FIETSEN IN ANDALUSIË 

  witte steden, ruige sierra's en moorse burchten
Puerto de las Palomas
 

De tocht
Van Sevilla via Granada naar Malaga: circa 900 km in 14 dagen gefietst, gespreid over 3 weken. De wegen zijn van wisselende kwaliteit in bergachtig terrein. Meestal goed te doen met een paar steile stukken. Hoogste pas: 1200 meter.

Hoogteprofiel van de gefietste route


Overnachten

(Wild)kamperen, pensions, hotels en herbergen. Campings zijn er volop langs de kust, in het binnenland zijn ze soms dun gezaaid. De tentvriendelijkheid varieert: soms is er goed zacht gras, soms alleen grind. Buiten de woongebieden, toeristenstranden en natuurgebieden kan wild gekampeerd worden. Met uitzondering van de zomermaanden vind je vaak voor weinig geld een kamer in een pension of hotelletje.

Beste tijd
Van maart tot en met mei en in oktober en november is de kans op goed fietsweer het grootst. Ook midden in de winter kan het prima weer zijn: in Sevilla ís de gemiddelde middagtemperatuur in januari 16 graden, in Granada, dat 600 meter hoger ligt, wordt het dan nog maar 11 graden. De hoogste passen kunnen in de winter door sneeuwval onberijdbaar zijn.
De zomermaanden zijn bloedheet: in Sevilla wordt het dan 35 graden, in Granada 32 graden. En dat zijn nog maar gemiddelden: 40 graden is niet uitzonderlijk! Als je 30 graden nog wel lekker vindt, zijn juni en september ook geschikte maanden.

Uitrusting
Randonneur, hybride fiets of mountain bike, uiteraard met bergverzet. Fietsenmakers zijn alleen in de grotere plaatsen, dus neem voldoende reserve onderdelen mee. Sommige sportzaken verkopen ook fietsspullen.

Eten en drinken
Er zijn voldoende winkels voor de dagelijkse behoeften en er is geen gebrek aan tapas bars en leuke restaurantjes.

Overige informatie
Zie www.wereldfietser.nl/phpbb/viewtopic.php?t=737 en http://fietsvakantie-europa.startpagina.nl.

 
 
In de hete onderbuik van Spanje is het in voor- en najaar heerlijk koel fietsen op stille binnenwegen langs sfeervolle stadjes en ruige bergruggen. Het dramatische verleden en het karakter van de mensen vormen de culturele krenten in de pap.
 
‘Daar zijn ze! Op de bagageband!!’ Net op tijd kunnen we onze fietsen grijpen voordat ze van de band vallen. Even later fietsen we de vertrekhal uit. De camping van Sevilla is maar twee kilometer verderop. Dan moet je wel over de snelweg. Liever rijden we om dan geplet te worden op de vluchtstrook. We nemen een smalle weg het land in. Asfalt wordt grind, grind wordt zand, zand wordt modder. We trekken en duwen tot de wielen blokkeren en pulken de vette klei onder de spatborden vandaan. Buiten adem en onder de blubber belanden we op een boerenerf vol blaffende honden.
‘Doorrijden is riskant’ zeg ik.
‘Teruggaan is gekkenwerk’, vindt Corrie.
Uren later bereiken we na twintig kilometer fietsen de camping, pal onder de bulderbaan van Sevilla.

Arabische invloed
Sevilla is een onweerstaanbare wirwar van straatjes, pleinen en parken rond de Giralda - vroeger een Moorse minaret, inmiddels de klokkentoren van de kathedraal - en het paleis Alcázar. De Moren waren hier tot 1258 de baas en dat merk je nog goed.
Na één dag Sevilla fietsen we door Spaanse polders langs de Rio Guadalqivir, die zijn naam nog aan de Moren dankt (Wadi El Kabir betekent grote rivier in het Arabisch). Het is maart en dan komt hier geen kip. Wel zilverreigers, steltkluten en flamingo's. We passeren enorme zoutpannen en bereiken de haven van Sanlucar de Barrameda, waar Columbus en Magelhaes ooit de zeilen hesen om een andere wereld te ontdekken. Wij varen hier naar de overkant en ontdekken de eindeloze slikken en gorzen van de Coto Doñana, het grootste waterwildreservaat van Europa.

