mijn Gazelle immers een snelle fiets.

Dag 34, 13 augustus 1979

Ik werd gewekt door iemand van de plansoenendienst met de lakonieke mededeling: "Ten pas six, time for breaking up!"
Een uur later had ik mijn boeltje weer ingepakt en reed ik met vrij zonnig maar broeierig weer een lange etappe door het grauwe industriegebied van de Midlands, met wonder boven wonder maar één keer een lekke band. Die avond werd de laatste keer van deze tocht dat ik in Engeland zou overnachten. In de stromende regen zette ik in de luwte van een paar bomen op een niet onder water gelopen stukje van een militair oefenterrein de tent op. Binnen maakte ik het behaaglijk warm door pannekoeken te bakken.

Dag 35, 14 augustus 1979

's Ochtends klaarde het weer op en legde ik met straffe tegenwind de laatste fietskilometers af naar Newark on Trent, waarvandaan ik per trein verder ging naar Harwich. Na een korte nacht op de boot kwam al gauw Hoek van Holland in zicht, waar ik de trein naar Amsterdam nam. Tegen elf uur was ik in Diemen. Toen ik eindelijk weer eens onder de douche stond, kon ik me er alleen nog over verwonderen dat het nog geen zes weken terug was, dat ik hier voor het laatst stond.

En hier eindigt de monstertocht die ik in 1979 maakte. Mijn Gazelle Tour de France heeft hierna nog elf jaar dienst gedaan. Wel kreeg deze fiets in 1984 nieuwe onderdelen: stevige wielen met Maxicar naven en aluminium velgen, en ook een duurzame trapas met een driedelige crankset van TA. Daarmee reed ik naar Gdansk. Ook van die tocht heb ik een reisverslag gemaakt, zie hier.

(Dit verslag staat ook op het Wereldfietserforum, met reacties van lezers erbij.)