 

Plaza de España, Sevilla

vlak voor de top liggen we voor pampus
 

Het recht op buit
In een paar dagen fietsen we naar El Bosque. De contouren van de Sierra de Grazalema doemen steeds duidelijker op. Vroeger was dit een roversnest. Richard Ford telde hier rond 1830 wel vijftien gedenkkruizen op een afstand van vijftig meter: slachtoffers van de bandieten die het op reizigers hadden voorzien. In Murray's Handbook for Spain adviseerde hij horloges te dragen om de bendes mee af te kopen, bij voorkeur bungelend aan vergulde kettingen. Kon je geen horloge overhandigen, dan werd dat door de schurken als een grove schending van hun recht op buit ervaren.
Tegenwoordig is het hier een stuk veiliger. We halen brood en ijsjes en constateren daarna dat zelfs onze fietscomputers niet gestolen zijn! Echte boeven zitten vandaag de dag in Marbella.

Voor pampus
We hebben het zes dagen voor ons uitgeschoven, maar nu moeten we er aan geloven: échte bergen. De weg naar Grazalema gaat over een 1100 meter hoge pas. Beukend op de pedalen wurmen we ons door vele bochten tussen de kalkrotsen omhoog. Met chocola, vijgen en olijven komen we een heel eind. Het uitzicht wordt spectaculair, de tegenwind heftig en de beenspieren zuur.
‘Toch wel pittig hè?’, zeg ik.
‘Best wel moordend ja. Het lijkt wel of die berg groeit terwijl wij omhoog fietsen!’
Vlak voor de Puerto del Boyar liggen we voor pampus. Een zakje chips geeft ons de finale opwaartse stoot naar het witte dorp Grazalema.


Grazalema

     

Bandoleros
De volgende ochtend is het nog maar een kort ritje naar de Puerto de las Palomas, waar de eindeloos slingerende afdaling naar Zahara begint. Zahara is een oogstrelende opeenhoping van spierwitte huisjes met rode dakpannen. Daarboven de ruïne van een Moors kasteel, omringd door hellingen met olijfbomen. Alle wegen leiden hier naar Ronda, dramatisch gelegen aan de gapende kloof van de Rio Guadalevín. Het heeft alles wat een stadje echt Andalusisch maakt: witte huizen, een arena, een Alcázar, een paleis met Moorse tuinen en kleine bandoleros die nu toch echt onze fietscomputers jatten!
We verlaten Ronda via de Puerto del Viento. De groene prairie verandert opeens in een maanlandschap waar slechts wat doornstruiken de kale rotsen sieren. Weer een bocht verder worden we verrast door uitzicht over het dal van El Burgo.

Lichtjes omhoog
In Antequera vertelt de vrouw van de turismo ons waar de camping is: enkele kilometers zuidwaarts, halverwege El Torcal, één van de hoogste en fotogeniekste natuurparken van Andalusië. Verlekkerd blader ik in een folder.
‘Wauw!’, zeg ik. ‘Zulke foto's wil ik ook maken. Het is wel op 1200 meter maar we hoeven er pas bij zonsondergang te zijn.’
‘Prima’
, zegt Corrie. ‘We dumpen de bagage op de camping en fietsen dan lekker licht omhoog.’

 

van de Puerto de las Palomas naar Zahara
 

uitzicht over het dal van El Burgo
 
Na enkele kilometers begint de weg te stijgen. We zien een veld met een kantoortje en washokken.
‘Zou dit de camping zijn?’
, vraagt Corrie.
‘Ik hoop het niet, er is niemand en het hek is dicht.’
De weg wordt steiler en de zon zakt langzaam achter de bergen.
‘Deze weg is écht steil!’
‘Klopt. Volgens de kaart meer dan twaalf procent.’

Uitgeput bereiken we een driesprong. Kilometers voor ons uit zien we nog net de zon in de zee zakken, rechts gaat de weg naar El Torcal nog veel verder omhoog.
‘Misschien is hierboven in het park een camping’
, zeg ik zonder het zelf te geloven.
‘Moeten we daar nu echt nog heen? De zon is al onder.’
‘Maar morgenochtend komt ie weer op, dan is het er vast nòg mooier!’
Zuchtend duwt Corrie haar fiets de berg op.
‘Heb jij nog water?’, roept ze.
‘Nee, maar we hebben nog een vol pak sinaasappelsap.’
‘Wou je daar straks de pasta in koken?’
Zwijgend zwoegen we verder tot er een auto aankomt. Het zijn Engelsen. Een camping hebben ze niet gezien, maar vers water voor de bidons? No problem!
Het is donker als we helemaal boven zijn. ‘No camping’ staat op de borden die ons welkom heten, maar nood breekt wet. Niemand die onze tent hier tussen de bosjes kan zien: alleen de geur van de heerlijk dampende pastaschotel kan ons nog verraden…

Als verzopen katjes
Bij het krieken van de nieuwe dag gluur ik vol verwachting uit de tent. Mist! Uitgerekend nu, na tien zonnige dagen. Niks zonsopgang, niks topfoto's. Al gauw gaat de mist naadloos over in regen van de allerhoogste miezergraad. We lopen naar het bezoekerscentrum, hopend op hete koffie. Maar dat gaat pas om tien uur open. Kleumend staan we te ontbijten onder een smal afdakje waar de regen steeds harder vanaf gutst, als een groep wandelaars naast ons komt schuilen.
‘Buenos días!’, groeten ze en werpen een medelijdende blik op onze fietsen met druipende tassen. Rugzakken en thermosflessen gaan massaal open en in een mum van tijd zijn we voorzien van warme koffie met rum en cakejes! Pas tegen elf uur gaat het informatiecentrum open, maar deze ochtend kan niet meer stuk.
Vroeg in de middag besluiten we om naar Antequera terug te fietsen. De regen valt nog steeds en inmiddels is het ook gaan stormen. In een half uur leggen we de veertien kilometer af waar we gisteren uren op gezwoegd hebben. In Antequera hoeven we niet lang naar een kamer te zoeken. Bij het eerste pension waar we langskomen maant een krasse oma ons tot stoppen.
‘Excursión en bicicleta? Tiempo frio!’ roept ze hoofdschuddend en stuurt ons heftig gebarend naar binnen.
 

huis in Antequera
 

Sierra de la Horconera
 
Lavandería automatica?
Een dag later fietsen we onder bonkige luchten tussen de olijfplantages. Het is tien graden en we zetten koffie in een bushokje, terwijl de hagelstenen om ons heen vliegen. Later zet de laagstaande zon de bergen van de Sierra de la Horconera in lichterlaaie, totdat bliksem en donder ons ijlings naar een warm hostal in Priego de Córdoba doen vluchten.
De turismo van deze stad is een attractie op zich. Het kantoor zetelt in het geboortehuis van Niceto Alcalá Zamora, de eerste president van de Spaanse Republiek, voordat de burgeroorlog uitbrak. Nu is dit een klein republikeins bedevaartsoord, opgetooid met klassiek meubilair, vlaggen en portretten van de trotse ex-president.
Niet minder trots is José Mateo Aguilera, die deze turismo runt. Hij trakteert ons in allercharmantst Engels op een vlammend betoog over de vele monumenten in Priego de Córdoba, die we beslist gezien moeten hebben. We durven haast niet meer te vragen wat we eigenlijk wilden weten: of er een wasserette is waar we onze kleren kunnen wassen en drogen.
‘Laundry, lavanderia automática?’, vragen we, nadat we beloofd hebben dat we alle kerken en paleizen zullen bezoeken. ‘Si’, roept José en legt ons uit waar we moeten zijn. Even later staan we op de aangewezen plek: geen wasserette te bekennen, alleen een geldautomaat.
‘Zou José ons wel begrepen hebben?’, vraagt Corrie zich af.
‘Zouden er überhaupt wasserettes zijn in een land waar het in de zon vaak heter is dan in een droogtrommel?’, bedenk ik. ‘En zou José ooit toegeven dat ze die hier niet hebben?’
Maar zodra we het schitterende interieur van de Iglesia de la Asunción aanschouwen, snappen we José. Alleen al deze geweldige barokke suikertaart is een bezoek aan Priego de Córdoba waard. Kleren wassen doen we wel een andere keer.
 

Iglesia de la Asunción
 
Sneeuw
Het is nog altijd nat en koud als de siësta-uren beginnen en de meeste gebouwen dichtgaan. Tijd om verder te fietsen door de heuvels naar Montefrío. De volgende dag klaart het op en genieten we van een zonovergoten picknick op de mysterieuze weide van Las Peñas de los Gitanos, bezaaid met graven uit het stenen tijdperk. We klimmen verder tot 1200 meter hoogte en zien opeens in het oosten en zuiden witte bergtoppen: boven de 1600 meter ligt overal verse sneeuw!
 

uitzicht vanaf Mirador de San Nicolás
 
Flamencofuif
Granada, aan de voet van de Sierra Nevada, hééft het. Een stad met een groots Moors verleden en geen gebrek aan Spaans temperament. We laten de fietsen er een paar dagen staan, vergapen ons aan de etalages met Mariakitsch, bewonderen het Alhambra en snuiven de sfeer op in de steile straatjes en steegjes van het oude Albaicín. Op een zwoele avond klimmen we naar de Mirador de San Nicolás met het klassieke panorama over de Sierra Nevada en het Alhambra en belanden midden in een knallende flamencofuif.
 

we belanden in een knallende flamencofuif


uitzicht op de Sierra Nevada

 
Puerto del Suspiro del Moro
We verlaten Granada over de oude weg naar de Puerto del Suspiro del Moro. Hier keek de laatste Moorse heerser Abu Abd Allah in 1492 huilend om naar de stad die hij net verloren had. Wij volgen zijn spoor maar zijn een stuk vrolijker op de stille weg die hier van de autoweg afbuigt. Zonder veel moeite komen we weer boven de 1000 meter en als we dan nog even omkijken, worden we verrast door de enorme sneeuwbult van de Sierra Nevada, die nu maar twintig kilometer verderop ligt.
 
Aan de Costa del Sol
‘Als we doorfietsen, zitten we over twee uur aan de Costa del Sol’, zeg ik.
‘Daar willen we toch niet heen?’
‘Nee. Daarom moeten we hier als de donder rechtsaf, anders tuimelen we van deze bergen af!’
Net op tijd om aan de goede kant van de bergen te blijven veranderen we van koers en genieten van het mozaïek van lange rijen olijfbomen, groene velden en witte huisjes.
 

een mozaïek van lange rijen olijfbomen, groene velden en witte huisjes
 
Vlucht omlaag
Donkere wolken schuiven onze kant op en al gauw barst de regen los. We duiken een bar in en wachten tot het droger wordt. De stamgasten kijken nu eens niet naar Spaans voetbal maar naar wielrenners op droge kasseien in een zonnig Vlaams landschap.  
‘Daar hebben ze beter weer dan hier’, stel ik vast.
Als we alle tapas geproefd hebben, giet het buiten nog steeds. We fietsen toch maar verder naar Ventas de Zafarraya, waar dichte mist ons elk zicht ontneemt. Eigenlijk willen we zo lang mogelijk door de bergen fietsen, via de Puerto de los Alazores, Colmenar en de Puerto de Leon bijna letterlijk Malaga binnenvallen, maar dan moeten we wel iets kunnen zien. We hebben weinig keus, het takkenweer dwingt ons om af te dalen. Een dik uur later staan we duizend meter lager en dertig kilometer verder in Torre del Mar. Achter ons torenhoge appartementen, voor ons een grauw strand met lullige parasolletjes en kapotte rioolbuizen. Groepjes overwinteraars staren ons aan tijdens hun dagelijkse rondje over de boulevard. Maar het is wèl droog aan deze Costa del Sol.

Wijs geworden
We nemen de oude kustweg naar het westen. Waar de lintbebouwing even ophoudt, is ons een weidse blik over de zee gegund. We stuiten op een grindweg met korte tunnels, waar ooit een spoorlijn heeft gelopen en maken dankbaar gebruik van dit alternatief voor de drukke autoweg.
Wijs geworden van onze rit naar Sevilla, willen we in Malaga de trein naar het vliegveld nemen. Helaas, de trein blijkt een soort metro met tourniquetjes waar geen fietsen door kunnen. Dan moeten we wel over de snelweg.
Voorzichtig volgen we de vluchtstrook tot er een drukke invoegstrook van rechts komt. Als loslopende stieren in de straten van Pamplona scheuren ingeblikte Spanjolen links en rechts mijn knalrode fietstassen voorbij. Opgejaagd als de laatste Moren voor de inquisitie fietsen we onze eigen exodus naar de Aeropuerto. Maar pas op, we komen terug!

   

     
(In een iets andere vorm eerder verschenen in Op Pad , oktober/november 2003)